Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7092

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
8224889
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

aanneming van werk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8224889 CV EXPL 19-19230

Uitspraakdatum: 2 september 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Bouwbedrijf Leiden B.V.

gevestigd te Leiden

eiseres in conventie
verweerster in reconventie

verder te noemen: BBL

gemachtigde: mr. M.B. van Munster

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde in conventie
eiser in reconventie

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. R.L. Andriessen

1 Het procesverloop

1.1.

BBL heeft bij dagvaarding van 9 december 2019 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

Op 7 juli 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben BBL bij brief, ontvangen op de griffie op 9 juni 2020 en [gedaagde] bij brief, ontvangen op de griffie op 1 juli 2020, nog stukken toegezonden. Ter zitting heeft BBL stukken overgelegd en heeft [gedaagde] schriftelijk zijn eis gewijzigd.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft op 6 september 2018 aan BBL opdracht gegeven tot het verrichten van verbouwingswerkzaamheden aan zijn woning aan de [straatnaam] te [woonplaats] . Daartoe heeft BBL een offerte opgesteld, welke door partijen is besproken en waarbij, onder andere in e-mails, vragen zijn beantwoord. Op 3 september 2018 is de uiteindelijke offerte toegezonden, naar aanleiding waarvan per e-mail van 6 september 2018 door BBL nog een aantal vragen is beantwoord. Tevens is in die e-mail gewezen op de meegezonden algemene voorwaarden. [gedaagde] heeft diezelfde dag per e-mail akkoord gegeven op de offerte. De overeengekomen aanneemsom bedraagt € 110.990,85 inclusief btw.

2.2.

Op bladzijde 1 van de geaccordeerde offerte staat:
Op al onze werkzaamheden is de Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk 2013 (AVA 2103) van toepassing.
(..)
De betaling zal geschieden in termijnen, te weten:
1e termijn bij 30% bij opdracht werkzaamheden
2e termijn bij 30% bij voortgang werkzaamheden
3e termijn bij 30% bij voortgang werkzaamheden
4e termijn bij 10% voor oplevering werkzaamheden
Werkzaamheden niet opgenomen
Werkzaamheden anders dan omschreven in deze offerte.
(..)
Geen binnen- en buitenschilderwerk opgenomen, anders dan genoemd.
Elektra – loodgieter – en/of CV werkzaamheden, anders dan genoemd.

2.3.

[gedaagde] heeft de eerste en tweede termijnbetaling volledig voldaan.

2.4.

Bij e-mail van 22 november 2018 heeft BBL de factuur van de derde termijn (30% van de aanneemsom) ten bedrage van € 33.297,25 aan [gedaagde] gestuurd.

2.5.

Bij e-mail van 23 november 2018 heeft [gedaagde] daarop als volgt gereageerd: ‘Ik heb het zelf ook nog even nagerekend; ik zit er niet veel vanaf maar het is net iets minder. Zou je er naar willen kijken? Het bedrag is € 33.160,10 dat nog open staat.

2.6.

[gedaagde] heeft de 3e termijn deels voldaan, op een bedrag van € 8.297,25 na.

2.7.

Bij e-mail van 5 december 2018 heeft BBL een factuur voor de laatste (4e)termijn van 10% voor oplevering inclusief meer- en minderwerk gestuurd aan [gedaagde] . In de e-mail staat verder vermeld:
We gaan het einde naderen van de verbouwing. Ik heb de meer en minderwerk even op een rijtje gezet in de bijlage.
Verschil met de vorige lijst is:
Vuilcontainer extra (nummer 8)
Deur babykamer omdraaien
Stucwerk in mindering gebracht.
In de bijlage ook de laatste termijn van 10% voor oplevering inclusief meer en minderwerk conform bovenstaand overzicht.
Voor de laatste termijn staat dan nog een bedrag van € 2308,14 open zie factuur.
Je hebt van de vorige factuur 18010234 tot nu toe € 25.000,00 overgemaakt, graag ontvang ik nog het resterend bedrag á € 8297,25 inclusief btw nog voor vrijdag.
Vrijdag kan [XX] dan nog komen om de laatste klusjes te komen doen.
Hij gaf aan dat hij met jou besproken had dat je de deurtjes zelf zou boren en monteren, resterende deuren had hij al wel gemonteerd op koelkast en vaatwasser.
Graag maak ik voor vrijdag ook een afspraak om de elektra op te leveren, hoe laat schikt het voor jou?’.

2.8.

Bij e-mail van 10 december 2018 heeft [gedaagde] hierop als volgt gereageerd:
Hierbij nog de lijst met openstaande punten:
* Hoekje in de slaapkamer bij het dak dichtmaken
* Badkamer; sifon plaatsen en glazen pui douche lekt nog
* Dak afmaken
* Elektriciteitskast maken
* Wc deur beneden raampjes dichten
* Raampje wc maken
* Kleuren tegelvoegsel badkamer en wc’s donker maken
* Dimmers licht keuken omdraaien
* Container legen
* Troep buiten opruimen en bouwspullen (hout etc.) meenemen; muur voorkant huis
schoonmaken
* Raambeveiliging Axa staat voor 1104,58 euro in de offerte. Voor dat bedrag had ik
volledig nieuwe sluiters verwacht en niet alleen een slotje.
* Afzuigers wc en badkamer staat voor 449,74 euro in de offerte maar zal alleen het kapje
zijn.’.

2.9.

Bij e-mail van 11 januari 2019 heeft BBL het volgende aan [gedaagde] bericht:
Zoals gisteren telefonisch besproken pas ik de het btw tarief voor aanbrengen van de isolatie aan van 21% btw naar 6% btw. Het btw tarief is inderdaad van toepassing op de arbeid van het aanbrengen van isolatie en was in de hoofdbegroting niet meegenomen tijdens het calculatieproces. (..). Totaal bedraagt van het te verrekenen verschil € 222,00 btw voordeel.
De voorgaande lijst van 10-12-2018 had [XX] nog die week afgerond.
gisteren heeft [XX] de deuren aangepast en sloten vervangen en sluitbaar gemaakt.
Ik begreep gisteren dat je nog een aantal punten hebt, graag ontvang ik die zodat we het project kunnen afronden.
Graag maak ik nog een afspraak bij jullie om alles even door te lopen, begin volgende week heb ik tijd, ik hoor graag wat jullie schikt.’.

2.10.

Op 1 februari 2019 is [YY] (hierna: [YY] ), directeur BBL, langs geweest bij [gedaagde] . De schilder was daar ook bij. De bedoeling was het meer- en minderwerk en de afronding van de werkzaamheden te bespreken, maar het gesprek is op niets uitgelopen.

2.11.

Bij e-mail van 20 februari 2019 heeft BBL het volgende aan [gedaagde] bericht:
‘(..) Verder in de bijlage de begroting aangepast met verlaagd btw en aangevuld met meer en minderwerkzaamheden en bijgevoegd eindfactuur. (..)
Op de mail van vorige week gestuurd van de administratie is geen reactie geweest van jullie, er staat nog steeds een groot bedrag open van het niet volledig betaald factuur van de 3e termijn.
(..)
De reden van onze afspraak was om meer en minderwerken door te spreken waarbij ik de aanpassingen zou toelichten, waaronder het doorgevoerde verlaagde btw bedrag wat overigens in de overeengekomen en ondertekende offerte stond.
Ik ben nog steeds in de veronderstelling dat we met een goed gesprek het project voor beide partijen kunnen afronden, dit is in ieder geval wel mijn uitgangspunt en mijn vraag of dit voor jullie ook nog bespreekbaar is.
Verder ben ik gebeld door [ZZ] , die willen morgen het kozijn plaatsen, gevraagd is of wij hier bij kunnen zijn om de platen weg te halen en een strook rubber neer te leggen.
Uiteraardis dit mogelijk indien het nog openstaande bedrag van de 3e termijn wordt voldaan.
(..)
Verder heb ik de schilder gesproken, die wil de werkzaamheden verder ook afmaken, dit in goed overleg met hem, daar blijf ik dan verder buiten.
Graag hoor ik jullie reactie omtrent bovenstaand.’.

2.12.

Bij brief van 5 maart 2019 heeft [gedaagde] – samengevat – op voormelde e-mail van BBL gereageerd, waarbij aangegeven is dat hij zeer ontevreden is over de gang van zaken. Het werk is niet afgerond, het meer/minderwerk is niet correct berekend, de btw-berekening was niet correct, het stuc- en schilderwerk vertoont gebreken, geen deadline is gehaald, er is schade door lekkage, het voegwerk is niet conform kleur en er is een aantal genoemde werkzaamheden niet verricht. Aan BBL wordt verzocht om de werkzaamheden in een strak tijdschema alsnog na te komen en BBL krijgt tot 11 maart 2019 om een planning aan te leveren. Bij gebreke waarvan BBL in verzuim verkeert en [gedaagde] zich vrij acht verdere maatregelen te nemen, waarbij wordt aangekondigd dat een deskundige zal worden ingeschakeld om de schade op te nemen, naar aanleiding waarvan schade zal worden gevorderd en de aannemingsovereenkomst zal worden ontbonden. Daarnaast zal een ander aannemingsbedrijf opdracht krijgen om de resterende werkzaamheden uit te voeren. Betaling van het nog openstaande bedrag van € 8.297,50 wordt opgeschort.

2.13.

Bij brief van 11 maart 2019 heeft BBL hierop gereageerd. Samengevat betwist zij de gestelde tekortkomingen en doet zij het voorstel een aantal werkzaamheden door BBL te verrichten ter afronding, alsmede een aantal door de schilder nog uit te voeren werkzaamheden, onder de voorwaarde dat [gedaagde] eerst het resterende deel van de derde termijn (€ 8.297,25 inclusief btw) voldoet.

2.14.

Bij brief van 31 maart 2019 heeft [gedaagde] op het voorstel gereageerd. Hij stelt –samengevat – dat de door BBL voorgestelde nog te verrichten werkzaamheden niet voldoen en somt een (niet-limitatief) aantal tekortkomingen van BBL op. Daarnaast stelt hij dat het schilderwerk is georganiseerd via BBL; de aanneming en betaling is via BBL gegaan. Het schilderwerk dient dus op rekening van BBL te komen. Hij betwist in schuldeisersverzuim te verkeren en dat de algemene voorwaarden (AVA 2013) hem ter hand zijn gesteld, zodat deze niet van toepassing zijn.

2.15.

Op 4 juni 2020 heeft [gedaagde] Bureau voor Bouwpathologie B.V. een onderzoek laten doen, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport d.d. 29 juni 2020.

3 De vordering

3.1.

BBL vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 8.523,17 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente + 2% over € 8.297,25 vanaf
16 november 2018, over € 28,09 inclusief btw vanaf 15 februari 2019 en over € 197,83 inclusief btw vanaf 6 maart 2019 tot de dag van algehele voldoening. Daarnaast vordert BBL veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en van de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na datum vonnis.

3.2.

Zij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat met [gedaagde] een aanneemsom is overeengekomen, te betalen in 4 termijnen, waarbij [gedaagde] zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst niet is nagekomen. Hij heeft de derde termijnfactuur deels onbetaald gelaten en ook beide eindafrekeningen, d.d. 1 februari 2019 (€ 28,09) en 20 februari 2019 (€ 197,83), zijn ondanks aanmaningen niet voldaan.

4 Het verweer en de voorwaardelijke vordering in reconventie

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat BBL haar werkzaamheden niet of niet deugdelijk heeft uitgevoerd en dat de facturen fouten bevatten. Hij heeft de betaling opgeschort ter verrekening met de schade, die is veroorzaakt door de gebreken in de uitvoering van de werkzaamheden door BBL.

4.2.

[gedaagde] vordert, na wijziging van eis, bij wijze van voorwaardelijke tegenvordering, dat de kantonrechter BBL veroordeelt tot betaling van:
a) € 957,11 in verband met minderwerk (lift was niet aanwezig, wel gefactureerd)
b) € 3.647,00 in verband met niet (deugdelijk) uitgevoerd stucwerk
c) € 8.100,00 in verband met niet (deugdelijk) uitgevoerd schilderwerk
d) € 2.000,00 in verband met gebrekkig voegwerk
e) € 600,00 aan schadevergoeding wegens lekkage
f) € 7.000,00 aan schadevergoeding wegens te hoog stelkozijn van de pui,
te vermeerderen met de wettelijke rente over de bedragen genoemd onder a) tot en met f) vanaf 11 maart 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;
Daarnaast vordert [gedaagde] betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 979,20 en de proceskosten.

4.3.

Hij legt aan de tegenvordering ten grondslag – kort weergegeven – dat hij als gevolg van de gebreken in de uitvoering van het werk schade lijdt. Deze schade bestaat uit het niet uitgevoerde werk van BBL dat alsnog moet worden verricht en het herstel van de schade die door haar is veroorzaakt. [gedaagde] verwijst daarbij naar het rapport van Bureau voor Bouwpathologie B.V. van 29 juni 2020. [gedaagde] stelt dat BBL ook verantwoordelijk was voor het stuc- en schilderwerk, dat volgt uit Whatsapp-berichten waarin partijen spreken over dat werk.

5 De beoordeling

5.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

5.2.

De kantonrechter overweegt allereerst dat, voor zover [gedaagde] heeft aangevoerd dat de algemene voorwaarden (AVA) niet van toepassing zijn, dit verweer faalt. Zoals blijkt uit producties 2 en 4 bij dagvaarding hebben partijen voor het aangaan van de overeenkomst per e-mail gecorrespondeerd over de offerte, waarbij BBL nadrukkelijk heeft verwezen naar de AVA, die van toepassing zijn verklaard en ook zijn meegezonden. Daarna heeft [gedaagde] zijn akkoord gegeven. [gedaagde] heeft aldus voldoende gelegenheid gekregen kennis te nemen van de door BBL gehanteerde algemene voorwaarden.

5.3.

Het staat vast dat partijen een overeenkomst van aanneming hebben gesloten als bedoeld in artikel 7:750 e.v Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij partijen een vaste aanneemsom zijn overeengekomen welke in 4 termijnen aan [gedaagde] is gefactureerd. Het staat voorts vast dat [gedaagde] de derde termijn niet geheel heeft voldaan, terwijl op dat moment nog geen sprake was van een (eind)oplevering door BBL. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij zijn betaling heeft opgeschort, omdat het gebrek aan voortgang ronduit teleurstellend was en hij kreeg in die periode geen duidelijk beeld van in rekening gebracht meer- en minderwerk.

5.4.

De eerste vraag die voorligt is of [gedaagde] zich met recht kon beroepen op opschorting van de betaling van het restantbedrag van de derde termijn. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Voorwaarde voor opschorting is dat de wederpartij een opeisbare verbintenis niet nakomt. Het vereiste van opeisbaarheid (art. 6:52 BW) brengt mee dat aan degene die als eerste moet presteren geen opschortingsbevoegdheid toekomt. Aan [gedaagde] kwam geen opschortingsbevoegdheid toe eind november / begin december 2018. Partijen zijn overeengekomen dat de aanneemsom in termijnen zou worden betaald, daar kan [gedaagde] aan worden gehouden. Het is onduidelijk gebleven welke opeisbare verbintenis voorafgaand aan die opschorting door BBL niet was nagekomen. Er was op dat moment nog geen sprake was van een laatste termijn, de afrekening van meer- en/of minderwerk vindt plaats bij de afronding van de werkzaamheden en daarvan was nog geen sprake, en ook overigens is niet gebleken dat [gedaagde] eind november 2018 gegronde reden had om meer dan 5% van de aanneemsom in te houden (zie ook artikel 7:768 BW). [gedaagde] heeft weliswaar op 10 december 2018 een lijst met ‘openstaande punten’ ge-e-maild aan BBL, maar die e-mail is een reactie op de sommatie van BBL van 5 december 2018 en overigens legt hij in die e-mail geen verband met de betaling van de factuur van de derde termijnbetaling. Voor opschorting bestond geen reden. Er was op dat moment geen aanwijzing dat BBL niet op die lijst zou reageren; BBL heeft gesteld dat zij die punten ook heeft opgepakt. Daarbij geldt dat op dat moment reeds sprake was van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen aan de zijde van [gedaagde] , die de betalingstermijn had laten verstrijken. Ook na de sommatie van 5 december 2018 heeft [gedaagde] het restant van de derde termijn niet betaald.

5.5.

BBL heeft gesteld dat nadat zij de punten genoemd in de e-mail van 10 december 2018 heeft uitgevoerd, en betaling toch uitbleef, de verdere afronding van haar werkzaamheden heeft opgeschort. De kantonrechter is van oordeel dat, nu [gedaagde] in verzuim is geraakt met de tijdige en volledige betaling van de overeengekomen termijn(en), BBL bevoegd was tot opschorting van haar werkzaamheden. Desalniettemin heeft BBL zich in haar e-mail van 11 januari 2019 bereid verklaard om tot afronding te komen en te spreken over de andere opleverpunten van [gedaagde] , indien het openstaande bedrag zou worden voldaan.
Bij e-mail van 5 december 2018 had BBL reeds aangegeven dat zij een afspraak wilden maken om de elektra op te leveren en bij e-mail van 11 januari 2019 is aangegeven dat BBL begrijpt dat er nog een lijst met punten is, die BBL graag ontvangt, waarvoor de week erna een afspraak gemaakt kan worden om het project te kunnen afronden. Daarmee heeft BBL aangegeven dat het werk klaar is om opgeleverd te worden, op een aantal punten na (zie ook artikel 7:758 BW). Uit voornoemd wetsartikel volgt dat het vervolgens aan de opdrachtgever is om het werk binnen een redelijke termijn te keuren en het werk al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van de gebreken weigert, bij gebreke waarvan de opdrachtgever geacht kan worden het werk stilzwijgend te hebben aanvaard.

5.6.

Partijen hebben een afspraak gemaakt voor 1 februari 2019, waarbij tevens de schilder aanwezig was. Tot een eindoplevering is het niet gekomen, omdat [gedaagde] in dat gesprek diverse verwijten heeft gemaakt aan het adres van BBL, waaronder de beschuldiging van oplichting. BBL heeft vervolgens bij e-mail van 20 februari 2019 de eindfacturen verzonden.

Na ontvangst van de eindfacturen heeft [gedaagde] op 5 maart 2019 BBL aangeschreven met vermelding welke werkzaamheden nog moeten worden verricht en BBL een termijn gesteld (zes dagen) voor het aanleveren van een planning voor deze werkzaamheden. BBL heeft op 11 maart 2019 geantwoord en een voorstel tot planning gestuurd, maar heeft herhaald dat voordat zij nog werkzaamheden zou verrichten eerst de derde termijnfactuur diende te worden voldaan. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft BBL deze voorwaarde bevoegd gesteld. Zij heeft [gedaagde] verder tot 18 maart 2019 de gelegenheid gegeven hierop te reageren. [gedaagde] heeft bij brief van 31 maart 2019 gereageerd, maar herhaalt daarin de punten uit zijn brief van 5 maart 2019, terwijl niet wordt ingegaan op het voorstel van BBL noch is [gedaagde] tot betaling overgegaan.
heeft daarna niets meer ondernomen. Nu is vastgesteld dat BBL bevoegd was om haar (afrondende) werkzaamheden op te schorten, lag het op de weg van [gedaagde] om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen en vervolgens BBL in de gelegenheid te stellen om de laatste opleverpunten na te lopen en zo nodig te herstellen. Dat [gedaagde] er voor gekozen heeft om dit na te laten moet dan ook voor zijn rekening en risico blijven.
Dit betekent dat de vordering in conventie, tot betaling van de openstaande facturen, vermeerderd met de overeengekomen rente, voor toewijzing gereed ligt.

5.7.

Nu de vordering in conventie zal worden toegewezen, komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van de door [gedaagde] ingestelde voorwaardelijke tegenvordering. [gedaagde] vordert vergoeding van schade. Eerst nadat BBL haar vordering tot betaling van de openstaande facturen bij de kantonrechter aanhangig heeft gemaakt, heeft [gedaagde] deze vordering ingesteld, waarbij hij zich op het standpunt stelt dat de meer/minderwerk-afrekening niet juist zou zijn en dat werkzaamheden niet, dan wel gebrekkig zijn uitgevoerd. Daartoe is verwezen naar een rapport van het Bureau voor Bouwpathologie B.V. van 29 juni 2020. BBL heeft de vordering betwist. Ten aanzien van het “liften” heeft BBL aangevoerd dat deze werkzaamheden wel degelijk zijn uitgevoerd, van het plaatsen van een “lift” was geen sprake dus dat betreft geen minderwerk. Ten aanzien van het schilderwerk en het stucwerk heeft BBL aangevoerd dat dit uit de geaccordeerde offerte was gehaald en ook niet door haar in rekening is gebracht. Ten aanzien van het voegwerk heeft BBL aangevoerd dat dit vooraf was getoond aan [gedaagde] en akkoord bevonden, waarbij genoemd Bureau nog aangeeft dat sprake is van een gebrek van esthetische aard en een hersteladvies dus niet proportioneel is. Ten aanzien van de lekkage betwist BBL dat dit een gebrek is waarvoor zij aansprakelijk is noch dat het schade heeft geleid; de dakpan die scheef lag is recht gelegd. Ten aanzien van het kozijn voert BBL aan dat [gedaagde] dit aan een derde ( [ZZ] ) heeft opgedragen onder eigen verantwoordelijkheid, zij heeft alleen het stelkozijn geplaatst en dat is aanvaard.

5.8.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 5.4.-5.6. reeds is overwogen (voor zover [gedaagde] afwerking van werkzaamheden vordert), overweegt de kantonrechter dat de vordering in reconventie niet kan slagen. [gedaagde] heeft, tegenover het gemotiveerde verweer van BBL, onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat BBL verantwoordelijk is voor het schilderwerk en het stucwerk, waarvan vaststaat dat het uit de geaccordeerde offerte was gehaald en ook niet in rekening is gebracht door BBL. Het enkele feit dat er overleg heeft plaatsgevonden over werkzaamheden bij een dergelijk omvangrijke verbouwing, is onvoldoende om aan te nemen dat het stuc- en schilderwerk in onderaanneming door BBL is verricht. Evenmin is voldoende gesteld om te kunnen oordelen dat BBL verantwoordelijk was voor de scheve dakpan en daarmee de gestelde waterschade. Voorts is duidelijk geworden dat het kozijn in opdracht van [gedaagde] is geplaatst door een derde en dat voorafgaand aan de plaatsing daarvan het stelkozijn is geaccepteerd door [gedaagde] . [gedaagde] kan ook niet eerst 2 jaar na dato aanvoeren dat er thans sprake is van een gebrek dat moet worden hersteld. Ten aanzien van het “liften” heeft [gedaagde] niet, althans onvoldoende gesteld om het verweer van BBL te passeren. Dit geldt evenzeer voor het voegwerk. Uit het rapport volgt dat geen exacte kleurkeuze is gemaakt door [gedaagde] , zodat niet is komen vast te staan dat een fout is gemaakt en geldt overigens dat uit het overgelegde rapport niet blijkt dat er sprake is van een schade die voor vergoeding in aanmerking komt.

5.9.

De conclusie is dat de vordering in reconventie voor afwijzing gereed ligt.

5.10.

In conventie heeft BBL nog vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. BBL heeft de werkzaamheden noch de kosten gespecificeerd, zodat de conclusie moet zijn dat deze vordering als onvoldoende bepaald moet worden afgewezen.

5.11.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. De gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten worden toegewezen als na te melden. Over de nakosten wordt geen rente toegewezen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 8.523,17 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente + 2% over € 8.297,25 vanaf 16 november 2018, over € 28,09 inclusief btw vanaf 15 februari 2019 en over € 197,83 inclusief btw vanaf 6 maart 2019 tot de dag van algehele voldoening;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van BBL tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 83,52
griffierecht € 499,00
salaris gemachtigde € 600,00,
te vermeerderen met de wettelijke rente hierover te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis;

6.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de nakosten die worden begroot op € 120,00, voor zover deze kosten daadwerkelijk door BBL worden gemaakt;

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst de vordering voor het overige af;

de tegenvordering

6.6.

wijst de vordering af;

6.7.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van BBL tot en met vandaag vaststelt op € 360,00 aan salaris gemachtigde;
6.8. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. de Vries, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter