Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7097

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
15/159937-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Promis. Tegenspraak. Verdachte, een hoogbejaarde man, heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn ex-vrouw. Nadat aangeefster in de ochtend van 4 juli 2019 in de woning van verdachte was gekomen, en daar blijkens een filmpje op haar telefoon kwam om zich spullen toe te eigenen, is het tot een handgemeen gekomen tussen verdachte en aangeefster. Daarbij heeft verdachte in een uitbarsting van geweld aangeefster meermalen geslagen met een kapmes, waarna zij op meerdere plekken op haar lichaam (ernstig) gewond is geraakt.

Oplegging van een gevangenisstraf en TBS met voorwaarden. De door de officier van justitie gevorderde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) wordt niet opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/159937-19 (P)

Uitspraakdatum: 14 september 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 2 maart 2020 en van 31 augustus 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1934 te [geboorteplaats] (Suriname),

thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.J.A. Colijn en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. J.C. Duin, advocaat te Hoorn, naar voren is gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 juli 2019 te Hoorn, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [aangeefster] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet met voorbedachten rade, meermalen met een kapmes, althans een lang en/of scherp en/of puntig voorwerp (op) die [aangeefster] heeft (in)geslagen en/of (in)gestoken en/of gesneden, (en haar daarbij heeft geraakt) op/tegen/in het hoofd en/of tegen/in de nek- en/of schouder(streek) en/of op/tegen/in de (boven)rug en/of op/tegen/in de arm, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het voor de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord vereiste bestanddeel voorbedachte raad. Wel acht zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag, waarbij de officier van justitie uitgaat van ‘vol opzet’.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft allereerst aangevoerd dat het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2019 (dossierpagina’s 37 t/m 39) dient te worden uitgesloten van het bewijs, nu sprake is geweest van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Verdachte is, voordat hij was gehoord of zijn rechten kon effectueren in aanwezigheid van de politie, gezien door een psychiater, waarna voornoemd proces-verbaal is opgesteld over hetgeen hij in vertrouwelijkheid met deze deskundige heeft gedeeld. In dit geval is niet alleen het gevoel van vertrouwelijkheid tussen verdachte en beroepsspecialisten veranderd, maar is ook zijn recht op privacy (artikel 8 EVRM) aangetast en is het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) in het geding. Het betreft een dermate ernstig vormverzuim dat enkel bewijsuitsluiting op zijn plaats is, aldus de raadsman.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat in het dossier onvoldoende bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad en heeft hij gesteld dat het dossier hiervoor zelfs contra-indicaties bevat, zodat verdachte van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord moet worden vrijgesproken.

Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat van een poging tot doodslag niet kan worden gesproken, gezien de aard en de ernst van het letsel. Het betreft geen letsel aan de hand waarvan de dood had kunnen intreden, zodat er geen aanmerkelijke kans op de dood was. Tevens kan niet worden vastgesteld dat verdachte een dergelijke kans zou hebben aanvaard. Verdachte moet daarom ook worden vrijgesproken van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte impliciet primair als poging tot moord ten laste is gelegd, nu in het dossier onvoldoende aanknopingspunten aanwezig zijn voor bewezenverklaring van de voor poging tot moord vereiste voorbedachte rade. Verdachte zal dan ook van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord worden vrijgesproken.

3.3.2

Bewijsmiddelverweer

Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster

Door de raadsman is verzocht de verklaringen van aangeefster als onbetrouwbaar terzijde te schuiven. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat aangeefster leugenachtig (tegenover de rechter-commissaris) heeft verklaard over de aanleiding van het incident, waarbij zij geen enkele verklaring heeft gegeven voor het feit dat verdachte gewond is geraakt gedurende de gevechtssituatie. Daarnaast blijkt dat aangeefster gedurende het verhoor moeite had om aan te geven waar verdachte zou hebben gestaan.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. De verklaringen van aangeefster worden door de rechtbank als betrouwbaar aangemerkt, nu deze verklaringen op belangrijke onderdelen, te weten de gepleegde geweldshandelingen, consistent zijn. Bovendien worden de verklaringen op een groot aantal wezenlijke onderdelen ondersteund door de verklaringen van verdachte zelf over de geweldshandelingen, alsmede door objectieve gegevens zoals de plekken van het aangetroffen letsel bij aangeefster. Het enkele gegeven dat aangeefster niet steeds alles over de aanleiding van de geweldshandelingen (juist) heeft verteld, doet aan de betrouwbaarheid van het geheel niet af. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen en de rechtbank zal de verklaringen van aangeefster voor het bewijs gebruiken.

3.3.3

Bewijsmiddelen ten aanzien van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2019 (dossierpagina’s 37 t/m 39) behoeft geen nadere bespreking, nu de rechtbank dit proces-verbaal niet voor het bewijs heeft gebruikt.

3.3.4

Bewijsoverwegingen

Kapmes

De rechtbank overweegt met betrekking tot het door verdachte gebruikte wapen dat het gaat om een kapmes. Tijdens het forensisch onderzoek in de woning van verdachte, waar het incident zich heeft afgespeeld, wordt in de hal een bebloed hakmes aangetroffen, waarvan zowel aangeefster als verdachte heeft aangegeven dat dat het mes is dat is gebruikt tijdens de geweldshandelingen. Het mes wordt door beiden een kapmes genoemd.

Voorwaardelijk opzet op de dood

Een bewezenverklaring van poging tot doodslag vereist dat bewezen is dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van aangeefster. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat uit de stukken in het dossier niet, althans onvoldoende, valt af te leiden dat sprake was van zogenaamd ‘vol opzet’. De rechtbank heeft onderzocht of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet, gericht op de dood van aangeefster.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig indien de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voorts is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in het dossier vast dat na wederzijdse irritatie tussen verdachte en aangeefster het in de hal van de woning van verdachte tot een (fysiek) conflict is gekomen, waarbij verdachte een kapmes met een lemmet van 19 centimeter lang in zijn handen had. Tijdens het conflict heeft verdachte aangeefster – kort gezegd – meermalen met het kapmes tegen haar hoofd, schouder en rug geslagen.

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte, te weten het in een gevechtssituatie in een kleine ruimte bewust gebruiken van een kapmes als wapen gericht op het hoofd en het bovenlichaam van aangeefster, de aanmerkelijke kans op aangeefsters dood oplevert. Het verweer van de raadsman dat het feitelijk geconstateerde letsel bij aangeefster niet potentieel dodelijk was, doet daaraan niet af. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het hoofd, de hals en het bovenlichaam vitale onderdelen bevinden. De in de nek lopende slagader had, gelegen in de nabijheid van het toegebrachte letsel, gemakkelijk geraakt kunnen worden. Naar algemene ervaringsregels kan een slagaderlijke bloeding zonder adequate medische behandeling zeer wel leiden tot de dood. Kijkend naar de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte heeft hij deze aanmerkelijke kans op de dood op de koop toegenomen. Van contra-indicaties daarvoor is niet gebleken. Zodoende acht de rechtbank bewezen dat verdachte het voorwaardelijk opzet op de dood van aangeefster heeft gehad, zodat de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend is bewezen.

3.3.5

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 juli 2019 te Hoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangeefster] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een kapmes die [aangeefster] heeft geslagen en/of gestoken en/of gesneden, en haar daarbij heeft geraakt op/tegen/in het hoofd en/of tegen/in de nek- en/of schouder(streek) en/of op/tegen/in de (boven)rug en/of op/tegen/in de arm, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Beroep op noodweer
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte eerst is geduwd/geslagen door aangeefster, waarna aangeefster het mes heeft gepakt en verdachte hiermee heeft verwond. Verdachte heeft zich tegen deze ogenblikkelijke en wederrechtelijk aanranding verdedigd, welke verdediging noodzakelijk en geboden was. De raadsman heeft gelet op het voorgaande verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer niet kan slagen, nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat in de hal van de woning van verdachte sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangeefster waartegen verdachte zich moest verdedigen. Uit de bewijsmiddelen in het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 31 augustus 2020 leidt de rechtbank af dat verdachte zich vooral getergd voelde door aangeefster en vanuit die gemoedstoestand gewelddadig tegen haar heeft opgetreden. Op basis van de bewijsmiddelen is niet aannemelijk geworden dat het gewelddadig handelen van verdachte een reactie is geweest op een fysieke aanval van aangeefster, zoals door de verdediging is gesteld, zodat geen sprake is geweest van een situatie waarin verdachte zich mocht of moest verdedigen. De in dit verband door de raadsman aangehaalde stelling van verdachte dat aangeefster zou zijn begonnen met duwen, is daartoe onvoldoende.

Het vorenstaande betekent dat het beroep op noodweer wordt verworpen.

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden zal worden opgelegd, onder de voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsrapport van 14 februari 2020. Verder heeft de officier van justitie gevorderd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z (GVM) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht, indien zij tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit komt, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarbij heeft de raadsman gewezen op de hoge leeftijd van verdachte, het gegeven dat verdachte hulpbehoevend is en de omstandigheid dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is bevonden. Verder heeft de raadsman gewezen op het eigen aandeel van aangeefster. Hij heeft verzocht aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast kan volgens de raadsman TBS met voorwaarden worden opgelegd, zodat in dat kader naar een geschikte beschermd wonen plek voor verdachte kan worden gezocht. Ten aanzien van de door de officier van justitie gevorderde GVM heeft de raadsman zich gerefereerd.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte, een hoogbejaarde man, heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn ex-vrouw. Nadat aangeefster in de ochtend van 4 juli 2019 in de woning van verdachte was gekomen, en daar blijkens een filmpje op haar telefoon kwam om zich spullen toe te eigenen, is het tot een handgemeen gekomen tussen verdachte en aangeefster. Daarbij heeft verdachte in een uitbarsting van geweld aangeefster meermalen geslagen met een kapmes, waarna zij op meerdere plekken op haar lichaam (ernstig) gewond is geraakt. Wat er ook zij van het als neerbuigend en krenkend aan te merken gedrag van aangeefster, dit rechtvaardigt niet de keuze van verdachte om zo te handelen. Door deze handelwijze heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Het is bovendien algemeen bekend dat dergelijke gewelddadige gebeurtenissen grote impact hebben op slachtoffers, hetgeen ook uit de door aangeefster ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring blijkt. Aangeefster heeft immers PTSS opgelopen naar aanleiding van het incident. Daarnaast brengen zulke gebeurtenissen sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 4 februari 2020, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder, zij het buiten de recidivetermijn, terzake van een ernstig soortgelijk geweldsdelict (doodslag) onherroepelijk is veroordeeld. De rechtbank heeft die eerdere veroordeling niet in de zin van artikel 43a Sr in het nadeel van verdachte mee laten wegen.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het Triple onderzoek Pro Justitia rapport, gedateerd 20 november 2019, opgesteld door onder meer R.A. Sterk, klinisch psycholoog en M.C. Heus, psychiater. Dit rapport houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

Er is bij betrokkene sprake van het samengaan van intellectuele beperkingen, die al op jonge leeftijd zichtbaar waren en als zwakbegaafd kunnen worden geclassificeerd, met een persoonlijkheidsstoornis, waarbij met name narcistische trekken zichtbaar zijn. Er is sprake van een egocentrische houding en een nog zwak geïntegreerde gewetensfunctie. Voorts is er sprake van minderwaardigheidsgevoelens die hij overdekt met het tegendeel, namelijk gevoelens van grootheid. Wanneer hij geraakt wordt in zijn minderwaardigheidsgevoelens kan hij gekrenkt reageren. Voorts is er sprake van een verstoorde emotie- en agressieregulatie welke zich kenmerkt door een alles of niets dynamiek, waarbij agressieve gevoelens enigszins geremd lijken en incidenteel kunnen leiden tot acting out gedrag. De beperkte intellectuele capaciteiten versterken de reeds met de persoonlijkheidsstoornis samenhangende beperkte reflectieve vermogens.

Onderzoekers concluderen dat er sprake is van een verband tussen de geconstateerde psychische problematiek en het ten laste gelegde. Er was sprake van diverse aspecten van zijn persoonlijkheidsproblematiek in combinatie met zijn beperkte intellectuele capaciteiten die van invloed lijken te zijn geweest op zijn gedrag ten tijde van het ten laste gelegde. Deze invloed was fors. Er lijkt sprake van een gedeeltelijke doorwerking. Betrokkene moet in staat worden geacht om de wederrechtelijkheid van het ten laste gelegde in te kunnen zien. Hij kan echter als gevolg van de geconstateerde psychische problematiek niet goed in staat worden geacht om zijn wil overeenkomstig voornoemd inzicht geheel in vrijheid te bepalen. De rechtbank wordt geadviseerd om het ten laste gelegde - indien bewezen - betrokkene in verminderde mate toe te rekenen .

De rechtbank kan zich met de adviezen van de deskundigen verenigen. De rechtbank neemt de conclusies van deze deskundigen over, maakt deze tot de hare en acht verdachte voor het bewezenverklaarde feit verminderd toerekeningsvatbaar.

Gevangenisstraf

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank heeft bij de hoogte van de gevangenisstraf – naast hetgeen hiervoor is overwogen – rekening gehouden met de gevorderde leeftijd van verdachte en met het gegeven dat hij als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Een gevangenisstraf conform de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht – zoals door de raadsman van verdachte is bepleit –, doet naar het oordeel van de rechtbank evenwel onvoldoende recht aan de ernst van het feit.

TBS met voorwaarden

De rechtbank heeft bij de beantwoording van de vraag of aan verdachte de TBS-maatregel met voorwaarden dient te worden opgelegd, de hierboven besproken Triple Pro Justitia rapportage betrokken. Het rapport houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

Ten aanzien van de geconstateerde psychische problematiek is vanuit forensisch oogpunt behandeling geïndiceerd. Deze behandeling dient zich te richten op de geconstateerde psychische problematiek, met name de persoonlijkheidsstoornis, waar zijn emotie- en agressieregulatieproblemen een aspect van vormen. Echter gezien de hoge leeftijd van betrokkene, de gehardheid van de geconstateerde psychische problematiek en de intellectuele beperkingen wordt de veranderbaarheid van betrokkene als gering ingeschat. Behandeling lijkt derhalve niet erg zinvol. Aandacht dient met name uit te gaan naar risicomanagement. Betrokkene dient dan ook geplaatst te worden in een beschermde woonsetting met 24-uurs zorg waarbij voldoende toezicht gehouden kan worden op zijn sociale interacties en de relaties die hij aangaat. Tevens is onder bewind voering nodig om financieel misbruik van betrokkene door derden te voorkomen. Daarnaast is het van belang dat hij daginvulling krijgt, waarbij er onder andere aandacht is voor zijn gevoel nuttig of waardevol te zijn. Het toezicht is langdurig nodig. Betrokkene zou idealiter middels goede woonbegeleiding spanningen die in zijn mogelijk toekomstige relaties ontstaan bespreekbaar kunnen maken en daarmee verminderen. De kans dat hij dit alsnog aan kan leren lijkt, zoals reeds gesteld, niet reëel.

Hetgeen resteert is een maatregel tbs, waarbij toezicht ook voor langere tijd mogelijk is. Hierbij lijkt het aanbieden van een plaatsing in een beschermde woonsetting met 24 uurs zorg in het kader van een maatregel tbs met voorwaarden toereikend. Alhoewel hij nauwelijks ziekte-inzicht en -besef heeft lijkt hij zich aan de voorwaarden te kunnen houden, temeer daar hij goed gedijt in een situatie met duidelijkheid en structuur. Indien hij zich in tweede instantie toch niet kan houden aan de voorwaarden dan kan de tbs met voorwaarden omgezet worden in een tbs met dwangverpleging. In beide gevallen zou gedacht kunnen worden aan plaatsing in een instelling als Hoeve Boschoord (Trajectum), een instelling die onder andere forensische zorg verleent aan mensen met een licht verstandelijke beperking.

Het risico op herhaling van gewelddadig gedrag binnen een relatie wordt op de langere termijn matig-hoog ingeschat.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het reclasseringsadvies (TBS met voorwaarden), gedateerd 14 februari 2020, opgesteld door [reclasseringswerker] , werkzaam als reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. De reclassering acht het kader van TBS met voorwaarden een passende maatregel om een strikt extern risicomanagement te kunnen voeren. Echter, gezien het ontbreken van behandelmogelijkheden zal de maatregel enkel ingezet kunnen worden om risico's te beperken door dit externe risicomanagement en wordt geen gedragsverandering verwacht van verdachte. Tenslotte is de praktische uitvoerbaarheid van de maatregel in het geding omdat tot op heden, ondanks een intensieve zoektocht, nog geen beschermde woonvorm c.q. verblijfplaats is gevonden voor verdachte in de regio Hoorn/Noord-Holland waar hij zou kunnen verblijven in het kader van tbs met voorwaarden. Indien de rechtbank de oplegging van de maatregel TBS met voorwaarden overweegt, worden zeven bijzondere voorwaarden geadviseerd. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat verdachte ontvankelijk lijkt voor begeleiding binnen het kader van TBS met voorwaarden.

Ter aanvulling op voornoemd reclasseringsadvies is [reclasseringswerker] als getuige ter terechtzitting van 2 maart 2020 gehoord. Daar heeft zij onder meer aangegeven dat er geen ouderenzorg is ingekocht in het kader van de tenuitvoerlegging van de maatregel TBS. Destijds was er wel een indicatiestelling afgegeven voor de FPA Noord-Holland Noord. Verdachte kan daar geplaatst worden in een klinische setting op een psychiatrische afdeling, waar veel structuur en veiligheid wordt geboden. De reclassering acht dat een goed startpunt. Vervolgens moet worden gezocht naar een vervolginstelling waar verdachte langer kan verblijven. De door de deskundigen geadviseerde beschermde woonvorm met 24-uurs zorg als zodanig is niet realiseerbaar in het kader van TBS met voorwaarden. De reclassering is daarom op deze klinische setting uitgekomen, gevolgd door een woonvorm buiten die setting. [reclasseringswerker] heeft aangegeven dat dat de meest passende setting is, zodat de reclassering volledig zicht houdt op verdachte als hij uit de FPA komt. Verder heeft zij verklaard dat, ongeacht waar verdachte wordt geplaatst, er iets aan het risicomanagement moet worden gedaan. Het risico ligt met name in het aangaan van een relatie. Bij een TBS met voorwaarden wordt in de standaardvoorwaarden tevens de mogelijkheid van een Time-out opgenomen. Bij overtreding van de voorwaarden zal de maatregel dan niet direct in TBS met dwangverpleging worden omgezet.

Ter terechtzitting van 31 augustus 2020 heeft getuige [reclasseringswerker] bovenstaande adviezen onderschreven en nader toegelicht. Verschillende beschermd woonvormen hebben aangegeven dat de opbouw van meer vrijheden, zoals verloven, moeten worden getoetst in een klinische setting zoals een FPA, voordat aanmelding van verdachte bij beschermend wonen kan plaatsvinden. Op deze manier kan verdachte vanuit de FPA doorstromen naar beschermd wonen.

Op 17 en 18 juni 2020 zijn de deskundigen R. Sterk, psycholoog, respectievelijk M.C. Heus, psychiater, nader gehoord naar aanleiding van de bevindingen van de reclassering. De deskundigen handhaven het advies om aan verdachte TBS met voorwaarden op te leggen en geven opnieuw aan dat verdachte 24 uur zorg nodig heeft, waarbij het van belang is dat verdachte geplaatst wordt in een langdurig beschermde woonsetting, met toezicht op de contacten die hij heeft en in het bijzonder de intieme relaties die hij aangaat. Er moet een setting komt waarbij de kwetsbare kanten van verdachte zo min mogelijk worden getriggerd. Belangrijke pijlers daarbij zijn onder andere toezicht, bewindvoering en dagbesteding. Heus kan zich vinden in het advies van de reclassering om verdachte eerst te plaatsen in een FPA en van daar uit te zoeken naar een beschermde woonvorm. Vanuit praktisch oogpunt begrijpt Sterk dat de reclassering plaatsing in een FPA adviseert om van daar uit een geschikte woonsetting te vinden.

De rechtbank onderschrijft de hiervoor weergegeven conclusies van de deskundigen en maakt deze tot de hare. Nu voornoemde psychiater en psycholoog tot een eensluidend advies komen, welk advies de rechtbank gedegen voorkomt, zal de rechtbank aan verdachte de TBS-maatregel met voorwaarden opleggen. De rechtbank acht doorstroming vanuit een klinische setting naar een beschermd wonen plek, zoals door de reclassering als plan van aanpak wordt geschetst, een geschikte uitkomst nu daarmee de gestelde doelen kunnen worden gerealiseerd.

De rechtbank zal bij de TBS-maatregel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen. Bij verdachte is sprake van een matig/hoog recidiverisico. TBS met voorwaarden biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende waarborgen voor het indammen van het gevaar voor herhaling tot een aanvaardbaar niveau. Uit voornoemd rapport van de reclassering komt naar voren dat verdachte bereid lijkt te zijn om medewerking te verlenen aan het plan van aanpak zoals genoemd in het rapport.

Aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de TBS-maatregel is voldaan, nu bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, het door verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel eist.

De rechtbank kan, op vordering van het Openbaar Ministerie, bevelen dat de ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd indien de voorwaarden niet worden nageleefd. Het bewezen verklaarde feit is een misdrijf dat gericht is tegen dan wel gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat een termijn van een eventuele maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet is beperkt tot vier jaren.

Geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank is van oordeel dat niet valt te overzien of, en zo ja in hoeverre, de noodzaak voor een dwingend juridisch kader in de zin van artikel 38z Sr aansluitend aan de TBS met voorwaarden bestaat. De rechtbank heeft hierbij gelet op de hoge leeftijd van verdachte (thans 86 jaar), de duur van de op te leggen vrijheidsbenemende straf en de maximale duur van de op te leggen TBS met voorwaarden (negen jaar), alsmede op het klinisch neuropsychologisch onderzoek waaruit blijkt dat bij verdachte mogelijk sprake zou kunnen zijn van forse dementie wat op dit moment in zijn normale gedrag (nog) niet terugkomt. De rechtbank zal gelet op het voorgaande geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr opleggen.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangeefster] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 38.940,93 ingediend tegen verdachte, bestaande uit € 8.940,93 voor materiële schade en
uit € 30.000,00 voor immateriële schade, die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit:

- verlies van arbeidsvermogen tot 1 september 2020 € 8.246,55

- kapotte bril € 277,50

- taxi kosten € 50,00

- betaalde facturen betreffende medicatie en wondverzorging € 259,12

- reiskosten € 57,76

- telefoonkosten € 50,00

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit [kort gezegd: poging tot doodslag], door de handelingen van verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank is, in het licht van de betwisting door de raadsman, van oordeel dat de vordering met betrekking tot de schadeposten ‘verlies arbeidsvermogen’, ‘kapotte bril’ en taxikosten’ onvoldoende is onderbouwd. Om deze reden zal de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van die posten niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade ten aanzien van de schadeposten ‘telefoonkosten’ en ‘reiskosten’ voldoende is onderbouwd en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Deze schadeposten, die door de raadsman niet zijn weersproken, zullen dan ook worden toegewezen.

Ook staat vast dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit kosten heeft moeten maken die zien op medicatie en wondverzorging. Deze gevorderde materiële schade is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en staat in zodanig verband met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Nu dit deel van de vordering onvoldoende concreet is betwist door de verdediging, zal deze worden toegewezen.

Vergoeding van de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 7.500,00 komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting, als zijnde het bedrag waarop de schade minst genomen kan worden begroot. De rechtbank is van oordeel dat behandeling van het overige deel van de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor het overige.

De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een totaalbedrag van € 7.866,88, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 37a, 38, 38a, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan verdachte impliciet primair is ten laste gelegd als poging tot moord en spreekt hem daarvan vrij.

verklaart bewezen dat verdachte de impliciet subsidiair ten laste poging tot doodslag heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3.5 weergegeven.

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) maanden.

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld.

stelt daarbij als algemene voorwaarde betreffende het gedrag dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

stelt daarbij als bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag dat verdachte:

Meewerken aan reclasseringstoezicht

- meewerkt aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat verdachte:

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken en een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

  • -

    zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

  • -

    de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze

foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

  • -

    meewerkt mee aan huisbezoeken;

  • -

    de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

  • -

    zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

  • -

    meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.

Meewerken aan time-out

- meewerkt aan een time-out in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC), Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK), Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) of andere instelling, als de reclassering dat nodig vindt. Deze time-out duurt maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar.

Niet naar het buitenland

- niet naar het buitenland of naar de Nederlandse Antillen gaat, zonder toestemming van het Openbaar Ministerie.

Opname in een zorginstelling

- zich laat opnemen in een nader door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, te bepalen instelling. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

- verblijft in een nader te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan detentie. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

Meewerken aan schuldhulpverlening

- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

Contactverbod

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [aangeefster] , geboren op 9 oktober 1961, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.

geeft opdracht aan de reclassering om verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangeefster] geleden schade tot een bedrag van € 7.866,88, bestaande voor € 366,88 uit materiële schade en voor € 7.500,00 uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, aan benadeelde partij voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangeefster] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 7.866,88 en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente, zoals hierboven weergegeven. Bepaalt de duur van de gijzeling op maximaal 74 dagen indien volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 6:4:4, 6:4:5 en 6:4:6 Sv niet mogelijk blijkt.

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. K.I. de Jong en mr. M. Ramondt, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.A. Spoelstra,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 september 2020.

mr. T.H. Bosma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.