Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6952

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
8572892
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding. Geen ernstig verwijtbaar handelen werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Haarlem

Zaaknr./repnr.:8572892 / AO VERZ 20-54

Uitspraakdatum: 17 september 2020

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap Forkliftcenter B.V.

gevestigd te Amsterdam

verzoekende partij

verder te noemen: Forkliftcenter

gemachtigde: mr. N.M.N. Klazinga

tegen

[verweerster]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

verder te noemen: [verweerster]

gemachtigde: mr. A.C.M. Verhoeven

1 Het procesverloop

1.1.

Forkliftcenter heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerster] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.

1.2.

Op 20 augustus 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Forkliftcenter heeft ook pleitaantekeningen overgelegd. Vóór de zitting heeft [verweerster] bij brief van 12 augustus 2020 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1959, is sinds 4 januari 2011 in dienst bij Forkliftcenter. De functie van [verweerster] is office manager met een salaris van € 2.887,50 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.

2.2.

[verweerster] kreeg eind 2016 gezondheidsklachten, ten gevolge waarvan zij vanaf begin 2017 enige tijd geheel dan wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geweest.

2.3.

Op 30 maart 2018 deelde de heer [naam directeur] , directeur van Forkliftcenter, aan [verweerster] mede dat Forkliftcenter de arbeidsovereenkomst met haar wenste te beëindigen.
Bij e-mailbericht van 25 april 2018 heeft Forkliftcenter daartoe een voorstel gedaan. [verweerster] heeft niet ingestemd met dit voorstel.

2.4.

Bij brief van 23 mei 2018 heeft Forkliftcenter het volgende aan [verweerster] medegedeeld.
Inmiddels proberen we al enkele weken lang met je in contact te komen. Enerzijds in verband met het voorstel dat we je hebben gedaan en anderzijds om je werkzaamheden te hervatten in lijn met het advies van de bedrijfsarts.

Vanochtend heb ik contact opgenomen met de Arbo consulente. Met haar heb ik overlegd wat redelijkerwijs kan worden verlangd. De Arboarts heeft eerder aangegeven dat je zou kunnen beginnen met halve dagen.

Ik stel voor om een start te maken zoals we dat ook in ons gesprek hebben besproken en dus te beginnen met twee halve dagen. Tijdens ons gesprek heb ik ook aangegeven welke werkzaamheden je zou kunnen oppakken en in overleg met jou willen we kijken wat redelijk wijs door jou kan worden uitgevoerd.

Omdat we geen contact met je kunnen krijgen, verzoek ik je bij deze je te melden op dinsdag 29 mei om 9.00 uur.

Mocht je geen gehoor geven aan deze oproep, dan noodzaak je ons om maatregelen te nemen, waaronder het opschorten van het loon. Ik hoop dat je het zover niet laat komen en zie je graag verschijnen.

2.5.

Bij e-mailbericht van 28 mei 2018 heeft de gemachtigde van [verweerster] hierop als volgt gereageerd.
Mede gelet op de nogal ultimatieve formulering van uw daarin vervatte uitnodiging zal cliënte zich morgenochtend om 9.00 uur op kantoor melden.
Om te komen tot een deugdelijke re-integratie die voldoet aan de wet ontbreekt het echter op dit moment aan een aantal essentiële zaken.
In de eerste plaats ontbreekt op dit moment enige begeleiding van de ARBO-dienst. Cliënte is daarvan in ieder geval niets bekend. De ARBO-dienst is onder andere van belang met het oog op het opstellen van de wettelijk voorgeschreven probleemanalyse.
In de tweede plaats ontbreekt een plan van aanpak. Ook hierin zal de ARBO-dienst overigens een rol kunnen c.q. moeten spelen.
Hoewel, zoals aangegeven, aan de daaraan te stellen voorwaarden nog niet is voldaan meldt cliënte zich morgen bij u, mede om uitdrukking te geven aan haar bereidheid om haar medewerking te verlenen aan haar re-integratie. Het moge echter duidelijk zijn dat ook c.q. juist op u als werkgever verplichtingen rusten in dat verband en ik vertrouw er met cliënte op dat u daaraan zonder vertraging de vereiste invulling zult geven.

2.6.

Op 29 mei 2018 heeft [verweerster] haar werkzaamheden gedeeltelijk hervat. Op 9 juli 2018 heeft zij zich ziek gemeld. Op advies van de bedrijfsarts heeft zij de re-integratie hervat, voor 4x4 uur per week. Per eind oktober 2018 is zij weer hersteld gemeld.

2.7.

In het kader van de re-integratie hebben tussen partijen gesprekken plaatsgevonden over een eventuele aanpassing van de arbeidsomvang. Forkliftcenter heeft naar aanleiding van deze gesprekken op 8 november 2018 aan [verweerster] bevestigd dat de arbeidsomvang zou worden aangepast van 40 naar 24 uur per week. [verweerster] heeft niet ingestemd met deze vermindering van uren, zij wenste 32 uur te werken, op 4 dagen in de week. Na een tijdelijke hervatting van de werkzaamheden heeft [verweerster] zich op 3 januari 2019 opnieuw ziek gemeld.

2.8.

In mei en juni 2019 hebben partijen gesprekken gevoerd met een mediator. Deze mediation heeft niet tot een oplossing geleid.

2.9.

In februari 2020 hebben partijen een tweede mediationtraject gevolgd. Ook dit heeft niet tot een oplossing geleid.

2.10.

In januari 2020 heeft een belastbaarheidsonderzoek van [verweerster] plaatsgevonden, door de bedrijfsarts. De resultaten daarvan zijn vastgelegd in een inzetbaarheidsprofiel. Daarna heeft onderzoek door een arbeidsdeskundige plaatsgevonden. De arbeidsdeskundige concludeert in haar rapport van 17 maart 2020:
1.1. Conclusies:
-Er is geen sprake van medische klachten die leiden tot ongeschiktheid voor eigen werk in volle omvang (alle uren en alle taken);
-De vastgestelde ongeschiktheid wordt primair veroorzaakt door knelpunten binnen de arbeidsrelatie(s).
-Werkgever en cliënt hebben beiden nadrukkelijk aangegeven de arbeidsovereenkomst te willen ontbinden.
-Gezien er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebrek, zal er naar verwachting geen WIA-beoordeling plaatsvinden.
1.2. Aanbevelingen:
-Juridisch en financieel advies inwinnen door beide partijen, ten behoeve van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst.
-Poortwachtertraject overwegen te beëindigen.
-Deze rapportage toevoegen aan het re-integratiedossier.

2.11.

Naar aanleiding van deze rapportage heeft Forkliftcenter [verweerster] opgeroepen voor werkhervatting. Daarop heeft [verweerster] zich op 27 maart 2020 ziek gemeld.

2.12.

Op 31 maart 2020 is [verweerster] gezien door de bedrijfsarts. Deze adviseerde, [verweerster] enige tijd te geven, waarna zij op 6 mei 2020 het werk weer zou kunnen hervatten.

2.13.

Op 1 mei 2020 heeft Forkliftcenter [verweerster] opgeroepen om op 6 mei 2020 het werk te hervatten. [verweerster] heeft aan deze oproep geen gehoor gegeven.

2.14.

Op 14 mei 2020 heeft [verweerster] de bedrijfsarts geconsulteerd. De bedrijfsarts heeft [verweerster] arbeidsongeschikt beoordeeld tot 8 juni 2020.

2.15.

Bij e-mailbericht van 2 juni 2020 heeft [verweerster] bij Forkliftcenter een verzoek ingediend om vakantie op te mogen nemen van 8 juni 2020 tot 19 juni 2020. Forkliftcenter is niet akkoord gegaan met dit verzoek.

2.16.

Forkliftcenter heeft de salarisbetaling over de maanden april en mei 2020 opgeschort. Het salaris over deze maanden is op 9 juni 2020 voldaan.

3 Het verzoek

3.1.

