Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7091

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5132
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

4:6 Awb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/5132

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser terug te komen van de besluiten van 25 juni 1996 en 13 september 2001 afgewezen.

Bij besluit van 17 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting zou plaatsvinden op 27 maart 2020, maar als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus heeft deze zitting geen doorgang gevonden.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Verweerder heeft desgevraagd gebruik gemaakt van de gelegenheid schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken, en eiser heeft daarop gereageerd.

Daarna heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiser ontving vanaf 30 januari 1985 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2

Bij besluit van 25 juni 1996 heeft verweerder de uitkering van eiser met ingang van 1 juli 1996 berekend naar een mate van 65 tot 80%. Eiser heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.

1.3

Bij besluit van 13 september 2001 heeft verweerder de uitkering van eiser met ingang van 14 oktober 2001 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Het daartegen gerichte bezwaar van eiser heeft verweerder bij besluit van 27 februari 2002 ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen geen beroep ingesteld.

1.4

Bij besluit van 13 december 2011 heeft verweerder de WAO-uitkering van eiser met ingang van 2 november 2011 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.5

Met ingang van [datum] 2015 ontvangt eiser ouderdomspensioen op grond van de AOW.

2.1

Eiser heeft op 22 maart 2019 verweerder verzocht om terug te komen op het besluit van 13 september 2001, en misschien eerder. Verweerder heeft het verzoek van eiser opgevat als een verzoek om terug te komen op de besluiten van 25 juni 1996 en 13 september 2001.

2.2

In zijn verzoek heeft eiser gewezen op de diagnose cervicale stenose met myelopathie die bij hem in 2011 gesteld is en waarvoor hij op 5 oktober 2011 een operatie heeft moeten ondergaan. Deze diagnose biedt volgens eiser een verklaring voor de ernstige nekklachten die hij in de periode daarvoor ook al had.

3. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe medische feiten of omstandigheden. Hij heeft er daarbij op gewezen dat de informatie, die eiser bij zijn verzoek heeft gevoegd, in 2011 al bekend was bij verweerder. Verweerder heeft vervolgens besloten zoals weergegeven in het procesverloop.

4. Eiser heeft aangevoerd dat de diagnose in 2011 wel degelijk een nieuw feit is en dat de artsen van verweerder in 2001 uitgegaan zijn van een onjuiste diagnose. Eiser heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de diagnose die in 2011 gesteld is ook reeds aan de orde was in 2001.

5. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de in 2011 gestelde diagnose geen novum is, maar dat het gaat om een veranderd beeld bij een reeds bekende nekaandoening. Dat blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook uit de rapportage van de verzekeringsarts van 11 november 2011, waarin de verzekeringsarts vermeld heeft dat eiser bekend is met nekklachten. Het gaat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dus om een verergering van klachten en beperkingen bij een al bestaande nekaandoening.

6.1

Heeft het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb afgewezen, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn én of wat is aangevoerd leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is (ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

6.2

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

6.3

Naar aanleiding van een verzoek van de rechtbank daartoe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 27 mei 2020 nog een nadere toelichting verstrekt. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de in oktober 2011 gestelde diagnose weliswaar als een nieuw gegeven te beschouwen, maar kan dit niet als een nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb worden aangemerkt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij opgemerkt dat de in het geding gebrachte medische gegevens geen betrekking hebben op de datum van de oorspronkelijke beslissingen. Zowel in 1996 als in 2001 heeft de verzekeringsarts rekening gehouden met de klachten en het klinisch beeld zoals toen is vastgesteld en deze vertaald naar de functionele mogelijkheden van eiser.

6.4

De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser overgelegde medische informatie niet kan worden afgeleid dat de medische situatie van eiser zoals deze in 2011 werd geconstateerd ook reeds aan de orde was in 1996 dan wel 2001. De stelling van eiser dat door de diagnose in 2011 bleek dat eerder een verkeerde diagnose was gesteld en dat de nieuwe diagnose volgens de behandelend arts de oorzaak was van alle problemen, is daartoe onvoldoende. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat de verzekeringsartsen destijds, in 1996 en 2001, wel hebben onderkend dat bij eiser sprake was van nekklachten en dat zij in verband daarmee ook beperkingen hebben aangenomen. Tevens heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts in zijn rapportage van 11 november 2011 heeft geconcludeerd dat sprake was van een toename van de beperkingen vanaf 5 oktober 2011. De verzekeringsarts heeft overwogen dat de toename mogelijk op een eerdere datum is ontstaan en heeft mede daarom informatie bij de huisarts opgevraagd. De van de huisarts ontvangen informatie heeft de verzekeringsarts er in 2011 echter niet toe gebracht uit te gaan van een eerdere datum van toename van de beperkingen. Dat de diagnose cervicale stenose met myelopathie niet eerder dan in 2011 aan de orde was, is door de verzekeringsarts daarmee overtuigend gemotiveerd.

Dit leidt tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Wat door eiser is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De beroepsgronden treffen daarom geen doel.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 16 september 2020 door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.