Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7257

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5527
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW inlichtingenplicht, terugvordering, norm van een gezin, beroep op onbekendheid met de activiteiten en financiële situatie van de (ex-) partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/5527

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.H. Kruseman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Eerens).

Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder - onder verwijzing naar het besluit van 5 september 2018 – een bedrag van € 506,67, die eiseres op grond van de Participatiewet (PW) heeft ontvangen, teruggevorderd. Na verrekening met het vakantiegeld is dit bedrag verlaagd naar € 474,42.

Bij besluit van 4 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder - met inachtneming van het advies van de Vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften van 20 mei 2019 - het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via Skype plaatsgevonden op 4 augustus 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Aan eiseres en [naam] , thans de ex-partner van eiseres, (nader te noemen: [naam] ) is een (aanvullende) uitkering toegekend naar de norm van een gezin. Op 12 april 2018 heeft [naam] de gezamenlijke woning verlaten.

1.2.

Uit onderzoek is gebleken dat [naam] vanaf 24 januari 2018 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. In afwachting van nader onderzoek heeft verweerder bij besluit van 14 mei 2018 de betaling van de uitkering vanaf 13 april 2018 geblokkeerd en het recht op uitkering per 7 mei 2018 geschorst.

1.3.

Bij besluit van 16 augustus 2018 (gericht aan [naam] ) heeft verweerder het recht op uitkering per datum besluit beëindigd en per 13 april 2018 naar de norm van gehuwden ingetrokken, omdat hij niet langer samenwoont met eiseres. Verweerder heeft verder vastgesteld dat [naam] vanaf 13 april 2018 geen recht heeft op een uitkering naar de norm van een alleenstaande, omdat hij geen inlichtingen heeft verstrekt over zijn verblijfplaats en zijn inkomsten met als gevolg dat het recht op uitkering vanaf die datum niet is vast te stellen. Verder heeft verweerder vastgesteld dat [naam] in januari en februari 2018 inkomsten uit arbeid heeft genoten die hij niet heeft doorgegeven. Een deel hiervan zal verrekend worden met het resterende recht over de maand april 2018. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij besluit van 4 september 2018, verzonden 5 september 2018 (gericht aan eiseres) heeft verweerder het recht op uitkering per deze datum beëindigd en per 13 april 2018 ingetrokken, omdat eiseres niet langer samenwoont met [naam] . Eiseres heeft geen recht meer op een uitkering naar de norm van gehuwden en met haar inkomsten uit arbeid heeft eiseres vanaf 13 april 2018 voldoende inkomsten om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Verder heeft verweerder vastgesteld dat [naam] over de periode januari tot en met februari 2018 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen die hij niet heeft doorgegeven. Een deel hiervan wordt verrekend met het resterende recht op uitkering over de maand april 2018 en de vakantietoeslag. Hetgeen eiseres teveel heeft ontvangen zal in een nader besluit worden teruggevorderd. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is ongegrond verklaard en eiseres heeft geen rechtsmiddelen ingesteld tegen dit besluit.

1.5.

Verweerder heeft op 27 november 2018 een rapport opgesteld en vervolgens in het primaire besluit beslist zoals opgenomen onder het procesverloop.

Eiseres heeft op 10 december 2018 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 20 mei 2019 heeft de Vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften een advies uitgebracht met betrekking tot het bezwaar gericht tegen het primair besluit.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden door de inkomsten van de heer [naam] , haar ex-partner, over de periode januari 2018 tot en met februari 2018 niet aan verweerder door te geven met als gevolg dat het recht op uitkering over deze periode is herzien en een bedrag van € 506,67 wordt teruggevorderd. Na verrekening van het vakantiegeld resteert een bedrag van € 474,42.

Verweerder heeft de uitkering aan eiseres en aan haar – nu – ex-partner toegekend in de vorm van gezinsbijstand. Dit betekent dat de inlichtingenplicht voor beiden, als voor ieder van hen afzonderlijk geldt. Indien één van de partners de inlichtingenplicht niet nakomt waardoor niet langer kan worden vastgesteld of nog recht op bijstand bestaat dan treft dit gevolg beide partners. Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) komt het voor rekening en risico van eiseres als er sprake is van onbekendheid met activiteiten en met de financiële situatie van de (ex-)partner (ECLI:NL:CRVB:2016:2594).

Omdat beiden de gehuwdennorm ontvingen zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de terugvordering. Verweerder ziet geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij een opleiding volgt, werkte en inkomsten had onder de gezinsnorm. [naam] had destijds geen werk en daarom ontving het gezin aanvullende bijstand tot aan de gezinsnorm. Op 13 april 2018 heeft [naam] onder druk van Veilig Thuis de gezamenlijke woning verlaten. Op 2 mei 2019 is het verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend.

