Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7020

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-09-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
HAA 19/5001
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

PKV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

zittingsplaats Haarlem

Sector bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/5001

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de korpschef van politie, Eenheid Zeeland/ West-Brabant, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2019 heeft verweerder het verzoek van eiser tot wijziging of vernietiging van politiegegevens afgewezen.

Op 18 oktober 2019 heeft eiser bij de rechtbank Midden-Nederland tegen het besluit van 3 september 2019 beroep ingesteld.

Bij brief van 31 oktober 2019 heeft de rechtbank Midden-Nederland op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van eiser naar deze rechtbank doorgezonden ter verdere behandeling.

Verweerder heeft op 19 december 2019 een nieuw besluit genomen waarbij het besluit van 3 september 2019 is vervangen.

Eiser heeft het beroep bij brief van 27 maart 2020 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft eiser verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.

De rechtbank heeft bij brief van 19 mei 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft op 29 mei 2020 gereageerd.

Nu partijen niet hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a van de Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.

3. De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken omdat verweerder tegemoet is gekomen aan eiser en dat eiser tegelijk met de intrekking van het beroep heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.

4. Eiser verzoekt vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser zelf het beroepschrift heeft ingediend en ook zelf de vervolgcorrespondentie met de rechtbank heeft gevoerd. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat proceshandelingen zijn verricht door een derde, die beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend, en waarvoor recht bestaat op vergoeding ingevolge het Besluit.

6. Eiser verzoekt tevens om vergoeding van de door hem gemaakte reiskosten voor het inzien van het politiedossier op locatie van verweerder.

7. In artikel 1 van het Besluit is bepaald welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betreft een limitatieve opsomming. Reiskosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking indien deze zijn gemaakt om een zitting te kunnen bijwonen. Nu er in de onderhavige procedure geen zitting heeft plaatsgevonden, dient het verzoek te worden afgewezen.

8. De rechtbank zal het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen dan ook afwijzen.

9. Ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb dient wel het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 174 te worden vergoed door verweerder.

Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, rechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 12 september 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.