Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6946

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4717
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of sprake is van een bron van inkomen. Vast staat dat de activiteiten van eiser in 2015 en 2016 tot negatieve resultaten hebben geleid. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de stukken van het dossier en de verklaringen ter zitting niet gebleken dat eiser in 2015 en 2016 redelijkerwijs kon verwachten dat zijn werkzaamheden in de toekomst wel winstgevend zouden kunnen zijn. Dat in latere jaren wel een positieve resultaten zijn behaald, maakt dit niet anders. Dit betekent dat de activiteiten van eiser in die jaren niet als bron van inkomen kunnen worden aangemerkt. Nu er geen sprake is van een bron van inkomen kunnen de inkomsten niet op grond van absorptie als winst uit onderneming worden aangemerkt. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-09-2020
V-N Vandaag 2020/2159
FutD 2020-2588
NTFR 2020/2586
NLF 2020/1999 met annotatie van
NLF 2020/1999 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/4717 en HAA 19/4718

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2020 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: B. Schoenmaker),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2015 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.046. Daarnaast heeft verweerder aan eiser bij beschikking een bedrag van € 1.101 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2016 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.993. Daarnaast heeft verweerder aan eiser bij beschikking een bedrag van € 547 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2020 te Haarlem.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser staat met ingang van 1 januari 1996 als eenmanszaak ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Zijn bedrijfsactiviteiten bestaan uit het maken van kunst en grafische vormgeving in het theater.

2. Eiser heeft in de jaren 2015 en 2016 verschillende werkzaamheden verricht.

3. Eiser was in 2015 en 2016 in dienstbetrekking bij Stichting [C] . Hij werkte als docent op een pedagogische school. De inkomsten bedroegen respectievelijk € 26.259 en € 27.160.

4. Met ingang van 1 september 2016 werkte eiser in dienstbetrekking voor de [D] . De inkomsten bedroegen € 2.695.

5. Eiser werkte als grafisch vormgever voor een theater. Verweerder heeft de inkomsten vastgesteld op respectievelijk € 14.787 en € 28.450.

6. Eiser werkte als kunstenaar. De opbrengsten van de kunst bedroegen in 2016 € 3.010. De kosten bedroegen € 8.209 (2015) en € 6.857 (2016).

7. Eiser heeft voor beide jaren aangiften ib/pvv ingediend. Hierin zijn bedragen van respectievelijk € 17.185 en € 28.450 als belastbare winst uit onderneming aangegeven.

8. Verweerder heeft voor beide jaren aanslagen opgelegd overeenkomstig de ingediende aangiften.

9. Verweerder heeft een boekenonderzoek bij eiser ingesteld. Reikwijdte van het onderzoek was de aanvaardbaarheid van de aangiften ib/pvv 2015 en 2016. Het rapport van het boekenonderzoek behoort tot de gedingstukken.

10. In navolging van het boekenonderzoek heeft verweerder de onderhavige navorderingsaanslagen aan eiser opgelegd. Hierin heeft verweerder de volgende correcties aangebracht:

  • -

    de inkomsten van Stichting [C] zijn aangemerkt als loon uit dienstbetrekking;

  • -

    de inkomsten van [D] zijn aangemerkt als loon uit dienstbetrekking;

  • -

    de werkzaamheden als kunstenaar zijn niet aangemerkt als ondernemingsactiviteiten en de opbrengsten en kosten van deze werkzaamheden zijn uit de winstberekening gehaald;

  • -

    de werkzaamheden als grafisch vormgever zijn als ondernemingsactiviteiten aangemerkt, echter een deel van de kosten is gecorrigeerd omdat ze niet zakelijk zijn: het gaat om bedragen van € 9.120 (2015) en € 8.584 (2016).

11. Eiser heeft bezwaar tegen de navorderingsaanslagen gemaakt en daarbij de volgende punten gesteld:

  • -

    er is geen sprake van een nieuw feit;

  • -

    er is sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

12. Verweerder heeft eiser uitgenodigd voor een hoorgesprek. Eiser heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.

13. Verweerder heeft in de uitspraken op bezwaar de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Geschil

14. In beroep is in geschil of de werkzaamheden van eiser als kunstenaar een bron van inkomen vormen en of de werkzaamheden van eiser voor zijn dienstbetrekkingen door absorptie kwalificeren als winst uitonderneming.

15. Eiser stelt dat dit beide het geval is en concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen.

16. Verweerder weerspreekt de stellingen van eiser en concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

17. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Bron van inkomen

18. Volgens vaste jurisprudentie moet voor een bron van inkomen worden voldaan aan drie voorwaarden: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs - in de toekomst - kan worden behaald.

19. De deelname aan het economisch verkeer en het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen staan in deze zaak niet ter discussie. Partijen verschillen van mening over de (objectieve) voordeelsverwachting.

20. Voor de beantwoording van de vraag of een voordeel redelijkerwijs te verwachten was, dient te worden onderzocht of de verrichte werkzaamheden voorzienbaar blijvend verliesgevend waren, dan wel dat redelijkerwijs kon worden verwacht dat zij in de toekomst positieve opbrengsten zouden opleveren (vgl. o.a. Hoge Raad, 1 februari 2002, ECLI:NL: HR:2002:AD8763 en Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6821). De vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van de onderhavige jaren, zijnde 2015 respectievelijk 2016. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen ook licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (vgl. HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707).

21. Eiser stelt dat hij in de onderhavige jaren een objectieve voordeelsverwachting had. Eiser stelt dat verweerder in zijn beoordeling ten onrechte de resultaten van latere jaren niet heeft meegewogen. Het meewegen van die resultaten leidt volgens eiser tot de conclusie dat er wel sprake is van een bron van inkomen.

22. Vast staat dat de activiteiten van eiser in 2015 en 2016 tot negatieve resultaten hebben geleid. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de stukken van het dossier en de verklaringen ter zitting niet gebleken dat eiser in 2015 en 2016 redelijkerwijs kon verwachten dat zijn werkzaamheden in de toekomst wel winstgevend zouden kunnen zijn. Dat in latere jaren wel een positieve resultaten zijn behaald, maakt dit niet anders. Dit betekent dat de activiteiten van eiser in die jaren niet als bron van inkomen kunnen worden aangemerkt.

23. Het voorgaande betekent overigens niet dat dit in de loop van de tijd niet kan veranderen.

Absorptie

24. Ter zitting heeft eiser gesteld dat zijn werkzaamheden voor verschillende dienstbetrekkingen door absorptie kwalificeren als winst uitonderneming. De rechtbank stelt voorop dat deze stelling tardief is omdat eiser de stelling pas ter zitting naar voren heeft gebracht.

25. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat deze stelling eiser overigens ook niet kan baten. Voor het absorberen van loon als winst uit onderneming is vereist dat er een nauwe samenhang bestaat tussen de werkzaamheden verricht in dienstbetrekking en de werkzaamheden verricht als ondernemer. Daarnaast is vereist dat de werkzaamheden in dienstbetrekking in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen. In de onderhavige jaren kan niet worden gezegd dat de werkzaamheden verricht in dienstbetrekking van ondergeschikte betekenis zijn ten opzichte van de werkzaamheden als ondernemer. Eiser behaalde immers het merendeel van zijn inkomen uit loon. Dit betekent dat de looninkomsten niet via absorptie tot de winst kunnen worden gerekend.

26. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

27. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. Bruijnzeel, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 2 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.