Eiseres voert aan dat zij niet bekend was met de inkomsten van [naam] omdat de verhouding toen al verstoord was en tot op heden heeft hij nog steeds geen uitsluitsel hierover gegeven. Desondanks houdt verweerder vast aan de gezamenlijke inlichtingenplicht. Eiseres vindt dat verweerder gebruik had moeten maken van de ruimte die de wet en jurisprudentie geeft om af te wijken van de standaardformule van ondeelbare informatieplicht en hoofdelijke aansprakelijkheid. Deze mogelijkheid blijkt ook uit de door verweerder aangehaalde uitspraak. Anders dan in die uitspraak, is hier niet in discussie dat eiseres niet wist van de werkzaamheden van haar ex-partner. Eiseres heeft een geloofwaardige ontkenning van die wetenschap aangedragen. In dat geval, kan zo blijkt uit deze uitspraak, het schenden van de inlichtingenplicht haar niet worden tegengeworpen.

Daar komt bij dat niet eiseres maar haar ex-partner bijstandsbehoeftig is geweest. Het gaat niet om gezinsbijstand maar om aanvullende bijstand tot aan de gezinsnorm omdat hij geen werk had. Eiseres is geen (zelfstandig) subject van bijstand. Eiseres vindt dat de omstandigheden van eiseres aanleiding moeten zijn om van de invordering af te zien.

Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat van de hoofdregel af moet worden geweken, dan wel bijzondere omstandigheden moeten worden aangenomen. Verweerder was al heel lang bekend met de verstoorde relatie tussen eiseres en [naam] . Zij had 3 contactpersonen bij de gemeente. [naam] heeft 2 maanden zwart gewerkt. Eiseres kende de inlichtingenplicht en had haar eigen salaris. Hij wilde een uitkering. Toen hij het huis verliet in april 2018 heeft eiseres direct de gemeente gebeld om de uitkering te stoppen. Eiseres voert aan dat zij en [naam] weliswaar beiden een handtekening moesten zetten ter verkrijging van de uitkering, maar dat die uitkering op de bankrekening van [naam] werd gestort. Het is de gezinsnorm, niet de gezinsbijstand, aldus eiseres.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Ter zitting is komen vast te staan dat op het bezwaar gericht tegen het besluit van 4 september 2018 (de intrekking en beëindiging) inmiddels is beslist en dat dit besluit in rechte is komen vast te staan.

De rechtbank stelt vast dat het onderhavig beroep is gericht tegen de beslissing op bezwaar waarin het primaire besluit tot terugvordering van een bedrag van € 474,42 (na verrekening) wordt gehandhaafd.

5. Niet in geschil is dat [naam] de door verweerder in aanmerking genomen inkomsten heeft ontvangen. Evenmin is in geschil dat eiseres en [naam] hiervan geen (volledige) mededeling aan verweerder hebben gedaan. Eiseres erkent dan ook dat sprake is van schending van de inlichtingenplicht.

6. Eiseres heeft ter zitting benadrukt dat haar van deze schending geen verwijt kan worden gemaakt, gelet op de verstoorde relatie met [naam] en gelet op het feit dat verweerder bekend was met deze situatie. Verder had zij haar eigen salaris en werd de aanvullende uitkering gestort op de bankrekening van [naam] .

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat er geen sprake is geweest van gezinsbijstand. Daartoe wordt overwogen dat uit het toekenningsbesluit van 23 februari 2018 volgt dat aan eiseres en [naam] is gericht, blijkt dat aan haar en [naam] (met terugwerkende kracht tot 22 november 2017) bijstand is toegekend naar de norm van een gezin. Aldus is sprake geweest van gezinsbijstand. Dat eiseres wel inkomen had (en [naam] niet), maakt dit niet anders.

Voorts volgt uit vaste jurisprudentie van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2013:953 en ECLI:NL:CRVB:2016:2594) dat in geval van gezinsbijstand de beide in de gezinsbijstand begrepen partners als een eenheid worden gezien wat hun aanspraken en verplichtingen op grond van de WWB, nu PW, betreft en dat om die reden geen van beiden zich met succes kan beroepen op onbekendheid met de activiteiten en financiële situatie van de ander. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de stelling van eiseres, dat zij niet af wist van de inkomsten van [naam] , er niet toe kan leiden dat de schending van de inlichtingenplicht haar niet kan worden tegengeworpen.

7. Op grond van artikel 58, eerste lid van de PW vordert verweerder de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht.

8. Eiseres heeft aangevoerd dat in de door haar naar voren gebrachte feiten en omstandigheden dringende redenen zijn gelegen als bedoeld in artikel 58, achtste lid van de PW, op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk van terugvordering van de uitkering had moeten afzien.

Dringende redenen zijn aan de orde indien terugvordering tot onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene zou leiden. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken.

Eiseres is daarin niet geslaagd. De omstandigheid dat sprake was van gezinsbijstand die op de bankrekening van [naam] werd gestort vormt geen dringende redenen als hiervoor bedoelt. Dat er sprake was van een moeizame situatie tussen eiseres en [naam] en dat verweerder daarvan op de hoogte was is dit evenmin. Uit deze omstandigheden volgt niet dat de terugvordering tot onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor eiseres leidt.

9. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 7 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.