Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7185

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
7898083
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Lekkage ammoniak in gehuurde waardoor schade. Beroep op 7:208 BW, 6:162 BW en 6:174 BW. Voor verwijt dat de oorzaak ligt in aandraaien van de bouten is nader onderzoek van de vloeistofklep nodig. Wel kan worden vastgesteld dat sprake is van gebrek aan opstal. Beroep op tenzij-regel slaagt niet. Nu sprake is van aansprakelijkheid op grond van 6:174 BW ziet kantonrechter geen aanleiding voor nader deskundigenonderzoek naar de vloeistofklep. Eiseres wordt in gelegenheid gesteld de schade nader te onderbouwen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 7898083 \ CV EXPL 19-5167

Uitspraakdatum: 9 september 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid P. Jong Export en Groothandel van Bloemen B.V.

gevestigd te Zwaagdijk

eiseres

verder te noemen: Jong

gemachtigde: mr. W. de Vis

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Koelhuis WFO B.V.

gevestigd te Zwaagdijk-Oost

gedaagde

verder te noemen: Koelhuis WFO

gemachtigde: mr. K.M. Visser

1 Het procesverloop

1.1.

Jong heeft bij dagvaarding van 16 augustus 2018 een vordering tegen Koelhuis WFO ingesteld bij de “handelskamer” van deze rechtbank. Koelhuis WFO heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een usb-stick overgelegd. Nadat partijen nog schriftelijk hebben gereageerd over de bevoegdheid van de rechtbank, heeft de rechtbank bij vonnis van 27 maart 2019 de zaak verwezen naar de kantonrechter.

1.2.

Vervolgens heeft de kantonrechter bij vonnis van 31 juli 2019 beslist dat er een mondelinge behandeling van de zaak zal plaatsvinden. Op 11 februari 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Partijen hebben gebruikgemaakt van pleitnotities en deze overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft Jong bij brieven van 19, 21 (tweemaal) en 22 november 2019 nog stukken toegezonden en haar eis vermeerderd. Koelhuis WFO heeft bij brief van 12 november 2019 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Koelhuis WFO voert een onderneming die zich bezig houdt met de verhuur van koelcellen voor het koelen van, onder meer, tulpen. In het door haar gehuurde pand van circa 16.000 m² heeft Koelhuis WFO 80 ULO (Ultra Low Oxigen) bewaarcellen, 3 grote koelkasten en 6 kleinere koelcellen. Het pand van Koelhuis WFO zal kortheidshalve hierna ook als het koelhuis worden aangeduid.

2.2.

Jong is een groothandel die zich bezig houdt met de nationale en internationale handel in planten en bloemen. Zij voorziet haar klanten het gehele jaar door van verse snijbloemen. In verband met haar bedrijfsvoering huurt Jong van Koelhuis WFO koelcellen, waarin zij de snijbloemen onderbrengt. Die koelcellen worden steeds voor kortere tijd verhuurd aan Jong, al naar gelang de behoefte van Jong aan opslag van bloemen.

2.3.

Op 29 april 2017 is er door een lekkage ammoniak in het koelhuis vrijgekomen doordat een vloeistofklep is losgekomen van de leiding waardoor onder druk ammoniak vloeit. Die ammoniak wordt gebruikt voor de koeling van de koelcellen. Op het moment van de lekkage huurde Jong van Koelhuis WFO meerdere koelcellen. Het betreft de cellen 120, 130, 136, 140, 150 en 160. Drie van die koelcellen zijn zogenoemde ULO-cellen. De andere koelcellen waren gewone koelcellen.

2.4.

Naar aanleiding van de ammoniaklekkage, is [naam bedrijf] in opdracht van Koelhuis WFO naar het koelhuis gegaan. Blijkens een werkbon met daarin een beschrijving van haar bevindingen schrijft [naam bedrijf] dat zij de betreffende (defecte) vloeistofklep heeft vervangen en meegenomen. Verder schrijft [naam bedrijf] :

“De betreffende gang 5 waarin cel 134 zich bevindt is in 2013 gerenoveerd en de vloeistofkleppen zijn allen voorzien van een nieuw binnenwerk en bevestigingsbouten.

(…)

Bevindingen:

Er is een lekkage ontstaan tussen het boven deksel en het onderhuis.

De oorzaak hiervan is dat 2 van de 4 bevestiging bouten geen grip meer hebben in het draadgat. De schroefdraad van deze 2 draadgaten is deels verdwenen. Hierdoor is

het bovendeel door de interne druk van het onderhuis gedrukt en is de afdichtingspakking los gekomen waardoor NH3 heeft kunnen uitstromen. De boutjes zijn nog in zeer goede staat.

(…)

De oorzaak van de lekkage is duidelijk, echter de veroorzaker van de speling/verdwijnen van de schroefdraad in de draadgaten niet.”

2.5.

Voor het begroten van de schade heeft Jong Veldboer Agrex (hierna Veldboer) ingeschakeld. Veldboer begroot de door Jong geleden schade op een totaalbedrag van

€ 541.894,- exclusief BTW, bestaande uit onder andere gederfde verkoopopbrengsten, opruimingskosten en kosten ter beperking van schade.

2.6.

Op 3 mei 2017 heeft (de gemachtigde van) Jong Koelhuis WFO aansprakelijk gesteld voor de door Jong geleden en nog te lijden schade.

2.7.

Koelhuis WFO heeft de aansprakelijkstelling bij haar verzekeraar, ASR, gemeld. ASR heeft daarop expertisebureau, Cunningham Lindsay ( [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] ) ingeschakeld.

2.8.

Cunningham Lindsay heeft vervolgens opmerkingen geplaatst en vragen gesteld bij het rapport van Veldboer.

2.9.

Over de oorzaak voor het losraken van de klep, over de aansprakelijkheid van Koelhuis WFO en over de hoogte van de door Jong geleden schade is een geschil ontstaan. Jong heeft bewijsbeslag op de betreffende klep doen leggen. De klep bevindt zich momenteel bij deurwaarderskantoor Van der Meer & Philipsen.

3 Het geschil

3.1.

Jong vordert na eiswijziging, samengevat:

I. te verklaren voor recht dat Koelhuis WFO aansprakelijk is jegens Jong voor de schade die zij heeft geleden, lijdt en nog zal lijden;

II. Koelhuis WFO te veroordelen tot betaling van de door Jong geleden schade ten bedrage van € 541.894,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2017;

III. Koelhuis WFO te veroordelen tot betaling van de kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid ten bedrage van € 13.076,60 exclusief btw, vermeerderd met de eventuele btw en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldag van de respectieve factuur;

IV. Koelhuis WFO te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 14.912,12, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele veroordeling;

V. Koelhuis WFO te veroordelen in de proceskosten, waaronder de kosten van het gelegde bewijsbeslag, en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen twee weken na het vonnis zijn voldaan.

3.2.

Jong legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Op 3 mei 2017 heeft er een bespreking plaatsgevonden. Bij die bespreking waren aanwezig, de gemachtigde van Jong, zijn kantoorgenoot, N. Muntjewerff, [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] van DEKRA en de heer [naam 7] , de indirect bestuurder van Koelhuis WFO. [naam 7] heeft tijdens het gesprek aangegeven dat hij bij eerdere ammoniaklekkage(s) zelf de bouten van de klep heeft aangedraaid om de lekkage (toen met succes) te stoppen. [naam 6] heeft aangegeven dat een verklaring voor het afbreken van schroefdraad en daardoor de lekkage, met een grote mate van waarschijnlijkheid is gelegen in het aandraaien van de bouten van de klep.

3.3.

Juridisch zijn er drie grondslagen waarom Koelhuis WFO aansprakelijk is voor de door Jong geleden schade.

In de eerste plaats voldeed het gehuurde niet aan hetgeen Jong daarvan mocht verwachten. Door de aard van het gebrek en omdat [naam 7] in eerdere gevallen van lekkage de klep zelf aandraaide, moet de schroefdraad al verdwenen zijn geweest ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst met Jong. Aan de vereisten voor schadevergoeding genoemd in artikel 7:208 Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan. Het gebrek is aan Koelhuis WFO toe te rekenen.

In de tweede plaats is het handelen van Koelhuis WFO te kwalificeren als onrechtmatige daad. De lekkage is ontstaan tussen het bovendeksel en het onderhuis. De oorzaak hiervan is dat twee van de vier bevestiging bouten geen grip meer hebben in het draadgat. De schroefdraad van deze twee draadgaten is deels verdwenen. Het verdwijnen van de schroefdraad kan worden verklaard door het (te strak) aandraaien hiervan door [naam 7] . In ieder geval had het op de weg van Koelhuis WFO gelegen om een dergelijk gebrek te verhelpen dan wel er zorg voor te dragen dat de klep geen gebreken had en deze tijdig te vervangen.

Tenslotte is Koelhuis WFO als de bedrijfsmatige gebruiker van de opstal ingevolge artikel 6:174 BW aansprakelijk voor de door Jong geleden schade.

3.4.

Door het vrijkomen van de ammoniak zijn de tulpen van Jong dermate beschadigd dat deze niet meer konden worden verkocht. Jong heeft hierdoor aanzienlijke schade geleden. Veldboer Agrex heeft het bedrag aan schade begroot op € 541.894,- Dit bedrag is opgebouwd uit:

- ongeschiktheid van bloemen met verkoopwaarde € 500.567,75

- opruimingskosten en onderzoek proeftuin € 15.041,75

- kosten schadebeperking € 26.284,50

3.5.

Koelhuis WFO betwist de vordering. Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang hierna worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Niet in geschil is dat de lekkage van ammoniak is ontstaan bij een vloeistofklep in een ammoniakleiding ter hoogte van koelcel 134. De klep was gemonteerd in een metalen behuizing die met een deksel is afgesloten. De deksel is met vier bouten aan een behuizing bevestigd. Twee van de vier bouten zijn dermate losgeraakt dat de pakking van de behuizing onvoldoende afdichtte. Daardoor kon onder invloed van de in de leiding heersende druk tussen de deksel en de behuizing ammoniak ontsnappen. Bij onderzoek is gebleken dat het schroefdraad in de draaigaten van twee van de vier bouten deels is verdwenen, waardoor de bouten geen/onvoldoende grip hadden en zijn losgeraakt.

4.2.

Een belangrijke rol in de argumentatie van Jong is dat [naam 7] namens Koelhuis WFO zou hebben meegedeeld bij eerdere lekkages de bouten zelf aangedraaid te hebben. Volgens Jong moet daarom worden aangenomen dat daarbij de bouten te hard zijn aangedraaid waardoor de schroefdraad in de draaigaten is beschadigd/verdwenen. Koelhuis WFO betwist dat [naam 7] de betreffende mededeling heeft gedaan. Ook betwist zij dat [naam 7] zelf bouten van koelcel 134 heeft aangedraaid.

4.3.

De kantonrechter overweegt hierover dat, zelfs als [naam 7] zou hebben gezegd dat hij in het verleden zelf bouten heeft aangedraaid, daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat dit ook is gebeurd bij de betreffende klep en dat de schroefdraad daardoor is beschadigd. Om dat vast te kunnen stellen, zou nader onderzoek gedaan moeten worden door een (onafhankelijke) deskundige, omdat eerder (deskundigen)onderzoek van de klep niet heeft plaatsgevonden. Voordat een dergelijk deskundigenonderzoek wordt bevolen, zal de kantonrechter eerst beoordelen of dat onderzoek wel nodig is om tot aansprakelijkheid van Koelhuis WFO te komen. Immers, als die aansprakelijkheid ook kan worden vastgesteld zonder nader onderzoek van de vloeistofklep, hoeft dat deskundigenonderzoek niet plaats te vinden. De kantonrechter zal de diverse juridische grondslagen van de vordering langslopen.

4.4.

Als eerste beroept Jong zich op artikel 7:208 BW. Artikel 7:208 BW bepaalt dat de verhuurder tot vergoeding van de door een gebrek veroorzaakte schade verplicht is (i) indien het gebrek na het aangaan van de overeenkomst is ontstaan en aan hem is toe te rekenen of (ii) indien het gebrek bij het aangaan van de overeenkomst aanwezig was en de verhuurder het toen kende of had behoren te kennen, of toen aan de huurder heeft te kennen gegeven dat de zaak het gebrek niet had. Volgens Jong was het gebrek (de beschadiging van de schroefdraad) reeds aanwezig voor het aangaan van de huurovereenkomst. Jong baseert zich daarbij (vooral) op de hiervoor genoemde verklaring van [naam 7] dat hij in eerdere gevallen bij lekkage de bouten zelf heeft aangedraaid. Zoals hiervoor overwogen, kan echter niet zonder meer worden aangenomen dat dit de oorzaak is geweest voor de beschadiging van de schroefdraad. Dat Koelhuis WFO ter zake een verwijt kan worden gemaakt staat in dat licht bezien ook (nog) niet vast.

4.5.

Om dezelfde reden kan op dit moment niet worden geoordeeld dat Koelhuis WFO verwijtbaar onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW heeft gehandeld doordat zij, bijvoorbeeld, een op haar rustende zorgplicht heeft geschonden.

4.6.

Resteert het beroep van Jong op artikel 6:174 BW. Volgens dit artikel is de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend. Artikel 6:181 lid 1 BW voegt daar aan toe dat, wanneer de hier bedoelde opstallen worden gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, de aansprakelijkheid uit artikel 6:174 BW rust op degene die het bedrijf uitoefent, tenzij het een opstal betreft en het ontstaan van de schade niet met de uitoefening van het bedrijf in verband staat. Volgens lid 2 van artikel 6:181 BW wordt, wanneer de opstallen in de uitoefening van een bedrijf worden gebruikt door ze ter beschikking te stellen voor gebruik in de uitoefening van het bedrijf van een ander, die ander als de aansprakelijke persoon aangemerkt.

4.7.

Volgens Koelhuis WFO dient Jong als de gebruiker in de zin van artikel 6:181 lid 2 BW worden aangemerkt als de aansprakelijke partij in de zin van artikel 6:174 BW. Die stelling is onjuist. Koelhuis WFO is de (bedrijfsmatig) huurder en daarmee gebruiker van het koelhuis. Weliswaar heeft Jong op haar beurt een aantal koelcellen van Koelhuis WFO gehuurd, maar de lekkage heeft zich niet voorgedaan in die koelcellen. Gelet op artikel 6:181 lid 1 BW is Koelhuis WFO daarom te beschouwen als (enig) aansprakelijke partij voor de opstal als bedoeld in artikel 6:174 BW. De in dat artikellid genoemde uitzondering, doet zich hier niet voor. Het ontstaan van de schade (ten gevolge van het ammoniaklek) houdt immers verband met de bedrijfsvoering van Koelhuis WFO.

4.8.

Koelhuis WFO heeft onvoldoende aanknopingspunten gegeven voor de stelling dat de vordering van Jong door subrogatie is overgegaan op haar verzekeraar en Jong of haar verzekeraar daardoor geen beroep toekomt op artikel 6:174 BW.

4.9.

De vraag is vervolgens of Koelhuis WFO krachtens artikel 6:174 BW aansprakelijk is voor de door Jong ten gevolge van het ammoniaklek geleden schade. Bepalend is dat een opstal alleen voldoet (en dus niet gebrekkig is) als (i) gelet op het gebruik of de bestemming ervan en (ii) met het oog op de voorkoming van gevaar voor personen en zaken de opstal deugdelijk is, (iii) gelet op de grootte van de kans van verwezenlijking van het gevaar en (iv) de onderhouds- en veiligheidsmaatregelen die mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.

4.10.

De kantonrechter overweegt dat de opstal werd en wordt gebruikt voor de opslag en koeling van (verse) bloemen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van, door Koelhuis WFO aangebrachte, koelingen. Die koelingen maken gebruik van ammoniak dat onder druk door leidingen door het pand stroomt. Ammoniak is een stof die in aanraking met verse bloemen, die bloemen beschadigt. Niet in geschil is dat het koelsysteem moet worden onderhouden omdat, bij het uitblijven daarvan, het risico op defecten aan dat systeem toenemen en daardoor de kans op lekkage van ammoniak aanzienlijk is. Vast staat verder dat de vrijgekomen ammoniak zich heeft verspreid naar andere koelruimtes in het koelhuis. Dit terwijl, zo heeft Jong onbetwist aangevoerd, als constructievereiste voor koelinstallaties volgens NEN 378 geldt dat moet worden voorkomen dat ontsnappend koudemiddel uit machinekamers aangrenzende ruimtes binnendringt.

4.11.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het loskomen van de vloeistofklep te beschouwen als een gebrek aan de opstal waardoor de in het koelhuis aanwezige koelcellen niet meer voldeden aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld. Verder staat vast dat het gebrek gevaar voor zaken heeft opgeleverd en dat dit gevaar zich heeft verwezenlijkt. Daarmee is aansprakelijkheid van Koelhuis WFO in beginsel gegeven.

4.12.

Dat neemt niet weg dat Koelhuis WFO mogelijk beroep kan doen op de “tenzij-regel” van artikel 6:174 BW. Het is dus aan Koelhuis WFO om te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat, gesteld dat zij het gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend, zij niet voor de schade aansprakelijk geweest zou zijn krachtens artikel 6:162 BW. Volgens Koelhuis WFO kan zij daar een beroep op doen omdat de schade aan de tulpen heel kort na het ontstaan van het gebrek is ingetreden en niet kon worden verhinderd dat schade aan de tulpen zou ontstaan. Op het moment dat de twee bouten van de vloeistofklep onder druk zijn losgekomen, werd de klep door de druk plotsklaps gelift en kwam de ammoniak vrij, aldus Koelhuis WFO.

Jong betwist dat de “tenzij-regel” toepasselijk is.

4.13.

Het beroep van Koelhuis WFO op de tenzij-clausule gaat niet op. Koelhuis WFO zou slechts niet aansprakelijk zijn indien zij alle nodige maatregelen had genomen om de gevaarlijke toestand te beëindigen, maar het gevaar zich toch verwezenlijkte. In dit geval zou dat betekenen dat de bouten ook los waren geraakt indien het schroefdraad van de vloeistofklep wel in orde was. Daarvoor heeft Koelhuis WFO geen enkel aanknopingspunt gegeven. Dat er sprake is geweest van een “van buiten komende omstandigheid” waardoor de schroefdraad beschadigd is geraakt, is niet gebleken.

4.14.

De conclusie is dat Koelhuis WFO in ieder geval op grond van artikel 6:174 BW in verbinding met artikel 6:181 BW aansprakelijk is voor de schade die Jong ten gevolge van de lekkage van ammoniak heeft geleden. De kantonrechter ziet daarin aanleiding om geen nader deskundigenonderzoek te laten doen naar de vloeistofklep.

4.15.

Volgens Jong bedraagt de schade ten gevolge van het ammoniaklek € 541.894,-, exclusief buitengerechtelijke (incasso)kosten. Jong verwijst voor de hoogte van de schade naar een begroting die Veldboer heeft opgesteld. Genoemd bedrag is opgebouwd uit de verkoopwaarde van de bloemen die ongeschikt zijn geworden voor aflevering

(€ 500.567,75), “opruimingskosten en onderzoek proeftuin” (€ 15.041,75) en kosten schadebeperking/aankoop vervangende partijen (€ 26.284,50).

Koelhuis WFO heeft de hoogte van de gestelde schade gemotiveerd betwist. Daarbij heeft zij, onder meer, aangevoerd (i) dat zij niet kan verifiëren welke tulpen op 24 april 2017 in de koelcellen van Koelhuis WFO waren opgeslagen, (ii) in verband met de versheid van die tulpen, wanneer die tulpen zijn opgeslagen, (iii) hoeveel van de opgeslagen tulpen alsnog zijn verkocht en voor welk bedrag en (iv) hoeveel de vervangende tulpen hebben opgebracht.

4.16.

Tijdens de zitting heeft de kantonrechter Jong voorgehouden dat in de brief van Cunningham Lindsey van 7 augustus 2017 (productie 8 bij dagvaarding) erop is gewezen dat de post voor aankoop vervangende partijen van € 26.284,50 (16.275 bossen) een dubbeltelling betreft, omdat ook de afgekeurde partijen door Jong worden geclaimd. In de brief van 21 september 2017 (productie 9 bij dagvaarding) heeft de gemachtigde van Jong erkend dat de winstmarge van 16.275 bossen op de schade in mindering moet worden gebracht, nu dit is verdisconteerd in de verkoopprijzen van de vernietigde tulpen. Daarop heeft de gemachtigde van Jong ter zitting verklaard dat deze post in mindering kan worden gebracht op de gevorderde schade. Voor zover Jong niet heeft bedoeld haar eis te verminderen, zal dit deel van de gevorderde schade tezijnertijd als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

4.17.

Gelet op de gemotiveerde betwisting van de door Jong gestelde schade, dient, voordat de kantonrechter verder beslist, Jong bescheiden in het geding te brengen waaruit in ieder geval blijkt:

  • -

    hoeveel van haar tulpen er op 29 april 2017 bij het ontstaan van de ammoniaklekkage in de gehuurde koelcellen van Koelhuis WFO aanwezig waren;

  • -

    op welke datum die tulpen daar zijn geplaatst en in welke koelcel;

  • -

    wat er met de betreffende tulpen is gebeurd en, voor zover zij zijn verkocht, hoeveel die tulpen hebben opgebracht;

  • -

    hoeveel bloemen Jong ter vervanging van de door het ammoniaklek beschadigde tulpen bij derden heeft aangekocht en hoeveel die bloemen hebben opgebracht.

De kantonrechter gaat ervan uit dat Jong ook de andere eventueel relevante bescheiden die nodig zijn voor het begroten van de door haar geleden schade aan de kantonrechter overlegt. Jong dient daarbij vanzelfsprekend inzichtelijk te maken hoe de overgelegde bescheiden moeten worden begrepen.

Koelhuis WFO krijgt vervolgens de gelegenheid te reageren.

4.18.

Vervolgens zal de kantonrechter verder ingaan op de hoogte van de geleden schade. Partijen dienen er rekening mee te houden dat er vervolgens een deskundigenonderzoek moet plaatsvinden naar de hoogte van de schade. Partijen dienen zich daarom reeds nu uit te laten over het aantal te benoemen deskundigen en een voorstel te doen over de persoon van de deskundige(n) en het specialisme van de deskundige(n). Voorts kunnen partijen zich uitlaten over de aan de deskundige(n) te stellen vragen. De kantonrechter geeft partijen in overweging, na overleg over een en ander, tot een gezamenlijk voorstel te komen. Partijen kunnen zich tevens uitlaten over de hoogte van het voorschot van de deskundige(n). Bij gebreke van een dergelijke uitlating, zal de kantonrechter in overleg met de te benoemen deskundige(n) de hoogte van het voorschot van laatstgenoemde(n) vaststellen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

draagt Jong op de hiervoor onder 4.16. bedoelde bescheiden in het geding te brengen en zich schriftelijk uit te laten over de hiervoor onder 4.17. en 4.18. genoemde punten;

5.2.

bepaalt dat het overleggen van de stukken en de schriftelijke uitlating door Jong plaatsvindt vóór of uiterlijk op de rolzitting van 7 oktober 2020 te 9.30 uur;

5.3.

uitstel wordt in beginsel niet verleend. Bij het ontbreken van tijdig bericht van Jong wordt er van uitgegaan dat zij geen gebruik wenst te maken van de gelegenheid tot het overleggen van stukken en uitlaten als hiervoor bedoeld;

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter