Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7070

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
C/15/292242 / FA RK 19-4575
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank wijst verzoek om partnerbijdrage van de vrouw af, ondanks dat de man over beperkte draagkracht daarvoor beschikt. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat de man de echtelijke woning kan behouden, zodat de kinderen bij de man in een vertrouwde omgeving verblijven. Verder acht de rechtbank van belang dat de man vanuit de echtelijke woning een bedrijf voert en daar gereedschap opslaat. De man dient voor het overnemen van de echtelijke woning een nieuwe hypotheek af te sluiten (deels annuïtair) en is dan niet meer in staat om op basis van zijn inkomen een partnerbijdrage te voldoen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2020/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/15/292242 / FA RK 19-4575 en C/15/297315 / FA RK 19-7227

Beschikking d.d. 9 september 2020 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. L.N. Hermes, gevestigd te Noord-Scharwoude,

tegen

[de man] ,

wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.J.C. Engels, gevestigd te Heerhugowaard.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 8 augustus 2019;

- een akte wijziging verzoekschrift, van de vrouw, ingekomen op 25 september 2019;

- het verweerschrift van de man, ingekomen op 31 oktober 2019;

- het verweerschrift ter zake akte wijziging verzoekschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 14 november 2019;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 10 december 2019;

- een akte wijziging en aanvulling verzoekschrift tevens akte overlegging producties van de vrouw, ingekomen op 24 juli 2020;

- een verweerschrift wijziging en aanvulling verzoekschrift onderhoudsbijdragen, met bijlagen, van de man, ingekomen op 11 augustus 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2020.

Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten verschenen.

1.3.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 14 november 2019 heeft de rechtbank bepaald dat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd. Verder is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld en is bepaald dat de man aan de vrouw een kinderbijdrage dient te betalen van € 287,-- per kind per maand.

1.4.

Bij beschikking van deze rechtbank van 23 juni 2020 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de Jeugd- & Gezinsbeschermers te Alkmaar.

2. De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] te [plaats] .

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] en

- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .

2.3.

Scheiding

2.3.1.

De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De man heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist.

2.3.2.

Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).

Door de vrouw is een eenzijdig ondertekend ouderschapsplan overgelegd. De vrouw heeft gesteld dat het partijen niet is gelukt om in onderling overleg tot afspraken te komen. Bij beschikking van 23 juni 2020 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. Nu de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.4.

Verblijfplaats

2.4.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar zal zijn. De man heeft thans verzocht het verzoek van de vrouw toe te wijzen.

2.4.2.

De rechtbank zal het verzoek toewijzen, nu dit in het belang van de kinderen wordt geacht.

2.5.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.5.1.

Beide partijen hebben verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen.

2.5.2.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen naar voren gebracht dat zij het eens zijn over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, behoudens de aanvangstijden en eindtijden.

2.5.3.

De rechtbank zal een zorgregeling vaststellen waarbij de kinderen in de oneven weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven, nu de zorgregeling feitelijk al op deze wijze loopt en de kinderen hieraan zijn gewend. De rechtbank zal de zorgregeling op woensdag vaststellen, in die zin dat de kinderen van 17.00 uur tot 19.30 uur bij de man verblijven. De kinderen zijn gewend aan deze aanvangstijd en dit is ook haalbaar voor de man. De eindtijd wordt vastgesteld op 19.30 uur in verband met de bedtijd van [minderjarige 3] .

De rechtbank zal voor de zomervakantie een regeling vaststellen waarbij de kinderen drie aaneengesloten weken bij de man verblijven. Het is aan de man om de vrouw tijdig in te lichten als de situatie met de drie kinderen te zwaar wordt. In onderling overleg dienen partijen te bezien of het nodig is dat [minderjarige 3] eerder naar de vrouw gaat.

Partijen zijn het eens over de zorgregeling zoals door de vrouw is verzocht voor wat betreft de kerstvakantie, Pasen en Pinksteren. De rechtbank beslist als na te melden.

2.6.

Onderhoudsbijdragen

2.6.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderbijdrage) van na wijziging € 309,-- per kind per maand en een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 235,-- bruto per maand vast te stellen.

2.6.2.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd en verzocht de kinderbijdrage vast te stellen op € 270,-- per kind per maand. De man heeft verzocht het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een partnerbijdrage af te wijzen.

Kinderbijdrage

behoefte

2.6.3.

De rechtbank heeft op grond van het verhandelde ter zitting vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de naar 1 januari 2020 geïndexeerde behoefte van de kinderen

€ 433,-- per kind per maand bedraagt. Deze behoefte zal de rechtbank dan ook als uitgangspunt nemen.

draagkracht van partijen

2.6.4.

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of partijen over voldoende draagkracht beschikken om elk hun aandeel in deze behoefte te kunnen betalen.

2.6.5.

Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna: Tremarapport) van 2020, vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 975]. Deze benadering houdt in dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 975,-- per maand aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Voor inkomens beneden een NBI van

€ 1.660,-- per maand zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

2.6.6.

De man heeft een eigen onderneming [onderneming] . De man heeft blijkens de overgelegde jaarstukken in 2017 een winst gerealiseerd van € 65.676,-- en in 2018 een winst van € 62.397,--. In 2019 heeft de man een winst gerealiseerd van € 31.273,--. De gemiddelde winst over drie jaren bedraagt dan € 53.115,-- per jaar.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen rekening moet worden gehouden met het huidige inkomen van de man, nu dit niet representatief is. De vrouw is van mening dat de man altijd kostwinner is geweest en dat hij er alles aan had moeten doen om zijn inkomen te behouden. Volgens de vrouw heeft de man nadat partijen uit elkaar gingen, zijn werk voor zijn vaste opdrachtgever gestopt en heeft hij langdurig niet gewerkt. De vrouw vindt dat de man hierdoor zelf heeft aangestuurd op een inkomensdaling, hetgeen voor de rekening van de man dient te komen. De man heeft dit gemotiveerd betwist.

De rechtbank heeft ter zitting waargenomen dat er sprake is van grote spanningen tussen partijen en dat gebleken is dat de vrouw inmiddels mede daardoor gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geworden. De rechtbank gaat ervan uit dat de man terecht stelt dat deze spanningen ook effect hebben op zijn functioneren, en dat er mede daardoor minder werk uit zijn handen komt. De rechtbank gaat ervan uit dat dit ook effect heeft op zijn verdiencapaciteit. De rechtbank zal dan ook rekening houden met de feitelijk door de man gerealiseerde winst in 2019.

Uitgaande van de hiervoor genoemde gemiddelde winst van € 53.115,-- per jaar en rekening houdend met de aanspraak van de man op de zelfstandigenaftrek en de MKB- winstvrijstelling, alsmede de algemene heffingskorting en de arbeidskorting bedraagt zijn NBI € 3.377,-- per maand.

Op grond van de draagkrachtformule bedraagt zijn draagkracht dan € 972,-- per maand.

2.6.7.

De vrouw heeft op dit moment nog een inkomen van gemiddeld € 510,70 bruto per maand bij het [naam ziekenhuis] en een inkomen van gemiddeld € 819,08 bruto per maand bij [naam hospice] . Verder ontvangt de vrouw € 5.677,-- per jaar aan kindgebonden budget. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de vrouw op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt haar NBI € 1.780,-- per maand.

2.6.8.

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw heeft verzuimd om te vermelden dat zij op bestelling zogenaamde troostdekens maakt. De man meent dat met deze inkomsten rekening moet worden gehouden. De man heeft deze extra inkomsten gesteld op

€ 600,-- à € 700,-- per stuk en daarnaast gesteld dat zij minimaal eenmaal per maand een troostdeken verkoopt. Verder heeft de man naar voren gebracht dat de vrouw mogelijkerwijs ook haar verdiencapaciteit zou kunnen optimaliseren door een uitbreiding van haar contracturen, welke inkomsten kunnen worden aangevuld door de extra inkomsten van de vrouw door de verkoop van troostdekens.

2.6.9.

De vrouw heeft dit betwist en tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij af en toe een troostdeken maakt en verkoopt, maar dat dit het afgelopen jaar twee keer is geweest en dat zij hiervoor in totaal € 700,-- heeft gekregen. Het bedrag heeft zij gebruikt voor de vakantie van haarzelf, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Verder heeft de vrouw naar voren gebracht dat zij momenteel arbeidsongeschikt is en van het UWV een toekenningsbesluit heeft ontvangen.

2.6.10.

De rechtbank zal geen rekening houden met een hogere verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw, nu de vrouw – gezien haar arbeidsongeschiktheid – op dit moment niet in staat is om haar uren uit te breiden en er geen sprake is van substantiële inkomsten door de verkoop van troostdekens.

Op grond van de draagkrachtformule bedraagt haar draagkracht dan € 190,-- per maand.

draagkrachtvergelijking

2.6.11.

De gezamenlijke draagkracht van partijen is € 1.162,-- per maand. Nu deze gezamenlijke draagkracht lager is dan de totale behoefte van de kinderen van € 1.299,-- per maand kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. Partijen worden in dat geval immers geacht hun volledige draagkracht te benutten om zoveel mogelijk in de behoefte van de kinderen te voorzien.

zorgkorting

2.6.12.

Op het berekende aandeel dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. De rechtbank volgt ook in dit opzicht het Tremarapport, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Beide partijen gaan uit van een percentage van 15%. De rechtbank zal hiermee rekening houden.

Omdat de behoefte € 433,-- per kind per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 65,-- per kind per maand (totaal € 195,-- per maand). De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan de kinderen bij de uitoefening van zijn zorgtaken.

2.6.13.

Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van partijen gezamenlijk onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. In dit geval is de gezamenlijke draagkracht € 1.162,-- per maand, zodat er een tekort is van € 137,-- per maand. Het tekort wordt aan beide ouders voor de helft toegerekend, oftewel afgerond € 69,-- per maand. De man moet daarom in de kosten van de kinderen bijdragen met een bedrag van € 846,-- per maand (972 – (195 – 69), zijnde een bedrag van € 282,-- per kind per maand.

conclusie

2.6.14.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een kinderbijdrage voor de kinderen van € 282,-- per kind per maand aan de vrouw moet betalen.

Partnerbijdrage

behoefte

2.6.15.

De vrouw heeft haar behoefte op basis van de zogenaamde “hofnorm” gesteld op

€ 2.212,-- bruto per maand. De man is van mening dat uitgegaan moet worden van een behoeftelijst, voorzien van bewijsstukken, nu de hofnorm een algemene vuistregel is en derhalve veel minder concreet en nauwkeurig dan het toepassen van de methode van een behoeftelijst.

2.6.16.

De rechtbank heeft aanleiding gezien de behoefte van de vrouw te berekenen aan de hand van de hofnorm. De hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen gedurende de laatste jaren van het huwelijk en gaat uit van een daaraan gerelateerd uitgavenpatroon. De rechtbank gaat er daarbij van uit, nu niet anders is gebleken, dat partijen hun inkomen ten tijde van het huwelijk steeds (nagenoeg) volledig hebben besteed om in de kosten van hun levensonderhoud te voorzien. In een dergelijk geval biedt de hofnorm een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Deze maatstaf heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook (zie Gerechtshof Amsterdam 30 oktober 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4010).

2.6.17.

Gelet op de hiervoor onder 2.6.6. genoemde gemiddelde winst van de man, de aanspraak van de man op de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling, alsmede de heffingskortingen, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning, bedroeg zijn netto besteedbaar inkomen € 3.559,-- per maand. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedroeg, zonder het kindgebonden budget € 1.306,-- per maand. Het totale netto besteedbaar gezinsinkomen bedroeg dus € 4.865,-- per maand. Hierop dienen de kosten van de kinderen van € 1.299,-- netto per maand in mindering te worden gebracht. De behoefte van de vrouw bedraagt dan 60% van de resterende € 3.566,-- netto per maand, oftewel € 2.140,-- netto per maand in 2020. Op deze behoefte dienen de eigen inkomsten, de heffingskortingen en de inkomensafhankelijke zorgverzekeringswet van de vrouw in mindering te worden gebracht. Zoals hiervoor onder 2.6.10. is overwogen zal de rechtbank geen rekening houden met een hogere verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt dan ook € 1.572,-- bruto per maand.

draagkracht man

2.6.18.

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de man over voldoende draagkracht beschikt om bij te dragen in de aanvullende behoefte van de vrouw.

2.6.19.

Bij de beoordeling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de volgende, aan de stukken en het verhandelde ter zitting ontleende gegevens:

- de gemiddelde winst van € 53.115,-- bruto per jaar;

- de zelfstandigenaftrek van € 7.030,-- per jaar;

- de MKB-winstvrijstelling van € 6.452,-- per jaar;

- de bijtelling eigen-woningforfait van € 849,-- per jaar;

- de fiscaal aftrekbare hypotheekrente van € 5.936,-- per jaar;

- de hypothecaire aflossing van € 345,-- per maand;

- het forfait overige eigenaarslasten van € 95,-- per maand;

- de door de vrouw gestelde en onweersproken premie zorgverzekering van € 105,-- per maand en een eigen risico van € 33,-- per maand, waarbij rekening wordt gehouden met het in de bijstandsnorm verdisconteerde bedrag.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. De rechtbank houdt tevens rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent.

2.6.18.

Hieruit volgt dat de man een netto besteedbaar inkomen heeft van € 3.559,-- per maand en een draagkrachtloos inkomen van € 1.869,-- per maand. De draagkracht bedraagt dan € 1.690,-- per maand, waarvan 60% beschikbaar is voor een bijdrage, oftewel € 1.014,-- per maand. Hierop dienen de door de man te betalen kosten voor de kinderen van in totaal

€ 972,-- per maand in mindering te worden gebracht. De man heeft dan een resterende draagkracht voor een partnerbijdrage van € 42,- per maand.

De man heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij de echtelijke woning wenst over te nemen. De man heeft daartoe aangevoerd dat het voor de overname van de echtelijke woning van belang is dat hij geen partnerbijdrage hoeft te voldoen. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van partijen en de kinderen is dat de man de echtelijke woning kan overnemen, althans dat hij in staat wordt gesteld om daar alles aan te doen. De kinderen hebben dan een voor hen vertrouwde verblijfplaats en de man kan zijn spullen die hij nodig heeft voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden in de schuur blijven opslaan, zodat hij zijn werkzaamheden ongehinderd kan voortzetten en de inkomsten (die broodnodig zijn voor onder meer de kinderbijdrage) voortduren. Indien de man de woning kan overnemen dient hij de vrouw uit te kopen. De man dient alsdan een nieuwe hypotheek af te sluiten (deels annuïtair) en is dan niet meer in staat om op basis van zijn inkomen voornoemde partnerbijdrage te voldoen.

conclusie

2.6.19.

De man is niet in staat, naast de door hem te betalen kinderbijdrage, een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen.

2.6.20.

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt ten aanzien van het NBI van partijen en de draagkracht van de man. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht.

2.7.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.7.1.

De vrouw heeft thans verzocht te bepalen dat de huwelijksgoederengemeenschap wordt verdeeld conform hetgeen de vrouw in de akte wijziging verzoekschrift onder 14 tot en met 16 heeft verzocht.

2.7.2.

De man heeft naar voren gebracht dat hij gelijk de vrouw ten spoedigste tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden wenst over te gaan.

huwelijkse voorwaarden

2.7.3.

Partijen zijn met elkaar gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden.

In de akte huwelijkse voorwaarden van partijen van 28 augustus 2007 is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“uitsluiting

Artikel 1

De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit.

(……)

Beperkte verrekening bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Artikel 10

1. Bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding of bij scheiding van tafel en bed zal tussen de echtgenoten worden afgerekend alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. In deze verrekening worden echter niet betrokken:

- alle activa en passiva behorende tot de eigen onderneming van de betreffende echtgenoot/echtgenote;

- alle aandelen in een besloten vennootschap (….);

- alle roerende goederen behorende bij de inboedel waaronder begrepen de huisraad (…..);

- Premies en koopsommen van een levensverzekering (…..);

- de spaarsaldi voor zover deze op een bank- of girorekening staan die op één naam is gesteld;

- schulden aangegaan ter financiering (….);

- de kleding en sieraden als bedoeld in artikel 2;

(…..)”.

2.7.4.

De vrouw meent, door de man onweersproken, dat als peildatum voor de bepaling en de omvang van de zogenaamde huwelijksgoederengemeenschap dient te gelden de datum van indiening van het verzoekschrift, aldus 7 augustus 2019. De rechtbank zal hiervan uitgaan.

beperkte gemeenschappen

de echtelijke woning

2.7.5.

De vrouw is van mening dat de echtelijke woning dient te worden verkocht, nu beide partijen de woning niet kunnen overnemen. De vrouw heeft de waarde van de echtelijke woning thans gesteld op € 375.000,--. De opbrengst (verkoopprijs verminderd met hypothecaire leningen en overige verkoopkosten) dient bij helfte te worden verdeeld.

2.7.6.

De man wenst de voormalige echtelijke woning toebedeeld te krijgen. De man bestrijdt dat het thans door de vrouw overgelegde taxatierapport een accurate waardebepaling zou bevatten. De man wenst dat de woning aan hem wordt toebedeeld tegen een bedrag van

€ 345.000,--, nu hij reeds beschikte over een offerte waarbij hij een toereikende hypotheek zou kunnen verkrijgen.

2.7.7.

Tijdens de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over toedeling van de echtelijke woning aan de man. Tussen partijen is in geschil de waarde van de echtelijke woning. De man heeft de waarde van de woning gesteld op € 345.000,--. De vrouw heeft de waarde van de woning naar aanleiding van een taxatierapport van [Makelaarskantoor] van 24 april 2020 gesteld op € 375.000,--.

2.7.8.

Vaststaat dat de voormalige echtelijke woning op 24 april 2020 is getaxeerd op
€ 375.000,--. Dat de woning nog enige gebreken heeft, zoals de man heeft gesteld, is in het taxatierapport onderkend en vermeld. De rechtbank stelt de waarde van de voormalige echtelijke woning dan ook vast op € 375.000,--.

De man krijgt drie maanden na deze te geven beschikking de gelegenheid om een passende financiering rond te krijgen om de voormalige echtelijke woning tegen de door de rechtbank vastgestelde waarde over te nemen, waarbij de hypothecaire lening(en) voor rekening van de man worden gebracht, onder de voorwaarde dat de man de vrouw zal laten weten of de vrouw kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening(en), waarbij de vrouw recht heeft op de helft van de overwaarde.

Indien de man na het einde van voornoemde termijn niet heeft voldaan aan het hiervoor genoemde, dan dient de echtelijke woning door partijen te koop worden gezet, waarbij partijen hun medewerking zullen verlenen aan het verstrekken van een opdracht aan een makelaar tot verkoop van de woning. Beide partijen dienen hun medewerking te verlenen aan alle benodigde uitvoerings- en rechtshandelingen. Na de verkoop van de woning wordt na aflossing van de hypothecaire geldlening(en) en na aftrek van de verkoopkosten, de overwaarde tussen partijen bij helfte gedeeld.

de gezamenlijke bankrekeningen

2.7.9.

De vrouw is van mening dat de saldi van de gezamenlijke bankrekeningen per peildatum indiening verzoekschrift bij helfte dienen te worden gedeeld en vervolgens kunnen worden gesloten dan wel aan de man kunnen worden toebedeeld.

Volgens de vrouw betreft het twee bankrekeningen. Een gezamenlijke bankrekening met nummer [nr] met een saldo van € 8,-- en een gezamenlijke spaarrekening met nummer [nr] met een saldo van € 75,51.

De man gaat hiermee akkoord.

2.7.10.

Partijen zijn het erover eens dat de bankrekeningen worden voortgezet door de man, onder de verplichting om het saldo op de peildatum te weten 7 augustus 2019, bij helfte te verdelen, zodat dit onderdeel geen verdere bespreking behoeft.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [datum] ;

3.2.

bepaalt dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;

3.3.

bepaalt een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat de kinderen bij de man verblijven:

  • -

    in de oneven weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur

  • -

    op woensdag van 17.00 uur tot 19.30 uur;

  • -

    drie aaneengesloten weken in de zomervakantie;

  • -

    in de kerstvakantie de even jaren de eerste week en in de oneven jaren de tweede week;

  • -

    met Pasen in de oneven jaren en met Pinksteren in de even jaren.

3.4.

bepaalt dat de man € 282,-- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.5.

gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning aan de [adres] , zoals overwogen onder 2.7.8 van deze beschikking;

3.6.

gelast de wijze van verdeling in die zin dat de bankrekeningen met nummer [nr] en met nummer [nr] , worden voortgezet door de man, dan wel worden stopgezet, onder de verplichting om het saldo op de peildatum 7 augustus 2019 bij helfte te verdelen, dan wel bij een negatief saldo bij helfte te dragen;

3.7.

verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de kinderbijdrage en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden uitvoerbaar bij voorraad;

3.9.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.P van der Haak, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier G.S. Doornbosch op 9 september 2020.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt..