Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6979

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
8320912
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

overeenkomst van opdracht, geen schuldoverneming artikel 6:155 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8320912 \ CV EXPL 20-693 (WT)

Uitspraakdatum: 9 september 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats 1]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: N. Sekercan (Gentle Incasso te Zaandam)

tegen

1 [gedaagde]

wonende te [woonplaats 2]

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Echozorg B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Bergen

gedaagden

verder gezamenlijk te noemen gedaagden en ieder afzonderlijk [gedaagde] en Echozorg

gemachtigde: mr. S. Koster, advocaat te Amersfoort

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 4 februari 2020 een vordering tegen gedaagden ingesteld. Gedaagden hebben schriftelijk geantwoord.

1.2.

[eiseres] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna gedaagden een schriftelijke reactie hebben gegeven. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is orthopedisch chirurg en expert op het gebied van knie, heup, voet en enkelklachten.

2.2.

[gedaagde] is echografist en oefende zijn werkzaamheden uit in een eenmanszaak onder de zaaknaam “Echozorg”.

2.3.

In het voorjaar van 2018 hebben partijen mondeling een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarbij is afgesproken dat [eiseres] werkzaamheden voor [gedaagde] zou verrichten in locaties van [gedaagde] /Echozorg.

2.4.

Vanaf april 2018 heeft [eiseres] samen met [gedaagde] patiënten behandeld die waren doorverwezen door OPC Klinieken naar [gedaagde] . [gedaagde] declareerde en factureerde de consulten en behandelingen (hierna te noemen: dbc’s) die door hem en [eiseres] gezamenlijk waren verricht voor patiënten van OPC Klinieken, aan OPC Klinieken. [eiseres] factureerde maandelijks haar werkzaamheden aan [gedaagde] .

2.5.

[eiseres] heeft aan [gedaagde] haar facturen over de maanden april 2018 tot en met oktober 2018 toegezonden.

2.6.

[gedaagde] weigert tot betaling van deze facturen over te gaan.

2.7.

Op 21 augustus 2019 is Echozorg B.V. opgericht met als activiteiten het uitvoeren van diagnostisch onderzoek en conservatieve orthopedische behandelingen. Enig aandeelhoudster en bestuurster van Echozorg B.V. is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] Beheer B.V. Enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde] Beheer B.V. is [gedaagde] .

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt tot betaling van € 10620,97. Dit bedrag is opgebouwd uit een (oorspronkelijke) hoofdsom van € 14.925,00, een bedrag van € 1.436,57 aan wettelijke rente en een bedrag van € 924,25 aan buitengerechtelijke incassokosten. Op dit bedrag strekt in mindering een bedrag van € 6.664,85 welk bedrag door Echozorg na ingebrekestelling van [gedaagde] is betaald. [eiseres] vordert verder wettelijke rente over de vervallen facturen vanaf 30 dagen na factuurdata tot de dag van betaling en veroordeling van gedaagden in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat zij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht waarvoor zij aan [gedaagde] haar facturen heeft gestuurd. Ondanks aanmaning weigert [gedaagde] de aan hem gezonden facturen over de maanden april 2018 tot en met oktober 2018 te betalen. [gedaagde] is hierdoor in verzuim geraakt. [eiseres] heeft haar incassogemachtigde moeten inschakelen. Hierdoor is [gedaagde] ook buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

4 Het verweer

4.1.

Gedaagden betwisten de vordering (gedeeltelijk). Zij voeren daartoe – kort samengevat – het volgende aan.

4.2.

[eiseres] heeft geen vordering op Echozorg omdat zij geen toestemming heeft gegeven voor schuldoverneming. [eiseres] dient dan ook in haar vordering op Echozorg niet ontvankelijk te worden verklaard.

4.3.

[gedaagde] erkent dat [eiseres] mondeling met hem een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten waarbij is afgesproken dat [eiseres] orthopedische werkzaamheden voor [gedaagde] zou verrichten. Daarbij is echter afgesproken dat de facturen van [eiseres] op [gedaagde] pas opeisbaar zouden worden indien [gedaagde] de dbc’s van OPC Klinieken uitbetaald had gekregen. Door diverse omstandigheden aan de zijde van OPC Klinieken is OPC Klinieken opgehouden de dbc’s aan [gedaagde] door te betalen. [gedaagde] heeft [eiseres] hiervan op de hoogte gesteld. Gelet op de afspraak tussen partijen zijn daarom de door [eiseres] gevorderde facturen nog niet opeisbaar. Nadat [gedaagde] medio november 2019 een procedure is gestart tegen OPC Klinieken heeft [gedaagde] een deel van zijn vordering op OPC Klinieken betaald gekregen en is in december 2019 nog een bedrag van € 6.664,85 aan [eiseres] betaald.

4.4.

[gedaagde] voert verder nog aan dat van een aantal van de dbc’s vast staat dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat deze onderdeel zijn van een behandeling en niet zelfstandig te declareren zijn. Deze dbc’s vertegenwoordigen een bedrag van € 1.950,00. Ook heeft [eiseres] dbc’s in rekening gebracht bij [gedaagde] die zij niet in opdracht van [gedaagde] heeft verricht. Deze dbc’s vertegenwoordigen een bedrag van € 1.500,00. Tot slot is een deel van de dbc’s wel door OPC Klinieken aan [gedaagde] voldaan en heeft [gedaagde] deze ook betaald aan [eiseres] . Dit betreft een bedrag van € 8.839,85. Gelet op de door OPC aan [gedaagde] betaalde dbc’s heeft [gedaagde] thans € 514,85 teveel aan [eiseres] voldaan.

4.5.

Voor zover van belang zal op de standpunten van gedaagden hierna nog nader worden ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt voorop dat de wet in artikel 6:155 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een schuld van de schuldenaar over gaat op een derde indien deze haar van de schuldenaar overneemt. De schuldoverneming heeft pas werking jegens de schuldeiser indien deze zijn toestemming geeft nadat partijen hem van de overneming kennis hebben gegeven. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] toestemming heeft gegeven voor schuldoverneming. De vordering op [gedaagde] is dan ook niet overgegaan op Echozorg. Dit betekent dat [eiseres] in haar vordering ten aanzien van Echozorg niet ontvankelijk zal worden verklaard.

5.2.

Vast staat dat [eiseres] in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden heeft uitgevoerd. [eiseres] is de opdracht van [gedaagde] in de uitoefening van haar beroep of bedrijf aangegaan. Dit betekent dat [gedaagde] aan [eiseres] loon verschuldigd is. Dit wordt door [gedaagde] ook niet betwist. [gedaagde] beroept zich echter op een met [eiseres] mondeling gemaakte afspraak dat de facturen van [eiseres] op [gedaagde] pas opeisbaar zouden worden indien [gedaagde] de dbc’s van OPC Klinieken uitbetaald had gekregen. Nu [gedaagde] in discussie is geraakt met OPC Klinieken over de vraag welke dbc’s er aan [gedaagde] zijn doorbetaald en welke dbc’s nog doorbetaald dienen te worden beroept [gedaagde] zich op de met [eiseres] gemaakte mondelinge afspraak. [eiseres] betwist dat zij een dergelijke afspraak met [gedaagde] heeft gemaakt. De kantonrechter oordeelt als volgt. Ingevolge artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rust de bewijslast van de door [gedaagde] gestelde mondelinge afspraak met [eiseres] op [gedaagde] . Aan bewijslevering wordt echter pas toegekomen als [gedaagde] zijn stelling in voldoende mate met feiten en omstandigheden onderbouwt. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] hierin niet is geslaagd. De enkele verklaring van [gedaagde] zelf (productie 1) is hiertoe onvoldoende. Dit betekent dat de door [gedaagde] gestelde mondelinge afspraak met [eiseres] niet is komen vast te staan.

5.3.

[gedaagde] voert verder nog aan dat een aantal dbc’s niet juist zijn en dat een bedrag van € 8.839,85 al aan [eiseres] is betaald. Ook dit verweer treft geen doel. De door [gedaagde] als onderbouwing van zijn verweer overgelegde Excel bestanden (productie 2 tot en met 4) en het betalingsoverzicht (productie 5) zijn door hemzelf opgesteld en bieden zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende houvast. Nu [eiseres] verder betwist de door [gedaagde] gestelde betalingen te hebben ontvangen had het op de weg van [gedaagde] gelegen betaalbewijzen te overleggen waaruit van de gestelde betalingen aan [eiseres] blijkt. Daarbij komt nog dat uit de door [eiseres] als productie 4 overgelegde e-mailwisseling niet volgt dat [gedaagde] de facturen inhoudelijk betwist, integendeel, hij stelt tot betaling aan [eiseres] over te gaan zodra hij betaling van OPC Klinieken heeft ontvangen.

5.4.

Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter de vordering van [eiseres] toewijzen als hierna vermeld, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als gevorderd nu hiertegen geen zelfstandig verweer is gevoerd.

5.5.

[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.

Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

5.6.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt. Daarbij wordt [gedaagde] ook veroordeeld tot betaling van € 120,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiseres] worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

verklaart [eiseres] niet ontvankelijk in haar vordering tegen Echozorg;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 10.620,97, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na de respectievelijke factuurdata tot aan de dag van de gehele betaling;

6.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiseres] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 104,44

griffierecht € 236,00

salaris gemachtigde € 720,00 ;

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Voogd en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter