Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7136

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
C/15/303920 / HA ZA 20-381
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Incident art. 223 Rv afgewezen bij gebreke van een rechtens te respecteren belang. Incident art. 118 Rv afgewezen omdat oproeping derden in dit stadium van de procedure prematuur wordt geacht. Geen processueel ondeelbare rechtsverhouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/303920 / HA ZA 20-381

Vonnis in incident van 9 september 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DUTCH ORGANICS HOLDING B.V.,

gevestigd te Den Haag,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres tevens verweerster in het incident,

advocaat mr. P.A.L. de Jong te Eindhoven,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PHOENIX INTERNATIONAL HOLDING B.V.,

gevestigd te Broek op Langedijk (gemeente Langedijk),

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster tevens eiseres in het incident,

advocaat mr. W.J.T. Ursem te Alkmaar.

Partijen zullen hierna Dutch Organics en Phoenix worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding tevens houdende vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex art. 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident ex 223 Rv tevens inhoudende akte tot oproeping van derden in geding ex 118 Rv met producties van Phoenix;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident met producties van Dutch Organics;

  • -

    de rolbeslissing van 29 juli 2020 op grond waarvan het Phoenix werd toegestaan om beknopt te reageren op de conclusie van antwoord in het incident van Dutch Organics;

  • -

    de conclusie van dupliek in incident ex 223 Rv met producties van Phoenix.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De hoofdzaak

2.1.

In de hoofdzaak gaat het - kort gezegd - om de term sheet die Dutch Organics, Phoenix en nog een aantal andere partijen eind juli 2018 zijn overeengekomen. De term sheet beoogt het opzetten van een nieuwe bedrijfsstructuur van de Alkaitis -groep, waaronder de oprichting van Dr. Alkaitis Asia Holding B.V. (hierna: Alkaitis Asia Holding) en Dr. Alkaitis Facility Management B.V. (hierna: Alkaitis Facility Management). Deze twee vennootschappen zouden zich gaan richten op de verkoop en marketing van Dr. Alkaitis -(huidverzorgings)producten in Azië.

2.2.

De vorderingen van Dutch Organics in de hoofdzaak zien op nakoming van de term sheet. Dutch Organics stelt dat Phoenix op grond van de term sheet een of meerdere leningen van in totaal € 300.000 aan de Alkaitis -groep dient te verstrekken. Volgens Dutch Organics hebben partijen in de term sheet afgesproken dat de verstrekte lening(en) na oprichting van Alkaitis Asia Holding en Alkaitis Facility Management - in welke vennootschappen Phoenix aandelen zou gaan houden - moet(en) worden ingebracht op het kapitaal van (een van) deze vennootschappen als onderdeel van de totale € 560.000 die Phoenix gehouden is in te brengen. Nu Phoenix de eerste lening van € 125.000 overeenkomstig de term sheet aan Dr. Alkaitis International B.V. (hierna: Alkaitis International) heeft verstrekt (hierna: de lening), is Phoenix verplicht deze lening in te brengen op de door haar gehouden aandelen in Alkaitis Asia Holding en Alkaitis Facility Management, aldus Dutch Organics. Eén van de in de hoofdzaak ingestelde vorderingen van Dutch Organics is dan ook dat Phoenix wordt veroordeeld om al hetgeen te doen en (na) te laten dat noodzakelijk is om de lening in te brengen op de aandelen die Phoenix houdt in Alkaitis Asia Holding, althans Alkaitis Facility Management, althans beide.

2.3.

Phoenix heeft in de hoofdzaak nog niet voor antwoord geconcludeerd.

3 Het geschil in het incident ex artikel 223 Rv

3.1.

Dutch Organics vordert dat de rechtbank Phoenix bij wijze van voorlopige voorziening veroordeelt om al hetgeen te doen en (na) te laten dat noodzakelijk is om de lening in te brengen op de aandelen die zij in Alkaitis Asia Holding houdt en daarbij te bepalen dat dit vonnis - voor zover nodig - in de plaats treedt van de daartoe benodigde medewerking van Phoenix, althans dat aan Phoenix een dwangsom wordt opgelegd.

3.2.

Dutch Organics stelt daartoe het volgende.

Dutch Organics heeft als aandeelhouder en bestuurder van Alkaitis International een spoedeisend belang bij toewijzing van de incidentele vordering. Met de incidentele vordering wil Dutch Organics voorkomen dat Phoenix de lening in een procedure opeist en Alkaitis International zal worden veroordeeld tot terugbetaling daarvan. Dutch Organics zou daardoor als aandeelhouder van Alkaitis International in haar belangen worden geraakt. De waarde van Alkaitis International zal namelijk significant afnemen als de lening in strijd met de gemaakte afspraken niet wordt ingebracht maar door Alkaitis International moet worden terugbetaald. Daarbij komt dat Phoenix, zolang de lening nog niet is ingebracht, conservatoir beslag ten laste van Alkaitis International kan laten leggen, zoals zij al eens eerder (tevergeefs) heeft geprobeerd. Daarnaast beoogt Dutch Organics met deze incidentele vordering te voorkomen dat zij in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid het verwijt krijgt dat zij onvoldoende heeft gedaan om ervoor te zorgen dat de lening wordt ingebracht.

Nu de incidentele vordering samenhangt met de hoofdzaak en zich leent om als voorlopige voorziening te worden gegeven, dient deze te worden toegewezen.

3.3.

Phoenix voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering in incident.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident ex artikel 223 Rv

4.1.

Het gaat hier om een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening binnen het kader van een bodemprocedure als bedoeld in artikel 223 Rv. De voorziening geldt slechts voor de duur van het geding, dat wil zeggen tot het moment waarop einduitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan. Als minimumvereiste voor toewijzing van een dergelijke vordering geldt allereerst dus dat deze zich moet lenen om als voorlopige voorziening te worden gegeven. Daarnaast moet de betreffende vordering samenhangen met de hoofdvordering. Ook is vereist dat de eiser voldoende belang heeft bij zijn incidentele vordering voor de duur van de bodemprocedure. Dat belang moet dringend zijn, in die zin dat van de eiser niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de procedure in de hoofdzaak afwacht. De rechter dient vervolgens, net als in kort geding, de belangen tussen partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.

4.2.

Daargelaten de vraag of de gevorderde voorziening zich verdraagt met het tijdelijke karakter van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv, is de rechtbank met Phoenix van oordeel dat Dutch Organics onvoldoende belang heeft bij haar vordering. Het belang van Dutch Organics bij (toewijzing van) de incidentele vordering is er volgens haar in gelegen dat wordt voorkomen dat Alkaitis International - waarvan Dutch Organics aandeelhouder en bestuurder is - wordt veroordeeld tot terugbetaling van een lening van € 125.000 en Phoenix ter zake conservatoir beslag ten laste van Alkaitis International laat leggen, voordat op de in hoofdzaak gevorderde inbreng wordt beslist. Met de incidentele vordering wil Dutch Organics Phoenix dus in feite beletten om jegens Alkaitis International rechtsmaatregelen te nemen. De incidentele vordering dient daarmee naar het oordeel van de rechtbank geen rechtens te respecteren belang. Daar doet niet aan af dat een tegen Alkaitis International in te stellen vordering tot terugbetaling van de lening volgens de eigen stellingen van Dutch Organics evident niet toewijsbaar is en ook niet dat Dutch Organics er mogelijk indirect financieel nadeel van zal ondervinden als een dergelijke vordering wel wordt toegewezen.

Nu Dutch Organics overigens geen feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit is af te leiden dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de bodemzaak ten aanzien van haar hiervoor onder 2.2 vermelde vordering afwacht, zal de incidentele vordering van Dutch Organics bij gebreke van het vereiste belang worden afgewezen.

4.3.

Dutch Organics zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit incident worden veroordeeld. De kosten aan de kant van Phoenix tot op vandaag worden begroot op € 1.086 (2 punten x tarief II) aan salaris advocaat.

Voor een toewijzing van nakosten ziet de rechtbank in dit incident geen aanleiding.

De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

5 Het geschil in het incident ex artikel 118 Rv

5.1.

Phoenix vordert dat haar op de voet van artikel 118 Rv wordt toegestaan om in de hoofdzaak de navolgende personen als (mede)gedaagden in reconventie op te roepen:

1. Alkaitis International, gevestigd te Den Haag;

2. Uunaa Organics B.V. (hierna: Uunaa), gevestigd te Den Haag;

3. de vennootschap naar buitenlands recht TRA-EU INC (hierna: TRA-EU), gevestigd te Miami (Verenigde Staten van Amerika);

4. de heer [XX] (hierna: [XX] ), wonende te [adres] ;

5. mevrouw [YY] (hierna: [YY] ), wonende te [adres] ;

6. de heer [ZZ] (hierna: [ZZ] ), wonende te [adres] .

5.2.

Phoenix stelt dat deze derden zodanig bij de materiele rechtsverhouding tussen partijen zijn betrokken, dat zij er belang bij heeft dat de door haar in te stellen reconventionele vordering mede of alleen tegen deze personen wordt toegewezen, althans dat beslissingen die in de hoofdzaak worden genomen ook hen binden. Het betrekken van deze personen in de procedure is - naar de door de Hoge Raad voor de toepassing van artikel 118 Rv ontwikkelde maatstaf - volgens Phoenix voor de beslissing over de rechtsbetrekking in geschil noodzakelijk of zinvol. Daarbij is het vanuit procesmatig oogpunt en omwille van de rechtsbescherming wenselijk dat in één bodemprocedure over de diverse samenhangende vorderingen over en weer wordt geoordeeld, aldus Phoenix.

5.3.

Phoenix wijst er in dit verband in de eerste plaats op dat de op te roepen personen (behalve Uunaa) contractpartij zijn bij de term sheet. Zij betoogt dat in ieder geval [XX] en TRA-EU tekortgeschoten zijn in de nakoming van de term sheet en dat dit een ontbindingsgrond oplevert.

Ten aanzien van specifiek Alkaitis International kondigt Phoenix aan in reconventie terugbetaling van de lening te zullen vorderen en Alkaitis International aan te zullen spreken op grond van onrechtmatige daad.

Wat betreft de oproeping van Uunaa is volgens Phoenix van belang dat Uunaa vermogen uit Alkaitis International heeft onttrokken, waarmee zij paulianeus en onrechtmatig heeft gehandeld jegens Alkaitis International en haar schuldeisers (waaronder Phoenix). Phoenix is dan ook van plan om Uunaa in reconventie aansprakelijk te houden voor de schade die Phoenix lijdt doordat vermogen aan Alkaitis International is onttrokken en Alkaitis International als gevolg daarvan niet aan haar betalingsverplichting jegens Phoenix kan voldoen. [ZZ] en [YY] zullen als bestuurders van Uunaa op grond van artikel 2:11 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hiervoor eveneens in reconventie worden aangesproken, aldus Phoenix.

5.4.

Dutch Organics verzet zich tegen oproeping van andere partijen in deze procedure en voert hiertoe samengevat het volgende aan.

Met haar incidentele vordering veegt Phoenix verschillende potentiële en weinig concrete vorderingen tegen verschillende partijen in één procedure bijeen. Daar is artikel 118 Rv niet voor bedoeld. De vorderingen kunnen net zo goed in afzonderlijke procedure(s) aan de rechter worden voorgelegd. Derden kunnen alleen in die gevallen op grond van artikel 118 Rv in de lopende procedure tussen Dutch Organics en Phoenix worden betrokken als dit noodzakelijk is of zinvol. Daar is hier evenwel geen sprake van, zodat de incidentele vordering van Phoenix moet worden afgewezen.

5.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

6 De beoordeling in het incident ex artikel 118 Rv

6.1.

Artikel 118 Rv geeft regels voor oproeping van derden als partij in het geding, zonder dat duidelijk wordt gemaakt in welke gevallen die oproeping mogelijk zou kunnen zijn. Als maatstaf geldt dat derden als medegedaagden in de hoofdprocedure kunnen worden betrokken als dit voor de beslissing over de rechtsbetrekking in geschil “noodzakelijk” of “zinvol” is (Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736).

6.2.

Volgens het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:411) moeten in een procedure over een processueel ondeelbare rechtsverhouding alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure worden betrokken. Het gaat dan immers om een beslissing die in dezelfde zin moet luiden ten aanzien van bij die rechtsverhouding betrokken partijen. Of dit moet, is mede afhankelijk van het antwoord op de vraag of een uitspraak voldoende effectief is als deze niet ten opzichte van alle betrokkenen geldt.

6.3.

In datzelfde arrest heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat iedere partij in een procedure over een processueel ondeelbare rechtsverhouding in eerste aanleg het recht heeft jegens alle andere bij die rechtsverhouding betrokken partijen een beslissing daaromtrent te vorderen. Dit ongeacht wie de procedure heeft aangespannen en ongeacht tegen wie de bij dagvaarding ingestelde vordering zich richt. Dit heeft onder meer tot gevolg - aldus de Hoge Raad - dat een vordering in reconventie ook kan worden ingesteld tegen een ander dan degene die de vordering in conventie heeft ingesteld. Dit is dus een uitzondering op de in artikel 136 Rv neergelegde regel dat de eis in reconventie slechts kan worden ingesteld tegen de eiser in conventie. Deze uitzondering wordt volgens de Hoge Raad gerechtvaardigd door de omstandigheid dat meer partijen bij de rechtsverhouding zijn betrokken en het wenselijk is dat ieder van hen in één en hetzelfde geding vorderingen met betrekking tot die rechtsverhouding kan instellen en verweer tegen zulke vorderingen kan voeren, en dat daadwerkelijk één beslissing over die rechtsverhouding voor alle daarbij betrokken partijen kan worden gegeven.

