Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7174

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
02-10-2020
Zaaknummer
C/15/299259 / JU RK 20-258
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing resterende deel verzoek machtiging gesloten jeugdhulp, omdat de vorige machtiging gesloten jeugdhulp gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd omdat de minderjarige spoorloos is. Er is derhalve geen mogelijkheid meer om nog op het aangehouden deel van het oorspronkelijke verzoek te beslissen. De GI kan, mocht de verblijfplaats van de minderjarige bekend worden, een (spoed)verzoek indienen voor gesloten jeugdhulp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

Zittingsplaats: Alkmaar

Zaakgegevens : C/15/299259 / JU RK 20-258

datum uitspraak: 20 augustus 2020

beschikking afwijzing machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van

de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam,

betreffende

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] (Frankrijk), hierna te noemen [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [plaats] ,

[de vader] , hierna te noemen de vader,

wonende te [plaats] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank van 25 februari 2020 met de daarin vermelde stukken;

- een brief van de GI van 10 juli 2020, ingekomen bij de griffie op 13 juli 2020.

Op 20 augustus 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- namens [de minderjarige] , mr. J.M. Neervoort, advocaat te Den Helder,

- de vader,
- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.

Opgeroepen en niet verschenen zijn:

- [de minderjarige] ,

- de moeder.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

De ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is laatstelijk bij beschikking van 11 februari 2020 verlengd tot 22 januari 2021.

Bij beschikking van 25 februari 2020 is een machtiging gesloten jeugdhulp verleend tot 22 augustus 2020, waarbij de beslissing voor het overige verzochte deel is aangehouden.

De huidige verblijfplaats van [de minderjarige] is onbekend.

Het verzoek

De GI heeft het verzoek om [de minderjarige] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te verblijven voor de duur van de ondertoezichtstelling gehandhaafd. Ter onderbouwing van het verzochte heeft de GI – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren gebracht.

[de minderjarige] is sinds 25 februari 2020 bijna de gehele tijd van de radar. Hij is in mei 2020 eenmaal opgepakt en geplaatst binnen de gesloten jeugdzorg waarna hij binnen twee dagen heeft weten te ontkomen aan deze instelling. [de minderjarige] is getraceerd bij de vader thuis daarnaast is hij door de politie gesignaleerd in een auto waar vader de bestuurder van was. De politie heeft de vader achtervolgd. De vader heeft [de minderjarige] geholpen om wederom te kunnen ontsnappen. De vader en [de minderjarige] staan niet achter een plaatsing binnen de gesloten jeugdzorg en doen er alles aan om ervoor te zorgen dat dit niet gaat gebeuren. De GI is van mening dat de plaatsing binnen Horizon, locatie Antonius, niet geschikt is voor [de minderjarige] . [de minderjarige] staat op de wachtlijst van Horizon te Harreveld. [de minderjarige] wordt als groepsongeschikt ingeschat, daarnaast is zijn problematiek fors en heeft hij hier zeer gerichte hulpverlening/behandeling bij nodig. [de minderjarige] heeft gezien het voorgaande nog geen gebruik kunnen maken van de behandeling.

Het standpunt van belanghebbenden

Het standpunt van [de minderjarige]

Mr. Neervoort heeft ter zitting namens [de minderjarige] naar voren gebracht dat [de minderjarige] het niet eens is met het verzochte. Mr. Neervoort spreekt [de minderjarige] één keer in de twee weken. [de minderjarige] onderhoudt contact met zijn advocaat en geeft heel duidelijk aan dat hij niet gesloten geplaatst wil worden. De advocaat heeft gisteren de vader van [de minderjarige] bij het hof gezien voor de behandeling van het hoger beroep tegen de beschikking van 25 februari 2020, de eerdere verlening machtiging gesloten jeugdhulp voor zes maanden.

Het standpunt van de vader

De vader heeft ter zitting naar voren gebraht dat hij niet weet waar [de minderjarige] momenteel verblijft. De vader is van mening dat een gesloten plaatsing [de minderjarige] niet zal helpen. De vader wil dat [de minderjarige] naar huis komt, naar school gaat en onder behandeling gaat bij een psychiater. De behandeling dient volgens de vader vanuit huis plaats te vinden en niet vanuit een gesloten instelling.

De beoordeling

Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Ingevolge artikel 6.1.12, derde lid, van de Jeugdwet vervalt een machtiging gesloten jeugdhulp indien deze gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.

Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er al langere tijd ernstige zorgen zijn over [de minderjarige] . Ten tijde van de zitting van 25 februari 2020 waren de zorgen over [de minderjarige] fors. [de minderjarige] was destijds tot tweemaal toe weggelopen en lange tijd van de radar verdwenen. Ook was hij wederom in aanraking gekomen met politie en justitie. Om de negatieve spiraal waarin [de minderjarige] zich bevindt te doorbreken in plaats van steeds weer op de vlucht te slaan, heeft de kinderrechter bij beschikking van 25 februari 2020 een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van zes maanden verleend. De beslissing ten aanzien van het meer verzochte is destijds aangehouden.

Uit de aanvullende informatie van de GI is gebleken dat sinds de zitting van 25 februari 2020 de situatie waarin [de minderjarige] zich bevindt niet is veranderd. Zo is gebleken dat [de minderjarige] na de zitting van 25 februari 2020 op 11 mei 2020 gesloten is geplaatst waarna hij op 13 mei 2020 is weggelopen. [de minderjarige] onttrekt zich sindsdien aan de geboden hulpverlening en de GI weet niet waar hij verblijft. De kinderrechter is gezien het voorgaande van oordeel dat aan voornoemde voorwaarden voor het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp zonder meer wordt voldaan. In de afgelopen periode heeft zich geen enkele gedragsverandering bij [de minderjarige] voorgedaan en zijn de zorgen niet afgenomen. Toch ziet de kinderrechter in het navolgende aanleiding het resterende deel van het verzoek van de GI af te wijzen. De kinderrechter constateert dat van de machtiging gesloten jeugdhulp sinds 13 mei 2020 niet meer gebruik wordt gemaakt, omdat [de minderjarige] spoorloos is. De kinderrechter is van oordeel dat de machtiging gesloten jeugdhulp die op 25 februari 2020 is verleend derhalve is vervallen, omdat deze gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd. Dit betekent dat er geen mogelijkheid meer is om nog op het aangehouden deel van het oorspronkelijke verzoek te beslissen, los van de vraag of dit zinvol zou zijn gezien het feit dat [de minderjarige] al langere tijd spoorloos is. De kinderrechter wijst partijen erop dat de GI, mocht de verblijfplaats van [de minderjarige] bij haar bekend worden, een (spoed)verzoek kan indienen bij de rechtbank voor gesloten jeugdhulp.

De kinderrechter zal als volgt beslissen.

De beslissing

De kinderrechter:

wijst het resterende deel van het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Roubos, kinderrechter, in tegenwoordigheid van G. Tosun-Izci als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2020. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 2 september 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam