Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7200

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
8433387 \ CV EXPL 20-1441
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering betaling op grond van een ter beëindiging van het geschil tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Gedaagde betwist de totstandkoming daarvan. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8433387 \ CV EXPL 20-1441 BL

Uitspraakdatum: 19 augustus 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

procederend in persoon

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 26 maart 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord, en een USB stick met beeldmateriaal ter griffie gedeponeerd.

1.2.

[eiser] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

Op basis van twee offertes van [eiser] (gedateerd 29 mei 2018 en 12 juni 2018) zijn partijen op 18 juni 2018 een overeenkomst van aanneming van werk aangegaan, betreffende renovatie van de badkamer en de wc in de woning van [gedaagde] . [eiser] heeft die renovatiewerkzaamheden vervolgens voor [gedaagde] verricht.

2.2.

Daarvoor heeft [eiser] bij factuur van 4 oktober 2018 een bedrag van € 3.993,00 aan [gedaagde] in rekening gebracht, en bij factuur van 22 oktober 2018 nogmaals een bedrag van € 3.993,00. [gedaagde] heeft deze beide facturen aan [eiser] betaald.

2.3.

[gedaagde] heeft aan [eiser] opdracht gegeven tot het verrichten van extra werkzaamheden.

2.4.

Op 10 januari 2019 heeft [gedaagde] een bedrag van € 1.800,00 contant aan [eiser] betaald, zonder onderliggende factuur.

2.5.

Bij eindfactuur van 26 maart 2019 heeft [eiser] een bedrag van € 791,34 aan [gedaagde] in rekening gebracht.

2.6.

Op 16 en 25 april 2019 heeft [eiser] per e-mail [gedaagde] aangemaand tot betaling van deze eindfactuur.

2.7.

In reactie hierop schrijft [gedaagde] in een e-mail van 26 april 2019 aan [eiser] : “Volgens ons administratie is alles voldaan. Dat is op 10-1-2019 samen met de extra werkzaamheden contant voldaan.”

2.8.

[eiser] heeft vervolgens de vordering uit handen gegeven aan de incassogemachtigde, die [gedaagde] bij brief van 8 mei 2019 heeft aangemaand tot betaling van de eindfactuur.

2.9.

Daarop herhaalt [gedaagde] in een e-mail van 16 mei 2019 dat volgens zijn administratie met de contante betaling op 10 januari 2019 alles aan [eiser] betaald is.

2.10.

In een brief van 3 september 2019 schrijft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] dat de contante betaling alleen zag op de extra werkzaamheden, die geen deel uitmaken van de offertes. Daarbij is [gedaagde] gesommeerd om de laatste factuur van € 791,34 te betalen.

2.11.

[gedaagde] reageert hierop in een e-mail van 16 september 2019, waarin hij een opsomming geeft van klachten over het door [eiser] uitgevoerde werk, en zijn standpunt herhaalt dat met de contante betaling alles is voldaan, conform telefonische afspraak.

2.12.

In een brief van de gemachtigde van [eiser] van 18 oktober 2019 worden de klachten van [gedaagde] over het werk van [eiser] uitvoerig weersproken, en wordt de door [gedaagde] gestelde telefonische afspraak betwist.

2.13.

Daarop stuurt [gedaagde] op 22 oktober 2019 een e-mail aan de gemachtigde van [eiser] , waarin [gedaagde] puntsgewijs nader ingaat op zijn klachten over het werk. [gedaagde] eindigt deze e-mail als volgt:

“Conclusie

Fijn dat u weet hoe dit allemaal werkt en dat we hem in gebreke moesten stellen. Maar wij krijgen gelukkig niet dagelijks met dit soort personen te maken in tegenstelling tot u.

Mijn vrouw is dankzij uw cliënt volledig ingestort en vanaf maart antidepressivum slikt. Omdat deze situatie haar gezondheid niet ten goede komt, zijn wij bereid om 500 euro te betalen tegen de finale kwijtschelding.

Graag verneem ik van u of uw cliënt hiermee akkoord gaat.

Tegen uw cliënt kunt u melden dat de volgende recessie zal komen en dat hij met zijn slechte werk/kwaliteit/service/communicatie het zeker niet gaat redden Mond-op-mond reclame zal hem de das omdoen. En karma zal hem vinden.”

2.14.

Op 4 november 2019 reageert de gemachtigde van [eiser] hierop als volgt:

“Hiermee refereer ik aan uw e-mail bericht van 22 oktober 2019.

Cliënt gaat akkoord met uw voorstel. Ik verzoek u per direct de betaling van € 500,00 aan cliënt over te maken. Uw betaalbewijs zie ik spoedig tegemoet.”

2.15.

Vervolgens schrijft [gedaagde] in een e-mail van 5 november 2019:

“Dat is fijn dat het op deze manier wordt de zaak opgelost. Ik wil allen een schriftelijke bevestiging dat loodgietersbedrijf [eiser] de garantie op de geleverde diensten nog steeds van kracht is. De betaling zal er plaats vinden op het moment dat er een bevestiging verstuurd. Graag verneem ik uw reactie zsm.”

2.16.

Partijen corresponderen vervolgens over de geldende wettelijke en contractuele garantie-aanspraken en -termijnen, waarover zij van mening verschillen.

2.17.

In een brief van 22 januari 2020 schrijft [eiser] aan [gedaagde] dat zijn aanbod van 22 oktober 2019 op 4 november 2019 is geaccepteerd, waarmee een akkoord is bereikt om de lopende discussie over klachtpunten en de onbetaalde factuur te beslechten, en dat [gedaagde] zijn verplichting tot betaling van € 500,00 moet nakomen.

2.18.

In reactie daarop schrijft [gedaagde] op 3 februari 2020 dat het aanbod is gedaan op voorwaarde dat [eiser] herstelwerkzaamheden zou uitvoeren, waaraan [eiser] niet heeft voldaan.

2.19.

Dit betwist [eiser] in een e-mail van 3 februari 2020, waarbij [eiser] aankondigt tot gerechtelijke invordering over te gaan.

2.20.

Om dit te voorkomen doet [gedaagde] in een e-mail van 5 februari 2020 het voorstel: “(…) dat wij een deel van de kosten voor de herstel voor ons rekening nemen en de andere deel voor [eiser] . Ons voorstel is 350€ tegen finale kwijtschelding.”

2.21.

[eiser] is hiermee niet akkoord gegaan.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 575,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2019.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat partijen op 4 november 2019 de afspraak hebben gemaakt dat [gedaagde] tegen finale kwijting € 500,00 aan [eiser] betaalt, ter beslechting van hun geschil. [gedaagde] heeft dit bedrag niet betaald, ondanks herhaalde aanmaning. Daarom is [gedaagde] ook de wettelijke rente en € 75,00 voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] heeft de laatste factuur niet betaald omdat [eiser] het werk niet deugdelijk heeft opgeleverd. Het aanbod tot betaling van € 500,00 heeft [gedaagde] gedaan op voorwaarde dat de gebreken worden hersteld en dat de garantie van kracht is. Daaraan heeft [eiser] niet voldaan. [gedaagde] zal het factuurbedrag betalen zodra [eiser] de herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd, of de resterende som gebruiken om de gebreken door een derde te laten herstellen.

5 De beoordeling

5.1.

[eiser] vordert in deze procedure geen betaling van haar eindfactuur van € 791,34 op grond van de overeenkomst van aanneming van werk, maar betaling van € 500,00 op grond van een overeenkomst tussen partijen ter beslechting van hun geschilpunten. Het gaat in deze zaak dus om de vraag of op 4 november 2019 de door [eiser] gestelde overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daarover het volgende.

5.2.

Vanaf april 2019 hebben partijen gecorrespondeerd over de vordering van [eiser] ter zake de eindfactuur. Partijen discussieerden aanvankelijk over de vraag of de contante betaling van [gedaagde] op 10 januari 2019 alleen zag op het overeengekomen meerwerk (zoals [eiser] stelt) of op alles wat nog open stond (zoals [gedaagde] stelt). Voor het eerst in zijn e-mail van 16 september 2019 meldt [gedaagde] schriftelijk klachten over de uitvoering van het werk, waarvan overigens in die e-mail geen herstel wordt gevraagd. [gedaagde] stelt in deze e-mail dat hij met [eiser] telefonisch overleg heeft gevoerd over (onder meer) genoemde klachten, en dat toen mondeling een totaalprijs is afgesproken, die [gedaagde] op 10 januari 2019 contant heeft betaald. Deze gang van zaken wordt door [eiser] in de brief van 18 oktober 2019 uitvoerig betwist.

5.3.

Dan volgt de e-mail van [gedaagde] van 22 oktober 2019. In de onder de feiten geciteerde conclusie in deze e-mail biedt [gedaagde] aan “om 500 euro te betalen tegen de finale kwijtschelding”, waarbij [gedaagde] schrijft graag te vernemen of [eiser] hiermee akkoord gaat. Op geen enkele wijze is hieraan door [gedaagde] een voorwaarde verbonden ter zake herstel van gebreken en/of garantie. Op 4 november 2019 schrijft de gemachtigde van [eiser] in een e-mail aan [gedaagde] , refererend aan zijn e-mailbericht van 22 oktober 2019, “Cliënt gaat akkoord met uw voorstel. Ik verzoek u per direct de betaling van € 500,00 aan cliënt over te maken.”

5.4.

Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Daarbij is verder van toepassing de zogenaamde wilsvertrouwensleer (artikel 3:33 en 3:35 BW), op basis waarvan gekeken moet worden naar de wil van partijen, zoals die zich door een verklaring heeft geopenbaard en de zin die de ander onder de gegeven omstandigheden aan die verklaring redelijkerwijs mocht toekennen.

5.5.

Bovenomschreven voorstel dat [gedaagde] deed op 22 oktober 2019 kwalificeert als aanbod tot betaling van € 500,00 tegen finale kwijting. Dit aanbod van [gedaagde] volgde op een uitvoerige discussie tussen partijen over de verschuldigdheid van de eindfactuur en de kwaliteit van het geleverde werk. Daarbij heeft [gedaagde] de woorden ‘finale kwijtschelding’ genoemd, en helder omschreven welke beweegredenen aan zijn voorstel ten grondslag lagen. [eiser] mocht hieruit redelijkerwijs begrijpen dat [gedaagde] zijn aanbod deed ter beëindiging van het geschil over de eindfactuur en de kwaliteit van het werk. Dit aanbod is op 4 november 2019 uitdrukkelijk door [eiser] aanvaard. Daarmee is tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen, waarmee zij over en weer een deel van hun standpunten hebben prijsgegeven en hun geschil hebben beslecht, zoals bedoeld in artikel 7:900 BW.

5.6.

Na de totstandkoming van die overeenkomst heeft [gedaagde] in zijn e-mail van 5 november 2019 een nadere voorwaarde willen stellen, die niet door [eiser] is aanvaard. [gedaagde] kon op 5 november 2019 zijn aanbod van 22 oktober 2019 niet meer herroepen, omdat dit op 4 november 2019 door [eiser] is aanvaard en niet is gesteld of gebleken dat het aanbod een mededeling van vrijblijvendheid bevat (artikel 6:219 lid 2 BW).

5.7.

Onbetwist staat vast dat [gedaagde] zijn uit de vaststellingsovereenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van € 500,00 niet is nagekomen. De conclusie is dan ook dat deze vordering van [eiser] wordt toegewezen.

5.8.

[eiser] vordert de wettelijke rente over € 500,00 vanaf 16 mei 2019, het moment waarop [gedaagde] heeft geweigerd de eindfactuur te betalen. De toe te wijzen hoofdsom ziet echter op de vaststellingsovereenkomst, die op 4 november 2019 tot stand is gekomen. In de brief van 22 januari 2020 is [gedaagde] gesommeerd dit bedrag binnen vijftien dagen na dagtekening te betalen. De rente zal daarom worden toegewezen vanaf 7 februari 2020 , omdat een eerdere verzuimdatum niet is gesteld of gebleken.

5.9.

Het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft een nieuwe rechtstoestand tussen partijen bewerkstelligd, waardoor [eiser] geen aanspraak meer kan maken op betaling van de eindfactuur, en [gedaagde] geen rechten meer kan ontlenen aan zijn in de e-mail van 22 oktober 2019 omschreven klachten over het werk. Hetgeen partijen in deze procedure over die klachten hebben aangevoerd kan daarmee buiten bespreking blijven.

5.10.

De vordering van [eiser] tot betaling van € 75,00 voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat een kosteloze aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden.

5.11.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij hoofdzakelijk ongelijk krijgt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis. Daarbij wordt [gedaagde] ook veroordeeld tot betaling van maximaal € 60,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 februari 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 86,85

griffierecht € 236,00

salaris gemachtigde € 240,00

vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van maximaal € 60,00 aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter