Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7095

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5436
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo, huishoudelijke hulp, gebruikelijke hulp, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/5436

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.S. Eisenberger),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigden: mr. H. van Buren en J. Boot).

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2019 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiseres op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), met ingang van 7 mei 2019, een voorziening in de vorm van huishoudelijke ondersteuning toegekend, voor 3 uur per week.

Bij besluit van 1 juli 2019 (het primaire besluit 2) heeft verweerder het primaire besluit 1 herzien, in die zin dat aan eiseres, met ingang van 1 juli 2019, voor 4 uur per week huishoudelijke ondersteuning wordt toegekend.

Bij besluit van 29 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2020 via een Skype-verbinding. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, vergezeld door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Eiseres heeft zich op 30 januari 2019 tot verweerder gewend met een hulpvraag in, onder meer, de vorm van huishoudelijke ondersteuning. Verweerder heeft naar aanleiding van de aanvraag van eiseres een onderzoek ingesteld, er is een ondersteuningsplan opgesteld en de casemanager heeft eiseres thuis bezocht. Daarbij is met eiseres en haar echtgenoot en haar inwonende zoon gesproken en zijn de problemen besproken waarmee eiseres te maken heeft en zijn de huishoudelijke werkzaamheden benoemd. Van het onderzoek door verweerder is een onderzoeksverslag opgesteld. Verweerder heeft medisch advies gevraagd bij Treve Advies, die bij rapportages van 18 maart 2019 heeft geadviseerd. Van het onderzoek heeft verweerder een onderzoeksrapportage opgesteld.

Verweerder heeft in het primaire besluit 1 beslist dat aan eiseres met ingang van 7 mei 2019 huishoudelijk ondersteuning wordt toegekend in de vorm van zorg in natura voor 180 minuten per week.

1.2.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 27 mei 2019 heeft opnieuw een huisbezoek plaatsgevonden om de situatie van eiseres te onderzoeken. De gezondheidssituatie van eiseres is plotseling, na het onderzoek waarop het primaire besluit 1 is gebaseerd, achteruit gegaan. Eiseres is geruime tijd opgenomen geweest in het ziekenhuis. Op 1 juli 2019 heeft verweerder het primaire besluit 2 genomen, waarbij verweerder de huishoudelijke ondersteuning per 1 juli 2019 heeft uitgebreid naar 4 uur per week in verband met de verslechtering van de situatie van eiseres. Op 16 september 2019 heeft de commissie bezwaarschriften van verweerder aan verweerder een advies uitgebracht. Verweerder heeft in overeenstemming met dit advies in het bestreden besluit beslist.

2. Verweerder stelt zich in de besluitvorming op het standpunt dat aan de hand van de zorgbehoefte van eiseres haar huishoudelijke ondersteuning is vastgesteld. De omvang van de ondersteuning is vastgesteld aan de hand van de normen die het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hanteert. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in een uitspraak van 11 juli 2018, onder verwijzing naar de uitspraak van 18 mei 2016 (ECLI:CRVB:2016:1403), geoordeeld dat verweerder bij de bepaling van de benodigde tijd kan uitgaan van (de normtijden van) het CIZ-protocol. Dit protocol biedt voldoende mogelijkheden om individueel maatwerk te leveren nu steeds een individuele afweging dient plaats te vinden.

3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerders onderzoek onvoldoende is geweest om te kunnen vaststellen of de toegekende maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid van eiseres. In het onderzoek heeft verweerder nagelaten om te onderzoeken welke problemen eiseres ten aanzien van haar hulpvragen ondervindt bij haar zelfredzaamheid en welke ondersteuning nodig is. Niet blijkt dat verweerder zich ervan heeft vergewist of het onderzoek medisch en arbeidskundig op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, zoals aan de orde in de uitspraak van de CRvB van 11 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1113. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ervan uit gaat dat de echtgenoot en de zoon van eiseres het doen van boodschappen, de maaltijdverzorging, licht poetswerk en de kleding/linnengoed wassen volledig overnemen. Eiseres stelt echter dat dit de gebruikelijke inzet in het huishouden overstijgt en dat daarom sprake is van mantelzorg. De gemachtigde van eiseres heeft in dit verband ter zitting toegelicht dat eiseres zelf in het geheel niet kan bijdragen aan het huishouden wat ze normaal gesproken als moeder van het gezin zou bijdragen, zodat hetgeen van de overige gezinsleden wordt verlangd de gebruikelijke zorg overstijgt. Eiseres heeft erop gewezen dat verweerder op geen enkele wijze heeft aangegeven wat tot de gebruikelijke zorg en wat tot de mantelzorg moet worden gerekend, zodat deze niet zijn geobjectiveerd in tijd en frequentie. Eiseres heeft verder gesteld dat voor zover verweerder uitgaat van mantelzorg, geldt dat uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat verweerder geen rekening mag houden met mantelzorg die de potentiele mantelzorgers niet bereid zijn te leveren en dat niet kan worden gesproken van mantelzorg als de zorgverlener voor zijn diensten een betaling verlangt. Van die situatie is in dit geval sprake, volgens eiseres. Ook blijkt niet dat verweerder met de echtgenoot en zoon schriftelijke afspraken heeft gemaakt over de over te nemen huishoudelijke taken, de frequentie van die afzonderlijke taken en de omvang daarvan. Volgens eiseres dient verweerder daarom ook voor deze activiteiten zorg te dragen voor ondersteuning.

Verder heeft eiseres aangevoerd dat verweerder niet heeft onderzocht of er voor eiseres, op basis van ziekten, aandoeningen, stoornissen en beperkingen nog mogelijkheden zijn voor (functionele) verbetering of herstel. De duur van de maatwerkvoorziening heeft verweerder uitsluitend gebaseerd op een mogelijk herstel van de zoon. In het kader van de continuïteit van een te verstrekken voorziening verhoudt verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening zich niet met een situatie waarbij sprake is van chronische aandoeningen en een verwachte toename van aandoeningen van eiseres. Voorts is verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op de noodzaak van een toiletvoorziening op de eerste verdieping en een renovatie van de badkamer. Tot slot had verweerder proceskosten dienen te vergoeden, omdat verweerder met het primaire besluit 2 aan de bezwaren van eiseres tegemoet is gekomen. Dat geldt ook voor het besluit waarbij aan eiseres een traplift is toegekend.

4. Voor de beoordeling van het beroep geldt als uitgangspunt dat artikel 2.3.5, derde lid, Wmo bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 van de Wmo bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

5.1.

De rechtbank overweegt allereerst dat het antwoord op de vraag of eiseres aanspraak kan maken op een toiletvoorziening op de eerste verdieping en een renovatie van de badkamer, buiten de omvang van dit geding valt. Gelet op het bij het verweerschrift gevoegde onderzoeksverslag en het besluit van 22 juli 2019 staat vast dat de afhandeling van de aangevraagde voorzieningen ten behoeve van de woonproblemen separaat is afgedaan. Als eiseres het met het besluit van 22 juli 2019 niet eens is, dient zij daartegen afzonderlijk bezwaar en beroep in te stellen. De stelling van de gemachtigde van eiseres dat het besluit van 22 juli 2019 nooit is ontvangen, zodat tegen het besluit over de woonvoorzieningen ook geen bezwaarschrift kon worden ingediend, brengt daarin geen verandering. In het onderhavige beroep ligt uitsluitend ter beoordeling voor de besluitvorming over de huishoudelijke ondersteuning.

5.2.

De rechtbank volgt eiseres niet in de stelling dat het onderzoek van verweerder onvoldoende is geweest om tot de toegekende maatwerkvoorziening te komen. Uit het onderzoeksverslag blijkt dat naar aanleiding van de aanvraag van eiseres aandacht is besteed aan het huishouden van eiseres, en ook aan haar woonsituatie, hoe zij zich verplaatst en aan haar gezondheidstoestand. Uit het onderzoeksverslag blijkt verder dat uitvoerig is gekeken naar alle leefgebieden, dat is besproken welke problemen eiseres ervaart en dat is bekeken wat door het eigen netwerk en via mantelzorgers mogelijk is en of er andere oplossingen beschikbaar zijn.

Het beroep van eiseres op de uitspraak van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819 gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op, omdat de zaak niet vergelijkbaar is. In die zaak was de AWBZ-indicatie zonder nader onderzoek overgenomen. Daarvan is in het geval van eiseres geen sprake. Evenmin gaat het beroep van eiseres op de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1113, op. Anders dan in de zaak die aan de laatstgenoemde uitspraak ten grondslag ligt, heeft verweerder in het geval van eiseres het medisch advies wel beoordeeld. Dat volgt immers uit pagina 5 van het advies van de commissie bezwaarschriften, waarin dat is vermeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om de weergegeven medische beoordeling onvoldoende te achten en is met verweerder van oordeel dat er geen concrete aanknopingspunten voor twijfel zijn aan de juistheid of volledigheid van het medisch advies. De rechtbank volgt eiseres niet in de stelling dat verweerder zelf ook deskundig moet zijn om het advies te beoordelen. Die stelling gaat eraan voorbij dat een deskundige wordt ingeschakeld omdat verweerder zelf over die deskundigheid niet beschikt. De vergewisplicht betreft de verplichting voor het bestuursorgaan om te bezien of de adviseur deskundig is, het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en of het advies concludent is. Daaraan heeft verweerder voldaan.

5.3.

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat het voornaamste geschilpunt in deze zaak betrekking heeft op de vaststelling door verweerder van de gebruikelijke hulp en de omvang daarvan. Eiseres voert in dit verband aan dat eerst moet worden vastgesteld wat normaal gesproken verlangd kan worden van een huisgenoot en dat ook moet worden bekeken hoe de taken oorspronkelijk waren verdeeld tussen de verschillende huisgenoten.

5.4.

Blijkens de toelichting van verweerder ter zitting is verweerder uitgegaan van de Wmo richtlijn “Indicatieadvisering voor Hulp bij het Huishouden versie 1.0”, opgesteld door het CIZ in december 2006. De basis voor deze richtlijn is – zoals uit het voorwoord blijkt – het CIZ protocol huishoudelijke verzorging voor de indicatiestelling AWBZ en het protocol Gebruikelijke Zorg. In het protocol Gebruikelijke Zorg is onder 2.5 vermeld:
Iedere volwassen burger wordt verondersteld naast een volledige baan of opleiding een huishouden te kunnen voeren.
In geval van een meerpersoonshuishouden staat het hebben van een normale baan of het volgen van een opleiding per definitie het leveren van gebruikelijke zorg niet in de weg.
Gebruikelijke zorg gaat voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie.
Onder 4.1.3 staat vermeld:
Van een volwassen gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt.(…)

5.5.

De rechtbank concludeert dat op grond van de uitgangspunten in het protocol Gebruikelijke Zorg, zoals hiervoor weergegeven, van de echtgenoot en zoon van eiseres, als volwassen huisgenoten, wordt verwacht dat zij huishoudelijke taken overnemen. Anders dan eiseres betoogt, is niet van belang wat de taakverdeling zou zijn geweest als eiseres niet beperkt was. Dit leidt vervolgens tot de conclusie dat de inzet van de echtgenoot en zoon van eiseres ter uitvoering van de huishoudelijke taken niet de gebruikelijke zorg overstijgt. De stelling van eiseres dat sprake zou zijn van mantelzorg, gaat dan ook niet op. De rechtbank komt om die reden niet toe aan bespreking van de aangevoerde gronden voor zover die voortvloeien uit de stelling dat sprake is van mantelzorg. De vraag of de huisgenoten de hulp al dan niet leveren of willen leveren, speelt bij de gebruikelijke zorg geen rol.

5.6.

De rechtbank overweegt verder dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever het wenselijk heeft geacht dat gemeenten op het punt van de gebruikelijke hulp beleid ontwikkelen, maar dat dit laat onverlet dat gemeenten in individuele situaties telkens weer een zorgvuldige afweging dienen te maken en daarbij rekening dienen te houden met de noodzaak tot ondersteuning en de specifieke omstandigheden van aanvrager, waaronder zijn persoonskenmerken en zijn gezinssituatie (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 28-29 en Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 140). Verweerder moet een individuele toets maken tegen de achtergrond van de noodzaak tot ondersteuning van eiseres en van haar specifieke omstandigheden.

5.7.

De rechtbank stelt vast dat bij het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag van eiseres is vastgesteld dat eiseres beperkt is in het doen van zwaar huishoudelijk werk, het doen van grote boodschappen en grote stukken was. Verder is gebleken dat de echtgenoot van eiseres en de inwonende zoon ook niet in staat zijn om de zware huishoudelijke activiteiten uit te voeren, evenals het doen van de grote boodschappen. Bij het bespreken met eiseres, haar echtgenoot en zoon in hoeverre de echtgenoot en zoon benodigde hulp kunnen bieden, is gebleken dat zij voor het doen van grote boodschappen zelf een oplossing hebben bedacht, want dit doet de kleindochter, eventueel samen met de echtgenoot van eiseres. De kleine boodschappen doen zij verder nog zelf. Ook zijn zij wel in staat om de lichte huishoudelijke taken uit te voeren. Gelet op het voorgaande is het onderzoek naar het oordeel van de rechtbank, ook op dit punt, voldoende geweest. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting verklaard dat er over de beperkingen die zijn vastgesteld in het onderzoek geen discussie bestaat. Dat de ondersteuning bij het verrichten van de huishoudelijke taken de gebruikelijke hulp, in de hiervoor genoemde definitie, in omvang en intensiteit overstijgt heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De stelling dat de echtgenoot en zoon van eiseres als gevolg van het verrichten van de huishoudelijke taken overbelast worden, is niet nader onderbouwd.

5.8.

De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat, gelet op het uitgangspunt dat bij het vaststellen van een maatwerkvoorziening wordt gekeken naar het totale huishouden, niet kan worden ingezien waarom de indicatie in dit geval niet voor beperkte tijd mag worden afgegeven. De medisch adviseur heeft aangegeven dat de beperkingen van de inwonende zoon kunnen afnemen, hetgeen vanwege de door hem te verlenen gebruikelijke zorg, direct gevolg kan hebben voor de geïndiceerde maatwerkvoorziening. De stelling van eiseres dat de maatwerkvoorziening aan haar, als ontvanger van de voorziening, wordt verstrekt, brengt daarin geen verandering. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.9.

De rechtbank overweegt tot slot dat artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In het primaire besluit 2 is vermeld dat er op 27 mei 2019 een huisbezoek heeft plaatsgevonden, om de situatie van eiseres opnieuw te onderzoeken, omdat zij in de afgelopen periode plotseling achteruit is gegaan en het eerdere onderzoek net voor deze verslechtering is uitgevoerd. Vermeld is dat eiseres door de verergering van haar longziekte volledig afhankelijk is geworden van zuurstof en het belangrijk is dat de woning zoveel mogelijk stofvrij wordt gehouden. Om die reden is de indicatie van het primaire besluit 1 in het primaire besluit 2 uitgebreid met extra tijd voor stofzuigen. De herziening van het primaire besluit 1 is derhalve geen gevolg van een onrechtmatigheid die aan verweerder is te wijten, maar aan een verandering van de omstandigheden. De stelling van eiseres dat zij verweerder al eerder op de hoogte had gebracht dat zij COPD had, is juist, maar doet aan het voorgaande niet af. De verslechtering van de medische situatie van eiseres als gevolg van de COPD is de aanleiding geweest voor het uitbreiden van de indicatie.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder terecht geen vergoeding van de proceskosten heeft toegekend. Deze beroepsgrond faalt ook.

6. Al het hiervoor vermelde leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 13 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.