Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6945

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
8404588
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid artikel 6:166 BW deelname groepsverband

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0628
Prg. 2020/261
JA 2020/145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8404588 \ CV EXPL 20-1256

Uitspraakdatum: 9 september 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. A.R. van Dolder

[toevoeging verleend onder nummer 4NY8971]

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. A.J.J. van der Heiden

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 13 maart 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

[eiser] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

Op 27 september 2015 zijn [gedaagde] en [naam] met de auto naar Callantsoog gereden. Daar is [eiser] mishandeld door [naam] waardoor [eiser] verwondingen aan zijn hoofd heeft opgelopen. Na de mishandeling zijn [naam] en [gedaagde] in de auto van [gedaagde] gestapt en weggereden. [gedaagde] bestuurde de auto.

2.2.

De politie heeft [naam] en [gedaagde] aangehouden en in verzekering gesteld. [gedaagde] is viermaal door de politie verhoord, maar niet strafrechtelijk vervolgd.

2.3.

Het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer PL1100-2015234163-7 luidt onder meer “(…) Ik sprak de bestuurder aan en vertelde hem en de bijrijder wat onze melding was geweest en hoorde de bijrijder zeggen: “ik zal uitleggen wat er gebeurd is”. Ik vroeg hem hierop of hij had gevochten of de bestuurder en hoorde hem zeggen: (…) Michael heeft niks gedaan. Ik ben alleen met hem meegereden daar vandaan. (…)”.

2.4.

Het proces-verbaal van aangifte door [eiser] met proces-verbaalnummer PL1100-2015234163-1 luidt, voor zover van belang, als volgt: “(…) Ik heb de bus op het Dorpsplein geparkeerd met de voorzijde richting Den Helder. (…) Ik ben nadat ik mijn belager naar buiten had gewerkt ook de auto uitgegaan. (…) Dus toen ik buiten de auto en voor de auto stond, stonden die jongen van [naam] en ik tegenover elkaar. (…) Op dat zelfde moment zie ik een andere onbekende jongen hard rennend in onze richting komen. Ik dacht toen dat die onbekende jongen bij [naam] hoorde en mij of Miranda wilde gaan slaan. Hierdoor heb ik mijn aandacht op die onbekende jongen gericht en niet meer op [naam] . [naam] kreeg toen de kans en gelegenheid om mij te slaan. (…) De auto waar [naam] en de onbekende jongen mee waren stond geparkeerd bij de bakker en slager voor. (…)”.

2.5.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 1] met proces-verbaalnummer PL1100-2015234163-27 luidt, voor zover van belang, als volgt: “(…) Ik zie beide mannen tegenover elkaar staan (aanvulling kantonrechter: [eiser] en [naam] ). Ik ben vervolgens ook de auto uitgegaan en liep richting Ewald en zijn belager en wilde er tussen gaan staan om de boel te sussen. Plotseling zie ik vanaf de overkant van de straat een onbekende jongen op ons afkomen die zich er ook mee wilde bemoeien. Ik draaide me toen om naar die onbekende jongen en zei dat hij zich er niet mee moest bemoeien. Ik heb dus niet gezien dat Ewald toen klappen heeft gekregen. (…)”.

2.6.

Bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 augustus 2016 is [naam] veroordeeld voor mishandeling van [eiser] waarvan zwaar lichamelijk letsel te weten een gebroken neus, een gebroken oogkas, een gebroken jukbeen en een gebroken bovenkaak het gevolg was. Bij dit vonnis is [naam] ook veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser] van € 8.761,00 bestaande uit € 1.261,00 voor de materiële en € 7.500,00 voor immateriële schade. Tevens is aan [naam] een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor diezelfde bedragen.

2.7.

[eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 27 oktober 2017 aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden schade door de mishandeling. [gedaagde] heeft de aansprakelijkheid afgewezen.

2.8.

Bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 september 2019 is voor recht verklaard dat [naam] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële schade als gevolg van de mishandeling op 27 september 2015 en is [naam] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 17.803,94.

2.9.

[eiser] heeft de vordering tevergeefs geprobeerd te incasseren bij [naam] .

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van de mishandeling op 27 september 2015 en [gedaagde] veroordeelt tot betaling van
€ 17.803,94, vermeerderd met wettelijke rente, alsmede veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk is op grond van artikel 6:166 jo. artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [eiser] baseert zijn standpunt op de getuigenverklaringen. Uit de getuigenverklaring van [naam getuige 1] blijkt dat twee mannen haar partner hadden mishandeld en daarna waren weggereden. Uit de getuigenverklaring van [naam getuige 2] blijkt dat twee mannen achter [eiser] aan liepen en een van de mannen in de bus van [eiser] stapte en de andere man erbij stond, niets deed en wat in de auto keek. [gedaagde] en [naam] vormden samen een groep, zij zijn samen naar het plaats delict gereden, samen op [eiser] afgelopen en na de mishandeling samen gevlucht, waarbij [gedaagde] de auto bestuurde. [gedaagde] heeft daarbij geen afstand genomen van de handelingen van [naam] of geprobeerd de mishandeling te voorkomen of beëindigen.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Hij ontkent betrokken te zijn geweest bij de mishandeling en deelnemer of lid te zijn geweest van een groep zoals bedoeld in artikel 6:166 BW. [gedaagde] zag dat het geweld te ver ging en hij probeerde het toebrengen van verdere schade te voorkomen. [gedaagde] ontkent ook dat hij met [naam] heeft afgesproken naar Callantsoog te gaan om [eiser] te mishandelen. Zij waren van plan een patatje te eten in Callantsoog en uit het niets zocht [naam] [eiser] op om hem te mishandelen. [gedaagde] is er naartoe gerend met de bedoeling de strijdende partijen uit elkaar te halen.

5 De beoordeling

5.1.

[eiser] stelt dat de mishandeling waarvoor [naam] strafrechtelijk is veroordeeld een onrechtmatige daad betreft. Nu dit feit in groepsverband is gepleegd, is [gedaagde] met [naam] hoofdelijk aansprakelijk jegens [eiser] , aldus [eiser] .

5.2.

De aansprakelijkheid van artikel 6:166 BW berust op de deelneming aan gedragingen in groepsverband, waarvan de kans op het aldus toebrengen van schade – zoals hier is geschied – de deelnemers had behoren te weerhouden van het deelnemen aan die gedragingen in dat groepsverband.

5.3.

Van deelneming is sprake indien een betrokkene op een of andere manier door zijn gedragingen een bijdrage heeft geleverd aan het geheel van de gedragingen in groepsverband die het gevaar voor toebrenging van schade hebben doen ontstaan. Voorts dient tussen die bijdrage en de bijdragen van andere deelnemers aan die gedragingen een zodanige mate van samenhang te bestaan dat de gedragingen van betrokkene en die anderen als gedragingen in groepsverband kunnen worden aangemerkt.

5.4.

Verder is nodig dat de gezamenlijkheid van het handelen de kans op de schade zoals die zich voordoet verhoogt, met name door het ontstaan van een sfeer die het gevaar oproept of vergroot, en dat de deelnemers deze kans bewust aanvaarden. Niet is vereist dat het aangesproken groepslid (de) schade heeft veroorzaakt.

5.5.

Vast staat dat [gedaagde] [eiser] niet heeft mishandeld. Wil [gedaagde] op de voet van artikel 6:166 BW aansprakelijk zijn dan zal eerst moeten komen vast te staan dat sprake is van gedragingen in groepsverband. Dit wordt door [gedaagde] betwist. [gedaagde] stelt dat hij en [naam] samen een patatje gingen eten, en dat [naam] vanuit het niets verhaal ging halen bij [eiser] . Dit laatste is door [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwist. [eiser] beroept zich erop dat [gedaagde] en [naam] in een auto naar Callantsoog zijn gereden; dat de verklaring van [gedaagde] dat hij en [naam] een patatje zouden gaan eten leugenachtig is; dat [gedaagde] zijn auto vlakbij de auto van [naam] (de kantonrechter begrijpt [eiser] ) heeft geparkeerd, en dat [gedaagde] vervolgens samen met [naam] naar de auto van [eiser] is toegelopen. Hierbij verwijt [eiser] [gedaagde] in het bijzonder dat deze zich niet aan het geweld heeft onttrokken.

5.6.

De kantonrechter volgt deze weergave van de feiten niet volledig. Nog los van de vraag of [gedaagde] zijn auto “vlakbij” de auto van [eiser] heeft geparkeerd, hebben [eiser] en zijn vriendin ( [naam getuige 1] ) zelf bij de politie verklaard dat [gedaagde] pas aan kwam lopen nadat de mishandeling was aangevangen. Hierop heeft [naam getuige 1] (aldus haarzelf) [gedaagde] gezegd zich er niet mee te bemoeien. Het enkele feit dat [gedaagde] aanwezig was, maakt hem niet aansprakelijk op grond van groepsaansprakelijkheid. Niet is gebleken dat sprake is van een gedraging in groepsverband, nu niet vaststaat dat [gedaagde] voorafgaand aan de mishandeling enig vermoeden heeft gekoesterd, of had moeten koesteren, dat [naam] opeens zou besluiten om [eiser] te mishandelen. Verder was ook niet sprake van een sfeer of situatie die meebrengt dat het [gedaagde] in rechte kan worden verweten dat hij zich niet eerder uit de voeten heeft gemaakt.

5.7.

De vorderingen moeten op grond van het voorgaande sneuvelen.

5.8.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 720,00 aan salaris van de gemachtigde van [gedaagde] .

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter