Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7023

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
15.036186.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak; niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het exploiteren van een hennepkwekerij, noch dat hij zich heeft gemaakt aan de medeplichtigheid daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.036186.20 (P)

Uitspraakdatum: 8 september 2020

Verstek

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

25 augustus 2020 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1]

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.F. van Kooij.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1
hij, op of omstreeks 9 oktober 2019 te Watergang, gemeente Waterland, tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten (in totaal) 732 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen
leiden:
een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 9 oktober 2019 te Watergang,
gemeente Waterland met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres 2] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 732, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 9 oktober 2019 te Watergang, gemeente Waterland, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

2
hij, in of omstreeks de periode 15 maart 2019 tot en met 9 oktober 2019 te Watergang, gemeente Waterland, (een hoeveelheid) water, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen water onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
3
hij, in of omstreeks de periode 17 maart 2019 tot en met 9 oktober 2019 te Watergang, gemeente Waterland, (een hoeveelheid) elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] zal toewijzen tot een bedrag van € 12.775,95 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.

3.2.

Vrijspraak

Met betrekking tot het feit onder 1 primair overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders.

Verdachte heeft verklaard dat hij het pand had gehuurd om een bedrijf in tweedehandskleding te beginnen, maar dat hij ziek werd en daarvan moest afzien. Begin 2019 heeft de verdachte het pand onderverhuurd aan een persoon afkomstig uit de Balkan, die hij in een café had ontmoet, waarvan hij de naam en woonplaats niet weet en die hem per maand € 3.800,00 huur betaalde. De huurpenningen werden door deze persoon middels een enveloppe in zijn brievenbus contant aan hem verstrekt, waarna hij deze huurpenningen op zijn bankrekening stortte en deze doorbetaalde aan de verhuurder. De verdachte zegt dat hij niet wist dat de persoon in het bedrijfspand een hennepkwekerij had ingericht. Naar eigen zeggen is de verdachte begin 2019 voor het laatst in het pand geweest om zijn spullen weg te halen.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

Met ingang van 1 december 2018 heeft verdachte het bedrijfspand gehuurd aan [adres 1] te Watergang voor € 3.327,50 per maand. Op 9 oktober 2019 werd in twee ruimtes van dit bedrijfspand door de politie een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

Uit de bankgegevens van de verdachte blijkt dat hij contant geld op zijn bankrekening heeft gestort en dat hij geld overmaakte aan de eigenaar van het bedrijfspand. Verdachte is in de periode waarin de kwekerij geacht wordt in het pand te hebben gezeten, niet gezien bij het bedrijfspand aan [adres 1] te Watergang. Het dossier bevat ook overigens geen informatie waaruit de aanwezigheid van verdachte in het pand in die periode aangenomen kan worden.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet blijkt van enig feit of omstandigheid dat de verdachte betrokken was bij de hennepkwekerij. Het enkele feit dat de verdachte een onverifieerbare verklaring heeft afgelegd is voor het aannemen voor betrokkenheid bij die hennepkwekerij niet voldoende, laat staan voor de vaststelling dat er bij die hennepkwekerij sprake was van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en mededaders. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict).

Om tot bewezenverklaring te komen van medeplichtigheid aan het opzettelijk plegen van een misdrijf door als huurder van een pand dat pand aan een derde ter beschikking te stellen, is dan ook vereist dat niet alleen bewezen wordt dat de opzet van verdachte gericht was op het bevorderen dan wel vergemakkelijken van dat misdrijf in de zin van artikel 48 Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, gericht was op het door die derde gepleegde misdrijf, in deze zaak hennepteelt.

De rechtbank stelt vast dat verdachte heeft aangegeven opzettelijk het door hem gehuurde pand ter beschikking te hebben gesteld middels onderverhuur aan een ander om zijn eigen huurkosten af te dekken en om daarnaast wat extra’s te verdienen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte door te handelen zoals hij handelde, opzet, al dan niet voorwaardelijk, heeft gehad op het gepleegde misdrijf, de hennepteelt.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat iemand die een ruimte (onder)(ver)huurt niet zomaar strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het faciliteren van een in die ruimte of een deel daarvan ingerichte hennepplantage. Een vereiste is, dat de (onder)verhuurder voldoende wetenschap heeft of had moeten hebben van wat zich daar in die beschikbaar gestelde ruimte afspeelt. Soms kan die wetenschap uit de omstandigheden worden afgeleid. Van dergelijke omstandigheden is hier niet gebleken. De enkele omstandigheid dat de verhuur onder dubieuze omstandigheden heeft plaatsgevonden, is niet voldoende voor het aannemen van de vereiste (voorwaardelijk) opzet.

Nu het dossier, zoals hierboven besproken, behalve een (dubieuze) onderverhuur, geen enkele concrete aanwijzing bevat dat verdachte voldoende wetenschap had (moeten hebben) dat in het pand een hennepkwekerij in werking was, kan niet worden vastgesteld dat verdachte, (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de hennepteelt. Dit betekent dat de rechtbank het onder 1 subsidiair tenlastegelegde niet bewezen acht en dat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de ten laste gelegde feiten onder 2 en 3:

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat verdachte onder 2 en 3 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat deze feiten direct verband houden met het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, blijkt uit niets dat verdachte zijn opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) was gericht op het gronddelict, te weten de exploitatie van een hennepkwekerij en, naar het oordeel van de rechtbank dus evenmin op de daarmee gepaard gaande diefstal van water en elektriciteit, zoals tenlastegelegd onder 2 en 3.

4 Vordering benadeelde partij Liander

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 12.775,95 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit. Verder vordert de benadeelde partij € 902,76 aan incassokosten.

Nu niet wettig en overtuigend is bewezen wat aan de verdachte onder 3 is tenlastegelegd, kan de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, worden ontvangen.

5 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.J. Riem, voorzitter,

mrs. T.H. Bosma en E.G. van Roest, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier D.H. Geuze,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 september 2020.