Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7218

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 437
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw-zaak, ingangsdatum uitkering, verwijtbaarheid tijdsverloop van 6 maanden tussen melding en aanvraag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/437

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard, verweerder

(gemachtigde: mr. S.S. Kindt).

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) verleend met ingang van 8 maart 2019.

Bij besluit van 10 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser is een alleenstaande vader van een minderjarige dochter. Hij heeft zich op 19 september 2018 gemeld bij het loket van de gemeente (Halte Werk) voor financiƫle hulp. Op 8 maart 2019 heeft hij zich nogmaals gemeld en op 12 april 2019 is een aanvraag voor bijstand voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud op grond van de Pw (bijstandsuitkering) in behandeling genomen.

2. Het bestreden besluit gaat over de ingangsdatum van de aan eiser verleende bijstandsuitkering. Volgens verweerder kan niet van de datum 19 september 2018 worden uitgegaan, omdat het eiser kan worden verweten dat hij niet zo spoedig mogelijk nadat hij zich op 19 september 2018 heeft gemeld voor financiƫle hulp een aanvraag heeft ingediend. Ondanks de benarde situatie waarin hij zat en de zorg voor zijn dochter, heeft hij zes maanden lang geen actie ondernomen om een aanvraag in te dienen en een uitkering te verkrijgen.

3. Eiser voert in beroep aan dat de bijstandsuitkering met ingang van de meldingsdatum, 19 september 2018, moet worden toegekend. Dit vloeit volgens hem voort uit de wet. Voorts dient het feit dat het aanmeldformulier naar het verkeerde adres is gestuurd voor rekening en risico van de gemeente te komen. Dit kan hem niet verweten worden. Hij heeft zich voor hulp gewend tot de gemeente nadat hij in een zeer moeilijke positie is geraakt, waarbij hij geen plek had om te wonen, maar wel de zorg had voor zijn dochter. Hij kon de problemen niet meer zelf oplossen, daarom wordt hij ook vanuit de Wet maatschappelijk ondersteuning geholpen door de gemeente. De gemeente kan dan niet van hem verwachten dat hij Halte Werk achterna zit die hem geen aanvraagformulier heeft gestuurd. Ten tijde van de latere aanvraag had hij een hulpverlener die hem hielp zijn leven weer op de rit te krijgen. Volgens eiser is het in strijd met de wet en onredelijk om hem zijn benarde situatie tegen te werpen.

3.1

Uit artikel 44, eerste en tweede lid, van de PW volgt dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Op grond van artikel 44, derde lid, van de PW kan verweerder, indien de aanvraag niet zo spoedig mogelijk na de melding wordt ingediend, de bijstand toewijzen met ingang van de datum waarop de aanvraag is ingediend. Uit dit artikel en daarop betrekking hebbende rechtspraak, welke rechtspraak zijn gelding onder de PW heeft behouden, vloeit voort dat een melding zijn betekenis houdt zolang geen sprake is van tijdsverloop waarvan betrokkene een verwijt kan worden gemaakt.1

3.2

Voor het antwoord op de vraag of sprake is van verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de PW zijn de omstandigheden van eiser bepalend. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hem van de verlate aanvraag geen verwijt kan worden gemaakt.2

3.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het advies van de commissie voor bezwaarschriften en de door eiser verstrekte informatie over de melding op 19 september 2018 blijkt dat het aanvraagformulier dat naar aanleiding van deze melding naar eiser is verstuurd, zeer waarschijnlijk is verstuurd naar een oud adres van eiser. Uit de stukken blijkt in ieder geval niet dat de klantmanager Bbz met wie eiser heeft gesproken bij eiser heeft gecontroleerd of het juiste adres in het systeem stond vermeld. Hieruit volgt dat verweerder niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld door het formulier naar het verkeerde adres te sturen. Dit dient in beginsel voor rekening en risico van verweerder te komen. De rechtbank is echter van oordeel dat deze onzorgvuldigheid niet tot de conclusie kan leiden dat het eiser in het geheel niet kan worden verweten dat er bijna zes maanden tijd zit tussen de melding op 19 september 2018 en die op 8 maart 2019. Hoewel van eiser niet kon worden verwacht dat hij direct na 19 september 2018 een aanvraag had ingediend, als hij niet in het bezit was van een aanvraagformulier, mocht van eiser wel worden verwacht dat hij binnen een paar weken na de melding bij verweerder navraag zou hebben gedaan over het niet ontvangen van het formulier. Zeker nu eiser al die tijd geen inkomen had en voor zijn minderjarige dochter moest zorgen. Van huisuitzettingen was in de periode tussen 19 september 2018 en 8 maart 2019 geen sprake, zodat hierin geen reden kan zijn gelegen geen contact op te nemen. Eiser heeft ook niet nader geconcretiseerd hoe het chaotisch leven van destijds ertoe heeft geleid dat hij in zes maanden tijd geen enkele actie heeft ondernomen om een bijstandsaanvraag te doen. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij niet eerder om hulp had kunnen vragen. Verweerder heeft dan ook voor de ingangsdatum van de uitkering uit kunnen gaan van de datum waarop eiser zich voor de tweede keer heeft gemeld.

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.L. Rogmans, rechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. De uitspraak is gedaan op 18 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9088.

2 Uitspraak van de CRvB van 10 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1084.