6.4.

Als degene die de beslissing over een processueel onderdeelbare rechtsverhouding wil uitlokken nalaat om alle betrokken partijen in het geding op te roepen, dan dient de rechter - naar aanleiding van een daarop gericht verweer dan wel ambtshalve - volgens het arrest van 10 maart 2017 gelegenheid te geven om de niet opgeroepen personen op de voet van artikel 118 Rv te betrekken.

6.5.

Phoenix heeft in de hoofdzaak nog geen verweer gevoerd en (dus ook) geen vordering in reconventie ingesteld tegen Dutch Organics. Met betrekking tot de vorderingen die nu in de hoofdzaak voorliggen, kan in dit stadium van de procedure niet worden gezegd dat het noodzakelijk of zinvol is dat de onder 5.1 genoemde personen worden opgeroepen.

Dat de vorderingen van Dutch Organics zien op nakoming van de term sheet door Phoenix en de in 5.1 genoemde personen - behalve Uunaa - in de term sheet als partij worden genoemd, maakt het oproepen van deze personen in de hoofdzaak nog niet noodzakelijk of perse zinvol.

6.6.

De vorderingen van Dutch Organics zien naar het oordeel van de rechtbank ook niet op een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dat een uitspraak op de op dit moment voorliggende vorderingen niet voldoende effectief zou zijn als deze niet ten opzichte van alle bij de term sheet betrokken partijen geldt, valt niet in te zien. De enkele door Phoenix ingenomen stelling dat sprake is van een ontbindingsgrond (zie 5.3) maakt dit niet anders. Wat dit voor de bij de term sheet betrokken partijen betekent, heeft Phoenix namelijk niet duidelijk gemaakt.

Uit de stellingen van Phoenix leidt de rechtbank af dat Phoenix niet alleen verweer zal voeren tegen de vordering van Dutch Organics, maar dat Phoenix ook een vordering in reconventie zal gaan instellen. Wat de inhoud en de grondslag van die vordering precies is, heeft Phoenix echter niet duidelijk gemaakt, zodat de rechtbank op dit moment ook niet kan toetsen of een en ander aan de hiervoor omschreven maatstaf voldoet.

6.7.

Mocht Phoenix in reconventie wel een vordering met betrekking tot de ontbinding van de term sheet instellen, dan is oproeping van (één van) de andere in de term sheet genoemde partijen mogelijk wel noodzakelijk of zinvol en kan ter zake tegen (één van) hen een vordering in reconventie worden ingesteld. Deze uitzondering op de regel dat een vordering in reconventie alleen kan worden ingesteld tegen de eisende partij in conventie, kan evenwel niet worden aanvaard als het gaat om de op onrechtmatige daad gebaseerde vorderingen van Phoenix die zij aankondigt in reconventie te willen instellen (zie 5.3). Deze hebben immers niets te maken met het rechtsbetrekking in geschil.

6.8.

De rechtbank is dus van oordeel dat oproeping van (één of meer van) de in 5.1 genoemde personen op dit moment prematuur is. De incidentele vordering zal daarom worden afgewezen.

6.9.

Phoenix zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit incident worden veroordeeld. De kosten aan de kant van Dutch Organics tot op vandaag worden begroot op € 543 (1 punt x tarief II) aan salaris advocaat.

Voor een toewijzing van nakosten ziet de rechtbank in dit incident geen aanleiding.

De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

7 De beslissing

De rechtbank

in het incident ex artikel 223 Rv

7.1.

wijst het gevorderde af,

7.2.

veroordeelt Dutch Organics in de kosten van het incident, aan de kant van Phoenix tot op vandaag begroot op € 1.086, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis,

in het incident ex artikel 118 Rv

7.3.

wijst het gevorderde af,

7.4.

veroordeelt Phoenix in de kosten van het incident, aan de kant van Dutch Organics tot op vandaag begroot op € 543, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis,

in beide incidenten

7.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de beslissingen in 7.2 en 7.4 uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

7.6.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 oktober 2020 voor conclusie van antwoord,

7.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2020.1

1 type: NMB coll: