Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7224

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
20_2011
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. Geen aanvraag in de zin van art 1:3 Awb, gevolg Minister niet in gebreke tijdig te beslissen. Zonder een (geldige) ingebrekestelling kan ogv art 6:12, tweede lid, onder b Awb geen beroep worden ingediend wegens het niet tijdig beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/2011 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2020 op het verzet van

[opposant] (hierna: [opposant] ), te [woonplaats] ,

gemachtigde [zoon] .

Procesverloop

Per brief van 20 december 2019 heeft [opposant] zich tot de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Minister) gewend in verband met een verzoek over registratie in de Wet BIG.

Op 25 februari 2020 heeft [opposant] de Minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek.

Bij brief van 26 maart 2020 heeft de Minister gereageerd op de brief van 20 december 2019 en de ingebrekestelling van 25 februari 2020.

Op 3 april 2020 heeft [opposant] bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om registratie in de wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) van 20 december 2019. Bij brief van 28 april 2020 heeft de Minister verweer gevoerd.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 mei 2020 het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

[opposant] heeft hiertegen verzet ingesteld en verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Het onderzoek ter zitting heeft op 24 augustus 2020 plaatsgevonden. [opposant] is verschenen vergezeld door zijn zoon [zoon] als gemachtigde en zijn echtgenote [echtgenote] . De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. E. van Brandwijk.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat gelet op de inhoud en de context van de brief van [opposant] van 20 december 2019, de Minister deze brief niet had hoeven aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Omdat er geen aanvraag is gedaan, is verweerder niet in gebreke tijdig te beslissen, zodat op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb de mogelijkheid tot het indienen van beroep wegens niet tijdig beslissen niet openstaat.

2. In deze verzetzaak beoordeelt de verzetrechter uitsluitend of de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de verzetrechter in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. Gelet hierop passeert de verzetrechter de argumenten die betrekking hebben op het onderliggende inhoudelijke geschil en/of de argumenten die niet (rechtstreeks) zien op de aangevallen uitspraak.

3. [opposant] voert aan dat hij op advies van de rechter in het beroep geregistreerd onder zaaknummer 18/4495, de Minister om een aanvraagformulier heeft verzocht voor inschrijving in de Wet BIG als natuurarts. [opposant] heeft ter zitting aangevoerd dat de Wet BIG niet de mogelijkheid biedt om hem in het register te laten inschrijven als natuurarts. Hij wil dan ook dat de rechter toetst of de Wet BIG in overeenstemming is met Europese regelgeving.

4. Centraal staat de vraag of de brief van [opposant] van 20 december 2019 moet worden opgevat als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. In deze brief schrijft [opposant] het volgende: “(…) richt ik mij tot u met het verzoek om mij te registreren in het BIG-register voor de natuurlijke geneeskunst.” En voorts “Ik stel voor om een nieuwe categorie op te nemen bij de beroepen in Artikel 3 van de Wet BIG, namelijk dokter in de natuurlijke geneeskunde.”

5. In zijn reactie van 26 maart 2020 en derhalve na de ingebrekestelling, schrijft de Minister dat het verzoek van [opposant] wordt opgevat als een verzoek om een nieuwe categorie op te nemen bij de beroepen in de Wet BIG. Een (aanpassing van een) wet is een algemeen verbindend voorschrift waartegen op grond van de Awb geen bezwaar en beroep mogelijk is. Nu er geen sprake is van een mogelijkheid tot het aanvragen van een besluit is er evenmin een mogelijkheid tot ingebrekestelling.

6. De verzetrechter is van oordeel dat de brief van [opposant] van 20 december 2019 in redelijkheid kan worden opgevat als een verzoek om de wet BIG aan te passen zodat de categorie ‘natuurlijke geneeskunst’ kan worden toegevoegd als te-registreren-beroep. De Minister heeft aldus de brief van 20 december 2019 niet hoeven aanmerken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb met als gevolg dat de Minister niet in gebreke was tijdig te beslissen. Zonder een (geldige) ingebrekestelling kan op grond van artikel 6:12, tweede lid, onder b van de Awb geen beroep worden ingediend wegens het niet tijdig beslissen. Het beroep is mitsdien terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet is daarmee ongegrond. Dit betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.

7. Het voorgaand laat onverlet dat [opposant] er nog steeds belang bij heeft dat inhoudelijk wordt beslist op een aanvraag om hem in te schrijven in het BIG-register, zodat –bij afwijzing- [opposant] deze beslissing inhoudelijk kan laten toetsen door de rechter aan het Europese recht. Ter zitting hebben partijen de intentie geuit om zich in te spannen om tot een dergelijk toetsbaar besluit te geraken.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, rechter, in aanwezigheid van

E.A.D. Horn, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 22 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.