Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7173

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
HAA - 20/ 784
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet uitspraak. ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-09-2020
V-N Vandaag 2020/2232
FutD 2020-2774
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/784 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2020 op het verzet van

[X] , wonende te [Z] , opposant

(gemachtigde verzetprocedure: mr. M. Grippeling (Grippeling)).

Procesverloop

Grippeling heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Eindhoven van 15 november 2019, welke uitspraak ziet op de aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen voor het jaar 2015 (de aanslag) van opposant.

Bij uitspraak van 15 mei 2020, verzonden op 20 mei 2020, heeft de rechtbank dat beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.

Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

De rechtbank heeft op 27 augustus 2020 om 19:29 uur en om 19:40 uur (gelijkluidende) faxberichten van opposant ontvangen met een verzoek om uitstel voor de op 28 augustus 2020 om 10:00 uur geplande zitting (het uitstelverzoek).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2020 te Haarlem. Van de zijde van opposant is niemand verschenen.

Overwegingen

Het verzoek om uitstel van de zitting

1. Aangezien opposant heeft verzocht om het verzet mondeling op een zitting van de rechtbank toe te lichten, is hij door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 14 juli 2020, naar het adres [A] , uitgenodigd om op 28 augustus 2020 om 10:00 uur op de zitting van de rechtbank, locatie Haarlem, Simon de Vrieshof 1, te verschijnen. Uit posttraceringsonderzoek blijkt dat deze uitnodiging op 15 juli 2020 ontvangen is. Opposant is op regelmatige wijze en tijdig uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.

2. Het uitstelverzoek vermeldt “Namens cliënt verzoek ik U deze zaak tot nader bericht aan te houden aangezien op dit moment gesprekken plaatsvinden met de belastingdienst omtrent herziening van de aanslag.” In het verzoek is geen mededeling gedaan van verhinderdata na de geagendeerde zittingsdatum.

3. Een verzoek om uitstel van de zitting dient tijdig gedaan te worden en onder aanvoering van gewichtige redenen waarom iemand niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn. Als van zo een verzoek sprake is, dan zal de rechter dat uitstelverzoek inwilligen, tenzij hij oordeelt dat zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan zodanig uitstel in de weg staan. Of een verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting tijdig is ingediend, zal afhankelijk zijn van de reden voor dat verzoek en van de overige omstandigheden van het geval1.

4. Gezien de gegeven reden voor het verzoek is het verzoek niet tijdig gedaan. Het valt immers niet in te zien waarom opposant niet eerder dan op de avond voorafgaand aan de geplande zitting in staat was om de rechtbank te informeren over de omstandigheid dat gesprekken gevoerd werden met de Belastingdienst die tot een herziening van de aanslag zouden kunnen leiden. De rechtbank acht namelijk niet aannemelijk dat die gesprekken onverwachts en pas op de avond voor de zitting plaatshadden. De rechtbank was reeds daarom niet gehouden om in principe het verzoek om uitstel in te willigen.
De rechtbank laat in dit geval het belang van een doelmatige procesgang zwaarder wegen dan het verlenen van uitstel en wijst het verzoek om uitstel daarom af. De rechtbank streeft ernaar om geplande zittingen doorgang te laten vinden, zodat zo weinig mogelijk zittingscapaciteit verloren gaat. Zo worden de doorlooptijden van rechtszaken zo kort mogelijk gehouden en dat is in het belang van de rechtszekerheidsverschaffing aan zowel individuele rechtszoekenden als aan de samenleving als geheel.

5. Opposant is op 28 augustus 2020 nadat de zaken van de zitting van die ochtend waren behandeld, door de griffier telefonisch in kennis gesteld van de afwijzing van het uitstelverzoek. Dat dit pas na de zitting gebeurde, komt doordat de in de avond ingekomen faxen met het uitstelverzoek niet eerder dan in de ochtend door de medewerkers van de administratie ter hand konden worden genomen. Ondertussen was de behandeling van de zaken op de zitting van die ochtend al aangevangen. Dat het de rechtbank daarom niet lukte om opposant nog vóór de zitting te berichten over het afwijzen van uitstelverzoek, komt voor zijn rekening. Door de late indiening per fax en het nalaten door opposant om (actief) te informeren naar de ontvangst van het uitstelverzoek en ook niet af te reizen naar de zittingslocatie Haarlem, heeft hij het risico genomen dat de zitting zou plaatsvinden in zijn afwezigheid.

Het verzet

6. Bij genoemde uitspraak van 15 mei 2020 van deze rechtbank is het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard. De niet-ontvankelijkheid is uitgesproken omdat niet binnen de door de rechtbank daarvoor gegeven termijn een machtiging is ingekomen en dus niet door de rechtbank kon worden vastgesteld of Grippeling bevoegd was om het beroep namens opposant in te stellen.

7. In het verzetschrift staat dat Grippeling op 19 mei 2020 de machtiging van opposant heeft ontvangen en dat hij deze op 20 mei 2020 aan de rechtbank heeft gezonden. Hiermee is de bevoegdheid tot het instellen van beroep door Grippeling bekrachtigd. Deze bekrachtiging heeft tot gevolg dat moet worden aangenomen dat Grippeling bij het instellen van beroep krachtens een volmacht heeft gehandeld (zie Hoge Raad 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0819), aldus opposant.

8. Aangezien de rechtbank de niet-ontvankelijkheid heeft uitgesproken in een vereenvoudigde procedure zonder zitting, is het mogelijk om tegen die uitspraak in verzet te gaan (artikel 8:55 Awb). In deze verzetprocedure zal de rechtbank uitsluitend beoordelen of door de rechtbank terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel (kennelijk) is dat het beroep niet-ontvankelijk is.

9. De rechtbank komt in verzet tot het oordeel dat de kennelijke niet-ontvankelijkverklaring van het beroep terecht was.

10. Het is namelijk juist dat een beroep niet-ontvankelijk verklaard kan worden als geen machtiging aan de rechtbank is toegestuurd binnen de termijn die de rechtbank in haar verzoek om die machtiging heeft gesteld2.

11. De machtiging is door de rechtbank ontvangen op 27 mei 2020. Dat is geruime tijd na 17 maart 2020, het einde van de termijn van vier weken die de rechtbank heeft gesteld in de brief van 18 februari 2020 waarin zij om de machtiging verzocht heeft. Er is voor het indienen van de machtiging ook geen verzoek om uitstel ingediend, terwijl Grippeling er in die brief van 18 februari op is gewezen dat hij om uitstel kon verzoeken en dat bij het uitblijven van een machtiging een niet-ontvankelijkverklaring uitgesproken kon worden.

12. Weliswaar voert opposant onder verwijzing naar het onder 7 genoemde arrest van de Hoge Raad terecht aan dat in de situatie waarin tijdens de beroepstermijn geen machtiging is gegeven, herstel kan plaatsvinden door daarna een machtiging te verstrekken en zo het instellen van beroep door een ander te bekrachtigen. Maar als dat herstel niet is gebeurd vóórdat de termijn is verstreken van het verzoek van de rechtbank om verstrekking van de machtiging, dan kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dit heeft de Hoge Raad geoordeeld in zijn arrest van 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2. In dat arrest oordeelt de Hoge Raad ook dat het niet overleggen van een machtiging in verzet niet kan worden hersteld.

13. In deze zaak is de machtiging door de rechtbank ontvangen nadat op 15 mei 2020 uitspraak is gedaan. Deze situatie is naar het oordeel van de rechtbank gelijk te stellen met de situatie zoals aan de orde was in het genoemde arrest, waarin de machtiging bij het verzetschrift werd verstrekt. Het is niet relevant dat Grippeling wellicht al voordat op 20 mei 2020 de uitspraak van de rechtbank werd verzonden, over de machtiging beschikte, omdat het erom gaat dat de rechtbank deze op tijd moet ontvangen zodat zij kan beoordelen of de indiener bevoegd was om het beroep in te stellen namens de ander. Om dezelfde reden leidt het dus niet tot een ander oordeel dat Grippeling de machtiging – zoals hij stelt – verzonden heeft vóórdat hij de uitspraak van de rechtbank had ontvangen.

14. In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 15 mei 2020. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in stand blijft.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ferrier, rechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. De beslissing is gedaan op 14 september 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Bij het instellen van beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

1 Hoge Raad 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3529.

2 Dit volgt uit artikel 6:6 Awb, in combinatie met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, Awb en artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.