Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7233

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
19_4815
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. Griffierecht. Samenhangende zaken. Twee afzonderlijke beroepschriften ingesteld. Daarmee niet voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/4815 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2020 op het verzet van

[opposant] (hierna: [opposant] ), te [woonplaats] .

Procesverloop

[opposant] heeft tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn van 17 september 2019 beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 29 januari 2020 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.

[opposant] heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

[opposant] heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2020, alwaar [opposant] zonder bericht van verhindering niet is verschenen. Het college is ook niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat [opposant] niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn het verschuldigde griffierecht heeft voldaan.

2. In deze verzetzaak beoordeelt de verzetrechter uitsluitend of de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is.

3. [opposant] voert aan dat hij het griffierecht reeds op 8 juli 2019 heeft voldaan naar aanleiding van het beroep geregistreerd onder zaaknummer 19/2117. Beide zaken zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. [opposant] verwijst hierbij naar artikel 8:41 van de Awb.

4. De verzetrechter begrijpt dat [opposant] zich op het standpunt stelt dat in de beroepen met registratienummers 19/4815 en 19/2117 maar éénmaal griffierecht verschuldigd is. Artikel 8:41, derde lid van de Awb stelt twee voorwaarden voor het éénmaal heffen van griffierecht in meerdere zaken. Niet alleen moet sprake zijn van samenhangende besluiten, maar ook moet er in de samenhangende zaken met een en hetzelfde beroepschrift beroep worden ingesteld. Indien beroep met afzonderlijke beroepschriften wordt ingesteld geldt de anti-cumulatieregeling van artikel 8:41, derde lid van de Awb niet. De verzetrechter verwijst hiervoor naar de wettekst van artikel 8:41, derde lid van de Awb en naar vaste jurisprudentie (ABRvS 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4270 en de CRvB 30 april 2015, ECLI::CRVB:2015:1430). Vaststaat dat [opposant] met twee afzonderlijke beroepschriften beroep heeft ingesteld in de door hem genoemde (samenhangende) zaken. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, van de Awb. In wat [opposant] heeft aangevoerd, ziet de verzetrechter geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 29 januari 2020. Het verzet is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 22 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.