Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7276

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
15/138298-20, 15/237225-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewapende overval in een woning waar vier personen aanwezig waren. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 159 dagen moet worden opgelegd, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van 90 dagen vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren. De rechtbank acht hierbij een meldplicht, het niet onttrekken aan een gesloten plaatsing, het volgen van onderwijs of het hebben van een zinvolle dagbesteding, een contactverbod en een locatieverbod als bijzondere voorwaarden noodzakelijk. De rechtbank zal bevelen dat deze voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van 60 uren moet worden opgelegd. De vorderingen van de benadeelde partijen worden (gedeeltelijk) hoofdelijk toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 15/138298-20 en 15/237225-19 (tul)

Uitspraakdatum: 17 september 2020

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 3 september 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.P. Peters en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.C. Duin, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 mei 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een woning, gelegen aan [adres] , meerdere telefoons en/of een portemonnee en/of een geldkistje, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

- de woning van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] te betreden met (gedeeltelijke) gezichtsbedekking en/of

- die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een mes en/of een koevoet/breekijzer en/of een schroevendraaier te tonen;

- voornoemde personen (dreigend)te bevelen op de grond te gaan liggen en/of daarbij een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op hen te richten;

- voornoemde personen (dreigend) te vragen waar hun telefoon(s) en/of hun bezittingen lagen en/of te vragen: 'Waar is de kluis';

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd, althans het lichaam, van die [benadeelde partij 2] te zetten en/of te richten en/of te bevelen de kluis open te maken en/of;

- die [benadeelde partij 1] (met kracht) te duwen.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om verdachte partieel vrij te spreken van het duwen van aangever [benadeelde partij 1] . Aangever [benadeelde partij 1] heeft verklaard niet te weten hoe hij werd tegengehouden. Bovendien was verdachte niet aanwezig in die ruimte ten tijde van het vallen van aangever [benadeelde partij 1] .

3.3.

Partiële vrijspraak
De rechtbank volgt de verdediging in het standpunt dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat waaruit kan worden afgeleid dat aangever [benadeelde partij 1] is geduwd door verdachte of de medeverdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is dit gedeelte van het tenlastegelegde daarom niet wettig en overtuigend bewezen en moet hij daarvan worden vrijgesproken.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit voor het overige heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van
    J [benadeelde partij 1] van 23 mei 2020 (dossierpagina’s 101 tot en met 105);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [benadeelde partij 2] van 23 mei 2020 (dossierpagina’s 109 tot en met 111);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige
    [benadeelde partij 3] van 23 mei 2020 (dossierpagina’s 116 tot en met 118).

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 mei 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander in een woning, gelegen aan [adres] , meerdere telefoons en een portemonnee en een geldkistje, toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken door:

- de woning van die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] te betreden met gedeeltelijke gezichtsbedekking en

- die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een mes en een koevoet en een schroevendraaier te tonen;

- voornoemde personen (dreigend) te bevelen op de grond te gaan liggen en daarbij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op hen te richten;

- voornoemde personen (dreigend) te vragen waar hun telefoons en hun bezittingen lagen en te vragen: 'Waar is de kluis';

- en die [benadeelde partij 2] te bevelen de kluis open te maken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 158 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden toezicht door de jeugdreclassering, een meldplicht, het meewerken aan verblijf bij en behandeling in [gesloten instelling] , het volgen van onderwijs of het hebben van dagbesteding, een contactverbod met de medeverdachte en de slachtoffers en een locatieverbod voor het gebied in een straal van 500 meter rondom het perceel [adres] . Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uur.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om de eis van de officier van justitie in die zin te matigen, dat aan verdachte een voorwaardelijke taakstraf zal worden opgelegd om zodoende te voorkomen dat verdachte wordt overvraagd.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewapende overval in een woning waar vier personen aanwezig waren. Zij hebben hierbij gebruik gemaakt van een nepvuurwapen, een koevoet, een mes en een schroevendraaier. Zij hebben de slachtoffers bevolen om op de grond te gaan liggen en het nepvuurwapen op hen gericht. Vervolgens werd een van de bewoners van de woning onder bedreiging van een koevoet door verdachte meegenomen naar de kelder, waar hij de kluis moest openen. De slachtoffers hebben hun telefoons, een portemonnee en een geldkistje moeten afstaan.

Dit is een zeer bedreigende en beangstigende gebeurtenis geweest voor de slachtoffers. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort misdrijven daarvan nog langdurig nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Dit geldt temeer nu de onderhavige overval in een woning heeft plaatsgevonden, een plaats waar men zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Dat het feit angst en gevoelens van onveiligheid bij de slachtoffers teweeg heeft gebracht, blijkt ook uit de onderbouwing van het gevorderde smartengeld. Door het handelen van verdachte en medeverdachte is op grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de bewoners.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 31 juli 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor een straatroof en openlijke geweldpleging onherroepelijk tot een werkstraf is veroordeeld. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw in de fout te gaan.

- het over verdachte uitgebrachte psychologische onderzoek Pro Justitia, gedateerd 16 juli 2020 van [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog. Dit onderzoek houdt onder meer het volgende in:

Bij verdachte kan worden gesproken over een hechtingsstoornis, een gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling (antisociale en narcistische trekken). Hiervan was sprake ten tijde van het tenlastegelegde. Verdachte was sterk gericht op eigen behoeftebevrediging en redeneerde vooral vanuit egocentrisch perspectief. In zijn keuzes leek tevens het gevoel van onrecht rondom de uithuisplaatsing een rol te spelen. Zijn gemoedstoestand zou gepaard zijn gegaan met gevoelens van machteloosheid en gebrek aan perspectief. Verdachte was hoe dan ook dusdanig bezig met zijn eigen belangen dat hij onvoldoende stilstond bij de gevolgen voor slachtoffers en schuwde daarbij het dreigen met geweld niet. Zijn empathie zorgde voor onvoldoende rem op zijn gedrag. De beperkingen in de gewetensontwikkeling en frustratietolerantie zijn van invloed geweest op de keuzevrijheid van verdachte, zodat wordt geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

De gebrekkige gewetensontwikkeling en de beperkte frustratietolerantie komen als belangrijke elementen naar voren. Het is zorgelijk dat verdachte vaker uitspraken heeft gedaan die criminaliteit verheerlijken en dat er vermoedens zijn van het voorbereiden van delicten. Verdachte heeft voldoende inzicht in oorzaak en gevolg en zijn moeder is van enige steun. De sociale context is echter ongunstig, omdat de moeder haar zoon onvoldoende kan aansturen en overdag geen toezicht kan houden. Daarbij komt dat verdachte geen dagbesteding heeft en optrekt met jongeren over wie zorgen bestaan. Des te langer verdachte zich in een structuurloze situatie zonder toezicht bevindt, des te meer de recidivekans zal toenemen.

De plaatsing van verdachte in de gesloten jeugdzorg te [gesloten instelling] sluit op dit moment het meeste aan bij wat de ontwikkeling van verdachte nodig heeft. Met deze plaatsing is het recidiverisico afgenomen. Bij [gesloten instelling] zijn behandelteams gespecialiseerd in complexe hechtingsproblematiek. Daarbij kan een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie worden overwogen zodat verdachte de consequenties ervaart van antisociale keuzes. Een voorwaardelijk deel kan als stok achter de deur dienen om mee te werken aan de behandeling en met de jeugdreclassering en om af te zien van recidive.

De rechtbank kan zich verenigen met de bevindingen en conclusies van dit rapport en neemt deze daarom over.

- het over verdachte uitgebrachte advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 12 augustus 2020. Dit advies houdt onder meer het volgende in:

Zowel in de thuissituatie als op de leefgroepen is sprake van zeer zelfbepalend, grensoverschrijdend en manipulerend gedrag bij verdachte, wat leidt tot conflicten met zijn opvoeders. Als gevolg daarvan is hij uit huis geplaatst en verblijft hij sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in de gesloten jeugdzorginstelling te [gesloten instelling] . Sinds april 2019 had verdachte geen dagbesteding nadat hij door het bedreigen van een leerkracht van school is verwijderd. Daarnaast gaf hij geen inzage in met wie hij omgaat en wat hij doet als hij niet thuis is. Ook is er sprake van blowen en omgang met antisociale jongeren. Hij lijkt met hen strafbare feiten te plegen. Gelet op het gebrek aan motivatie om zijn gedrag te veranderen en het feit dat hij aangeeft geen inzicht te hebben in oorzaak en gevolg, maakt dat de Raad meent dat de kans op herhaling van delictgedrag hoog is. Verdachte wordt als een beïnvloedbare jongen ervaren, wat verdachte zelf ontkent. Hij geeft aan bewuste keuzes te maken in zijn delictgedrag. Dit vergroot de kans op herhaling.

Het is duidelijk dat verdachte toezicht en externe begrenzing moeilijk verdraagt en zich bij vrijheid zal onttrekken. Een plaatsing in de thuissituatie of op een open plek zal de kans op recidive niet kunnen verlagen. Daarbij komt dat de hechtings- en gedragsproblematiek van verdachte intensieve behandeling vergt om zijn ontwikkeling bij te sturen.

De Raad adviseert daarom verplichte behandeling in te zetten om de kans op herhaling te laten afnemen. De Raad conformeert zich aan het advies uit het psychologische rapport in die zin dat de Raad een deels voorwaardelijke jeugddetentie met verplichte begeleiding vanuit de jeugdreclassering het meest passend acht.

De Raad adviseert een deels voorwaardelijke jeugddetentie met aftrek met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, het meewerken aan verblijf en behandeling te [gesloten instelling] , het volgen van onderwijs of het hebben van een zinvolle dagbesteding, het meewerken aan een contactverbod met de medeverdachte en de slachtoffers en het meewerken aan een locatieverbod in de directe omgeving van het perceel [adres] .

[vertegenwoordiger van de raad] heeft ter terechtzitting namens de Raad als volgt aanvullend verklaard:

Het uitvoeren van een werkstraf zou het meest haalbaar zijn tijdens verlof en dat is voorlopig nog niet aan de orde. De plaatsing in [gesloten instelling] is al belastend. Een werkstraf verdient wel de voorkeur boven jeugddetentie als de rechtbank nog een aanvullende straf nodig vindt. Verdachte dient zich te richten op zijn behandeling en schoolgang.

Verder houdt de rechtbank rekening met de jeugdige leeftijd en de proceshouding van verdachte. Verdachte heeft namelijk ter terechtzitting blijk gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien en spijt betuigd. Daarnaast is het positief dat verdachte sinds enkele weken zijn schoolgang heeft hervat.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf voor de duur van 159 dagen moet worden opgelegd, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte van 90 dagen vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank bijzondere voorwaarden noodzakelijk. Het betreft een meldplicht bij De Jeugd- en Gezinsbeschermers, het niet onttrekken aan de gesloten plaatsing te [gesloten instelling] , het volgen van onderwijs of het hebben van een zinvolle dagbesteding, een contactverbod met medeverdachte en de slachtoffers en een locatieverbod rondom perceel [adres] . Deze voorwaarden zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet op het hoge recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat bovengenoemde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van 60 uren moet worden opgelegd. Deze straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat verdachte voorlopig in een gesloten jeugdzorginstelling verblijft en daar wordt behandeld voor zijn problematiek. Ook heeft verdachte sinds enkele weken zijn schoolgang hervat. Een werkstraf zal in het intensieve traject van verdachte moeten worden ingepast en waarschijnlijk tijdens verlofmomenten moeten worden uitgevoerd. Een werkstraf van de omvang zoals door de officier van justitie gevorderd zal verdachte mogelijk overvragen en het behandeltraject doorkruisen. Dat moet worden voorkomen. De rechtbank vindt, mede gelet op de ernst van het feit, de oplegging van een werkstraf van 60 uur passend en geboden

7 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

7.1.

[benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 21.149,12 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit een camerabeveiligingsinstallatie en een hekwerk en betreft een bedrag van € 18.549,12. De immateriële schadevordering betreft een bedrag van € 2.600,-

7.1.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.1.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om de materiële schadeposten niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze schadeposten zijn onderbouwd middels offertes en vanwege het ontbreken van een causaal verband tussen de geleden schade en het tenlastegelegde feit. Subsidiair dienen de materiële schadeposten eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding. Daarnaast heeft de verdediging bepleit om de immateriële schadepost te matigen, omdat het bedrag buitenproportioneel is, te meer nu de psychische gevolgen van de benadeelde partij niet onderbouwd zijn door een verklaring van een deskundige.

7.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat deze gevorderde schade in een te ver verwijderd verband staat van het ten laste gelegde feit, nog daargelaten dat de gevorderde schade voor de camerabeveiligingsinstallatie en het hekwerk is onderbouwd met offertes. De rechtbank zal deze schadeposten dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank is verder van oordeel dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt tot een bedrag van € 1.000,- en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Vergoeding van dit bedrag komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en op wat in soortgelijke zaken wordt toegewezen. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal in vereniging, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

7.2.

[benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.675,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit een mobiele telefoon en betreft een bedrag van € 75,-. De immateriële schadevordering betreft een bedrag van € 2.600,-.

7.2.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.2.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat vergoeding van de materiële schade dient te worden afgewezen, omdat de benadeelde partij heeft verklaard dat het scherm van de mobiele telefoon al beschadigd was. Daarnaast heeft de verdediging bepleit om de immateriële schadepost te matigen, omdat het bedrag buitenproportioneel is, te meer nu de psychische gevolgen van de benadeelde partij niet onderbouwd zijn door een verklaring van een deskundige.

7.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, aangezien aangever in de aangifte heeft verklaard dat het scherm al kapot was en uit de bijgevoegde afbeeldingen bij het proces-verbaal van bevindingen van [naam] op pagina 106 van het procesdossier is gebleken dat de mobiele telefoon van de benadeelde partij nog werkzaam was op het moment dat deze na de overval door verbalisant [verbalisant] werd aangetroffen. Dit maakt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de mobiele telefoon van de benadeelde partij beschadigd en onbruikbaar is geraakt door het tenlastegelegde, zodat de rechtbank de benadeelde partij voor dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren.

De rechtbank is verder van oordeel dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt tot een bedrag van € 1.000,- en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Vergoeding van dit bedrag komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en op wat in soortgelijke zaken wordt toegewezen. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal in vereniging, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

7.3.

[benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 109,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit het vervangen van het scherm van een mobiele telefoon.

7.3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.3.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de vordering tot schadevergoeding dient te worden afgewezen ofwel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering niet is onderbouwd.

7.3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Zo heeft verdachte verklaard dat hij tijdens zijn vlucht drie mobiele telefoons heeft laten vallen. Bovendien volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] op pagina 44 dat de schermen van de telefoons van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] totaal gebarsten waren na de overval. De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag schatten op € 109,- en de vordering dan ook volledig toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal in vereniging, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

7.4

[benadeelde partij 4]

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 234,68 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit de aanschaf van een smartphone Samsung Galaxy A5i.

7.4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen ofwel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

7.4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 109,- rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens zijn vlucht drie mobiele telefoons heeft laten vallen en uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] op pagina 44 volgt dat de schermen van de telefoons van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] totaal gebarsten waren. De rechtbank stelt dan ook vast dat het scherm van de mobiele telefoon van de benadeelde partij ernstig beschadigd is geraakt als gevolg van het tenlastegelegde. Omdat echter niet is onderbouwd waarom de telefoon daardoor volledig onbruikbaar is geworden en de aanschaf van een nieuwe mobiele telefoon noodzakelijk was, zal de rechtbank de vordering toekennen ter hoogte van een geschat bedrag dat billijk wordt geacht om het scherm van de mobiele telefoon te vervangen. De rechtbank zal dit bedrag schatten op € 109,- en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal in vereniging, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

8 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 17 december 2019 in de zaak met parketnummer 15/237225-19 heeft de kinderrechter te Alkmaar verdachte ter zake van diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, meermalen gepleegd, veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uur. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 28 juli 2020 aan de verdachte toegezonden.

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich ter zitting op het standpunt dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, omdat de proeftijd ten tijde van het tenlastegelegde nog niet was ingegaan.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in haar vordering, omdat de proeftijd ten tijde van het plegen van het onderhavige strafbare feit nog niet was ingegaan.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 159 (zegge: honderdnegenenvijftig) dagen.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 90 (zegge: negentig) niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

  • -

    zich zal melden bij de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te [adres] (hierna: de JGB) en zich daarna zal blijven melden, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

  • -

    zich niet zal onttrekken aan zijn gesloten plaatsing te [gesloten instelling] ;

  • -

    onderwijs zal volgen en/of een zinvolle dagbesteding zal hebben;

  • -

    op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met de volgende personen, zolang de JGB dit noodzakelijk acht:

- [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] (Haïti);

- [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

- [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

- [benadeelde partij 3] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

- [benadeelde partij 4] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

- zich niet zal bevinden binnen een straal van 500 (zegge: vijfhonderd) meter van [adres] , zolang de JGB dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Stelt verder als voorwaarden dat veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de JGB zo vaak en zolang als deze instelling dit noodzakelijk acht.

Beveelt dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 60 (zegge: zestig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 (zegge: dertig) dagen jeugddetentie.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade tot een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] geleden schade tot een bedrag van € 109,- (zegge: honderdnegen euro), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 3] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 109,- (zegge: honderdnegen euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 4] geleden schade tot een bedrag van € 109,- (zegge: honderdnegen euro), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan

[benadeelde partij 4] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 109,- (zegge: honderdnegen euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de zaak met parketnummer 15/237225-19 opgelegde voorwaardelijke straf.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Drenth, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. L. Boonstra, tevens kinderrechter, en mr. T. Fuchs, rechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.A.C. Sinnige,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 september 2020.

mr. Fuchs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.