Forkliftcenter verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden vanwege – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding. Forkliftcenter heeft daarbij het volgende naar voren gebracht. [verweerster] leidt al jaren aan slaapproblemen als gevolg waarvan zij op haar werk regelmatig in slaap valt. Forkliftcenter heeft dit met [verweerster] besproken. Een en ander heeft ertoe geleid dat [verweerster] zich medisch heeft laten onderzoeken en in behandeling is gegaan. In dat kader heeft zij zich ook ziek gemeld. Omdat de werkzaamheden van [verweerster] bleven lijden onder haar problematiek, is Forkliftcenter met [verweerster] in gesprek gegaan over oplossingen, in de vorm van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Toen [verweerster] aangaf de werkzaamheden te willen voorzetten, is gesproken over een mogelijke aanpassing van de arbeidsomvang. Partijen zijn daar met elkaar niet uitgekomen en een en ander heeft tot een onoplosbaar conflict geleid. Gelet op deze situatie, ligt herplaatsing niet in de rede. [verweerster] heeft zelf ook te kennen gegeven het niet wenselijk te vinden om bij Forkliftcenter terug te keren.

3.2.

Forkliftcenter verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden per 1 september 2020, waarbij Forkliftcenter aan [verweerster] een transitievergoeding zal betalen van € 10.037,83 bruto.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

[verweerster] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Daartoe is – samengevat – het volgende aangevoerd. [verweerster] betwist dat sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding als gevolg van de in het verzoekschrift beschreven en betwiste gang van zaken. [verweerster] is altijd bereid gebleven om haar werkzaamheden te hervatten en haar dienstverband uit te dienen tot de AOW-gerechtigde leeftijd, maar Forkliftcenter heeft dit onmogelijk gemaakt. Van een voldragen g-grond is geen sprake.

4.2.

Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerster] om toekenning van de transitievergoeding van € 10.207,10 bruto en een billijke vergoeding van
€ 200.000,- bruto.

4.3.

Verder verzoekt [verweerster] , bij wijze van zelfstandig tegenverzoek, om de arbeidsovereenkomst per 1 november 2020 te ontbinden op grond van artikel 7:671c jo. 7:673 BW onder toekenning aan [verweerster] van de transitievergoeding ter hoogte van
€ 10.207,10 bruto en een billijke vergoeding ter hoogte van € 200.000,- bruto, vergoeding van de advocaatkosten ad € 22.557,73 en betaling van de wettelijke verhoging ad € 6.464,10 bruto, vermeerderd met wettelijke rente.

4.4.

Aan dit verzoek legt [verweerster] ten grondslag dat sprake is van zodanig gewichtige redenen dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte termijn behoort te eindigen. Ter onderbouwing heeft [verweerster] naar voren gebracht dat Forkliftcenter jegens haar ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Ten eerste heeft Forkliftcenter [verweerster] , toen zij niet instemde met de beëindiging van haar dienstverband in 2018, binnen de organisatie weggezet als persona non grata, op de werkvloer werd zij niet meer als volwaardig werkneemster behandeld. Zij werd geïsoleerd van haar collega’s en kreeg een werkplek toebedeeld in een aparte ruimte zonder ramen. De instructies die zij kreeg hielden geen of nauwelijks verband met haar functieomschrijving.
Ten tweede nam Forkliftcenter de ziekmeldingen niet serieus en heeft Forkliftcenter ten onrechte de loonbetaling aan [verweerster] opgeschort, waarbij werd gedreigd met ontslag op staande voet wanneer niet aan de oproep tot werkhervatting gehoor werd gegeven.
Ten derde heeft Forkliftcenter ten onrechte gedurende langere tijd [verweerster] gekort op haar salaris. Daarbij was, aldus [verweerster] , Forkliftcenter erop gericht haar het leven zuur te maken en haar ertoe te bewegen alsnog akkoord te gaan met een beëindigingsregeling.

5 De beoordeling

het verzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

5.2.

Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet, het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald wat een redelijke grond is (artikel 7:669 lid 3 BW). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW).

5.3.

Ontbinding van een arbeidsovereenkomst kan plaatsvinden indien sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, die een zodanig karakter heeft dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 671b lid 1 aanhef en sub a BW jo. artikel 7:669 lid 3 aanhef en sub g BW). De verstoring dient, volgens vaste jurisprudentie, ernstig en duurzaam te zijn.

5.4.

Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht, stelt de kantonrechter vast dat de arbeidsverhouding is verstoord, waarbij partijen het er inmiddels over eens zijn dat daarvan geen herstel meer mogelijk is. Dit blijkt mede daaruit dat ook [verweerster] een tegenverzoek heeft gedaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

5.5.

De verstoring van de arbeidsverhouding bestaat met name hierin dat Forkliftcenter [verweerster] niet in staat acht om haar werkzaamheden voort te zetten en [verweerster] stelt dat haar daartoe onvoldoende mogelijkheden zijn geboden. Twee mediationtrajecten hebben daarbij niet tot een oplossing geleid. De samenwerking tussen partijen is volledig vastgelopen en dus ernstig en duurzaam ontwricht.

5.6.

De kantonrechter is daarbij van oordeel dat herplaatsing van [verweerster] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat hierover tussen partijen diverse gesprekken zijn gevoerd en ook, zoals overwogen, tot tweemaal toe in een mediationtraject is geprobeerd om tot werkhervatting te komen. Forkliftcenter heeft voorts genoegzaam aannemelijk gemaakt dat andere passende functies voor [verweerster] binnen de onderneming niet voorhanden zijn.

5.7.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van Forkliftcenter zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst dus zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 november 2020. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure (artikel 7:671b lid 9 BW).

5.8.

Ten aanzien van het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding, stelt de kantonrechter het volgende voorop. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:671b lid 9 BW). Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).

5.9.

Naar het oordeel van de kantonrechter is in dit geval geen sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Forkliftcenter. Daarbij neemt de kantonrechter het volgende in aanmerking. [verweerster] heeft naar voren gebracht dat de door haar gestelde ernstige verwijtbaarheid voortvloeit uit drie handelwijzen van Forkliftcenter:
1. Forkliftcenter heeft [verweerster] op de werkvloer niet meer als volwaardig werkneemster behandeld;
2. De aanhoudende en door de situatie verergerde gezondheidsklachten en daarmee samenhangende ziekmeldingen van [verweerster] werden niet serieus genomen en Forkliftcenter heeft hierin ten onrechte aanleiding gezien om de loonbetaling op te schorten en met ontslag op staande voet te dreigen;
3. Forkliftcenter heeft gedurende een periode van anderhalf jaar [verweerster] ten onrechte gekort op haar salaris.
ad 1: niet als volwaardig werkneemster behandelen

5.10.

Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, blijkt dat zij hebben geprobeerd om afspraken te maken over werkhervatting door [verweerster] . Hetgeen zich daaromtrent heeft voorgedaan wordt door partijen verschillend uitgelegd. De subjectieve beleving van de gang van zaken van [verweerster] is geheel anders dan die van betrokkenen aan de zijde van Forkliftcenter. Zo geeft [verweerster] aan dat zij zich weggezet voelde, toen zij een aparte kamer toebedeeld kreeg en geeft Forkliftcenter aan dat zij dit juist heeft gedaan om voor [verweerster] een rustige werkplek te creëren, zonder al teveel prikkels. Ook ten aanzien van de gesprekken over de vermindering van de arbeidsomvang hebben partijen een verschillende beleving. [verweerster] voert aan dat werkgever ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar wens om 32 uur per week te werken, verdeeld over 4 dagen, terwijl Forkliftcenter aangeeft dat zij hiertegen bedenkingen had, niet omdat men het [verweerster] niet zou gunnen, maar omdat er twijfels waren of zij -gelet op haar gezondheid- het zou volhouden om 8 uur aaneengesloten te werken. Een kortere werkdag leek naar inschatting van Forkliftcenter meer kans van slagen te hebben. Deze verschillen in beleving hebben er uiteindelijk toe geleid dat partijen op een gegeven moment tegenover elkaar zijn komen te staan in een arbeidsconflict, waarbij de communicatie moeizaam verliep. De gebeurtenissen bieden echter geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat Forkliftcenter bewust heeft geprobeerd een onwerkbare situatie te creëren om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst alsnog langs die weg te bewerkstelligen.
ad 2: opschorting loonbetaling en dreiging met ontslag op staande voet

5.11.

Uit de in dit verband overgelegde brieven blijkt dat werkgever een aantal keren heeft gedreigd met opschorting van de loonbetaling en dat in de maanden april en mei van 2020 het loon daadwerkelijk is opgeschort. In een aantal brieven wordt gesproken over “verzuim” en “werkweigering”, als [verweerster] het werk niet zou hervatten. Forkliftcenter heeft hierover aangegeven dat deze maatregelen zijn getroffen, dan wel deze sancties in het vooruitzicht zijn gesteld, omdat de indruk bestond dat [verweerster] geen medewerking wilde verlenen aan haar re-integratie.

5.12.

De kantonrechter stelt het volgende voorop. Re-integratie van de werknemer dient primair gericht te zijn op terugkeer naar de eigen, eventueel aangepaste functie. Is dat niet mogelijk, dan moet de werkgever inschakeling in voor de werknemer passende arbeid bij een andere werkgever bevorderen (artikel 7:658a lid 1 BW, het eerste, respectievelijk tweede spoor). Daarbij moet de werkgever zodanige maatregelen treffen en aanwijzingen geven als redelijkerwijs nodig is met het oog op het verrichten van de eigen of passende arbeid. Daar staat tegenover dat de werknemer aan zijn re-integratie moet meewerken en in dat verband verplicht is gevolg te geven aan redelijke voorschriften en mee te werken aan redelijke maatregelen (art. 7:660a BW). Weigert de werknemer zonder deugdelijke grond mee te werken aan de redelijke voorschriften of maatregelen van de werkgever, dan verliest hij daardoor zijn recht op doorbetaling van loon tijdens ziekte (artikel 7:629 lid 3, aanhef en onder d, BW). Daarmee is tot uiting gebracht, zoals ook wordt benadrukt in de parlementaire geschiedenis van de Wet verbetering poortwachter, dat re-integratie in beginsel een aangelegenheid is van werkgever en werknemer. De beantwoording van de vraag of de werkgever voldoende re-integratie inspanningen heeft verricht, kan echter ook negatief uitvallen als de werknemer onvoldoende heeft meegewerkt aan zijn re-integratie. Van de werkgever wordt verwacht, met name ook om te voorkomen dat hij zelf met sancties wordt geconfronteerd, dat hij een werknemer die onvoldoende meewerkt aan zijn re-integratie, daarop aanspreekt en daarbij wijst op mogelijke sancties en deze zo nodig ook toepast om de werknemer te bewegen aan zijn re-integratie mee te werken.

5.13.

Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat Forkliftcenter [verweerster] ook in het beginstadium van het conflict heeft medegedeeld dat zij verplicht is een loonsanctie op te leggen als [verweerster] geen gehoor geeft aan de oproep om te komen werken. Doordat Forkliftcenter loonsancties en andere maatregelen in het vooruitzicht bleef stellen is voorstelbaar, dat [verweerster] hierdoor extra onder druk is komen te staan. Daar staat tegenover dat deze handelwijze van Forkliftcenter een reactie was op het feit dat zij er niet op een andere manier in slaagde om met [verweerster] in gesprek te raken over werkhervatting. Zoals ter zitting toegelicht, was deze handelwijze ook ingegeven door de verplichtingen die op grond van de Wet poortwachter op Forkliftcenter rusten. De omstandigheid dat een werknemer in het re-integratie traject enige druk ervaart, is op zichzelf echter niet als ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever aan te merken.
ad 3 inhouden van salaris

5.14.

Forkliftcenter heeft erkend, gedurende een zekere periode het loon over 32 uur per week te hebben uitbetaald, in plaats van over 40 uur per week. Forkliftcenter heeft daartoe aangegeven dat zij ervan uit was gegaan, dat tussen partijen overeenstemming was bereikt over aanpassing van de arbeidsomvang, naar 32 uur per week. Nadat zij door de gemachtigde van [verweerster] was gesommeerd om het loon over 40 uur uit te betalen, heeft zij de salarisbetaling aangepast naar 40 uur per week. Forkliftcenter heeft, zo blijkt, ten onrechte aangenomen dat [verweerster] akkoord was met een aanpassing van haar arbeidsuren.
Forkliftcenter is van een onjuiste veronderstelling uitgegaan. Dit maakt echter niet dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig, waarvan niet is gebleken.

5.15.

Uit hetgeen in rechtsoverweging 5.8. is overwogen blijkt, dat bij de waardering van handelen of nalaten van de werkgever als ernstig verwijtbaar, de lat hoog moet worden gelegd. Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat -de door [verweerster] gemaakte verwijten afzonderlijk en in onderling verband bezien- aan de voorwaarden voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid niet wordt voldaan.
Voor zover aan Forkliftcenter verwijten kunnen worden gemaakt, zijn die daarvoor niet ernstig genoeg.

5.16.

Hieruit volgt dat het verzoek om een billijke vergoeding niet toewijsbaar is.

5.17.

Omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden, hoeft Forkliftcenter geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.

5.18.

De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen.
het tegenverzoek

5.19.

Het verzoek van [verweerster] om toekenning van een billijke vergoeding hoeft niet te worden behandeld, omdat daarop hiervoor al is beslist.

5.20.

Het verzoek om Forkliftcenter te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding kan worden toegewezen. Partijen zijn het erover eens dat [verweerster] recht heeft op een transitievergoeding. Uitgaande van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 november 2020 bedraagt de transitievergoeding € 10.217,71 bruto.

5.21.

Over de andere verzoeken van [verweerster] wordt het volgende overwogen.

5.22.

[verweerster] maakt aanspraak op de wettelijke verhoging over het te laat betaalde salaris. Daartoe heeft zij een overzicht overgelegd waaruit volgt dat salaris over de periode november 2018-december 2019, januari en februari 2020 en april en mei 2020 van totaal
€ 12.928,20 te laat is betaald. Forkliftcenter betwist de verschuldigdheid van de wettelijke verhoging. In de eerste plaats omdat partijen overeenstemming hadden over de aanpassing van de arbeidsomvang naar 32 uur per week. Daarnaast stelt [verweerster] volgens Forkliftcenter pas een jaar later dat deze overeenstemming er niet was. Ten aanzien van de wettelijke verhoging over het salaris van april en mei 2020 voert Forkliftcenter aan dat deze maximaal respectievelijk 40 % en 20 % bedragen. De kantonrechter volgt Forkliftcenter niet in haar verweer. Dat partijen overeenstemming hadden over de aanpassing van de arbeidsomvang blijkt onvoldoende uit de stukken. Integendeel, de gemachtigde van [verweerster] heeft Forkliftcenter op 24 januari 2019 gesommeerd het volledige salaris (over 40 uur per week) te betalen. Forkliftcenter heeft de hoogte van het te laat betaalde salaris, zijnde € 12.928,20, niet betwist. Daarvan wordt daarom uitgegaan. Over dat bedrag zal de gevorderde wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente worden toegewezen, omdat Forkliftcenter te laat heeft betaald. De wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 20 %.
De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking dat van ernstig verwijtbaar handelen van Forkliftcenter geen sprake is.

5.23.

[verweerster] vordert betaling van de door haar gemaakte advocaatkosten. Ter zitting heeft Hartvelt hiervoor als onderbouwing gegeven dat deze kosten zien op werkzaamheden van haar gemachtigde om de zaak in goede banen te leiden. Deze vordering zal worden afgewezen, omdat [verweerster] de juridische grondslag op grond waarvan zij betaling van deze kosten vordert, onvoldoende heeft onderbouwd.

5.24.

De verzochte verstrekking van een specificatie van de uitbetalingen zal worden toegewezen.

5.25.

De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

het verzoek

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2020;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
het tegenverzoek

6.4.

veroordeelt Forkliftcenter om aan [verweerster] een transitievergoeding te betalen van
€ 10.217,71 bruto;

6.5.

veroordeelt Forkliftcenter tot betaling aan [verweerster] van de wettelijke verhoging met een maximum van 20 % over € 12.928,20, te vermeerderen met de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf de vervaldag van de verschuldigdheid van de onderscheidenlijke wettelijke verhogingen;

6.6.

veroordeelt Forkliftcenter tot verstrekking aan [verweerster] van een specificatie van voornoemde betalingen;

6.7.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;

6.8.

wijst de overige verzoeken af;

6.9.

verklaart onderdeel 6.4, 6.5 en 6.6 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.


Deze beschikking is gegeven door mr. S.W.S. Kiliç en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter