Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6911

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
C/15/296574 / HA ZA 19-749
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdelingszaak. Uitleg samenlevingsovereenkomst. Verdeling rekeningen; hebben pp. beoogd hun inkomsten en daaruit gespaard vermogen gemeenschappelijk te maken? Geen vergoedingsrechten terzake gemaakte verbouwingskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/296574 / HA ZA 19-749

Vonnis van 2 september 2020

in de zaak van

[eiseres/verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H. Oomen te Haarlem,

tegen

[gedaagde/eiser] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. G.W.L.M. Dammers-Wubbe te Haarlem.

Partijen zullen hierna [eiseres/verweerster] en [gedaagde/eiser] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 februari 2020,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie van [eiseres/verweerster],

  • -

    de mondelinge behandeling op 22 juni 2020,

  • -

    de pleitnotitie van [gedaagde/eiser], overgelegd ter zitting van 22 juni 2020,

  • -

    de akte uitlating van [eiseres/verweerster] van 8 juli 2020,

  • -

    de akte uitlating van [gedaagde/eiser] van 8 juli 2020,

  • -

    de akte uitlating van [eiseres/verweerster] van 16 juli 2020,

  • -

    de brief van de zijde van [gedaagde/eiser] van 22 juli 2020, waarin hij zich refereert aan de inhoud van de akte uitlating van [eiseres/verweerster] van 16 juli 2020.

1.2.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 22 juni 2020 zijn verschenen:

  • -

    [eiseres/verweerster], bijgestaan door mr. B.H.A. Brauers, waarnemend voor mr. Oomen voornoemd,

  • -

    [gedaagde/eiser], bijgestaan door mr. Dammers-Wubbe voornoemd.

1.3.

Na de mondelinge behandeling op 22 juni 2020 is deze zaak op verzoek van partijen enige tijd aangehouden om te bezien of partijen in onderling overleg tot een (gedeeltelijke) regeling zouden kunnen komen. In hun aktes van 8 juli 2020 hebben partijen de rechtbank bericht dat zij ten aanzien van bepaalde geschilpunten inderdaad overeenstemming hebben kunnen bereiken en hebben zij de rechtbank verzocht deze overeenstemming in een beschikking vast te leggen. Op verzoek van de rechtbank hebben partijen bij akte uitlating van [eiseres/verweerster] van 16 juli 2020, waaraan [gedaagde/eiser] zich heeft gerefereerd, nog nader gespecificeerd op welke geschilpunten zij nog een beslissing van de rechtbank wensten. In haar akte van 16 juli 2020 heeft [eiseres/verweerster] aangegeven op welke punten zij het door haar gevorderde heeft gewijzigd (als gevolg van de overeenstemming) en verzocht dienovereenkomstig te beslissen. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad van januari 1996 tot 16 februari 2019, in welke periode zij hebben samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. Uit de relatie van partijen zijn twee dochters geboren.

2.2.

Op 16 december 1997 hebben partijen de woning aan de [adres] (hierna: de woning) gekocht. Partijen hebben daarvoor twee hypothecaire geldleningen afgesloten bij de Rabobank. Deze leningen hadden op 31 december 2018 debetstanden van respectievelijk € 136.135,- en € 63.865,-.

2.3.

Partijen zijn eveneens op 16 december 1997 een notariële samenlevingsovereenkomst aangegaan. Daarin staat – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“(..)

De comparanten verklaarden dat zij sinds een januari negentienhonderd zes en negentig samenwonen en sedertdien een gemeenschappelijke huishouding voeren. Zij zijn overeengekomen de vermogensrechtelijke gevolgen daarvan als volgt te regelen:

DOEL

Artikel 1

Met deze overeenkomst willen partijen onder meer regelen:

a. de kosten van de gemeenschappelijke huishouding;

b. de gemeenschappelijke goederen;

c. de gemeenschappelijk bewoonde woning; (..)

Partijen beschouwen deze regeling mede als voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen. Zij komen overeen deze natuurlijke verbintenis om te zetten in een rechtens afdwingbare. (..)

GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING

Artikel 3

1. Partijen verlenen elkander over en weer volmacht voor het verrichten van rechtshandelingen ten behoeve van de gewone gang van de huishouding zoals bedoeld in artikel 85 boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun netto-inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de uit de relatie van partijen geboren kinderen (..).

3. Het hiervoor in lid 2 bedoelde gedeelte van het netto inkomen of zoveel meer als partijen wensen wordt gestort op een gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of in een gemeenschappelijke kas. Deze gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of deze gemeenschappelijke kas is/zijn mede-eigendom van partijen en wordt/worden op naam van beide partijen gesteld; zij zijn daarin ieder voor de helft gerechtigd.

4. Indien slechts één van de partijen inkomsten heeft, komen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding geheel ten laste van die partij. (..)

Artikel 4 (..)

3. Indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding een geldlening is aangegaan, zal de rente in onderling overleg al dan niet worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Zijn bedoelde zaken gemeenschappelijk eigendom, dan wordt de aflossing voor zover deze uit de gemeenschappelijke bank- of girorekening kan worden voldaan tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding gerekend. Voorts worden in dat geval tot die kosten gerekend de kosten van alle gewone lasten en herstellingen en buitengewone herstellingen als bedoeld in artikel 220 Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, de zakelijke belasting en de premie voor de opstalverzekering. (..)

GEMEENSCHAPPELIJKE INBOEDEL

Artikel 5

De inboedel (..) aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding, alsmede vervoermiddelen, zullen partijen ieder voor de onverdeelde helft toebehoren. (..)

GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING

Artikel 6 (..)

4. Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning (..) in mede-eigendom wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij. Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij beëindiging van deze overeenkomst (..)”

2.4.

[gedaagde/eiser] heeft een bedrag aan eigen middelen van € 86.218,24 ingebracht bij de aankoop van de woning. Deze inbreng is notarieel vastgelegd in de akte van 16 december 1997.

2.5.

[gedaagde/eiser] is na het einde van de relatie in de woning blijven wonen. [eiseres/verweerster] heeft een huurwoning betrokken met de beide dochters.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres/verweerster] vordert, na wijziging van eis bij akte van 16 juli 2020, dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde/eiser] veroordeelt te gehengen en gedogen en ook voor het overige al zijn medewerking te verlenen aan een taxatie van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [nummer], ter grootte van 2 are en 58 centiare door Janus Makelaardij te IJmuiden binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, dan wel een door de rechtbank aan te wijzen makelaar, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van de dag dat [gedaagde/eiser] daarmee in gebreke blijft;

II. [gedaagde/eiser] veroordeelt om binnen tien weken na de dag waarop de waarde als bedoeld onder I. is vastgesteld, alles te doen wat nodig is opdat [eiseres/verweerster] zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de onder I. genoemde hypothecaire verplichtingen, dan wel aan te tonen dat de hypotheekhouder niet bereid is [eiseres/verweerster] uit de hoofdelijkheid te ontslaan;

III. [gedaagde/eiser] veroordeelt om binnen tien weken na de dag waarop de waarde als bedoeld onder I. is vastgesteld, aan [eiseres/verweerster] te voldoen de helft van de overwaarde van de woning als genoemd onder I., welke overwaarde wordt berekend door de onder I. genoemde taxatiewaarde te verminderen met de totale hypothecaire schuld van (maximaal) € 200.000,- en de inbreng van [gedaagde/eiser] ad € 86.218,24;

IV. indien [gedaagde/eiser] ofwel binnen de onder II. genoemde termijn aan [eiseres/verweerster] geen bericht heeft kunnen overleggen waaruit volgt dat zij door de hypotheekhouder is ontslagen uit de hoofdelijkheid, en/of zodra [eiseres/verweerster] bericht ontvangt dat de hypotheekhouder haar niet zal ontslaan uit de hoofdelijkheid, en/of [gedaagde/eiser] bericht dat hij de onroerende zaak niet wenst over te nemen en/of [gedaagde/eiser] de waarde als genoemd onder III. niet binnen de aldaar genoemde termijn heeft voldaan aan [eiseres/verweerster];

primair:

a. [eiseres/verweerster] machtigt tot het te gelde maken van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [nummer], en [eiseres/verweerster] machtigt om alles te doen wat noodzakelijk is voor de verkoop van de betreffende onroerende zaak;

b. bepaalt dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de onroerende zaak vereiste toestemming en/of wilsverklaring en/of medewerking van [gedaagde/eiser],

c. bepaalt dat [gedaagde/eiser] een dwangsom verbeurt van € 1.000,- voor elke keer dat hij de woning niet op verzoek van de makelaar openstelt of laat openstellen voor bezichtiging en overdracht van de woning door/aan (potentiële) kopers;

subsidiair:

a. [gedaagde/eiser] beveelt om de nodige medewerking te verlenen en toegang te verschaffen aan de makelaar die opdracht heeft gekregen de verkoop van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [nummer], te begeleiden, en potentiële kopers onder diens begeleiding toe te laten;

b. [eiseres/verweerster] machtigt om, indien [gedaagde/eiser] zijn medewerking daaraan weigert, namens [gedaagde/eiser] de verkoopovereenkomst ten aanzien van de onroerende zaak op te stellen en te ondertekenen;

c. bepaalt dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de onroerende zaak vereiste toestemming en/of wilsverklaring en/of medewerking van [gedaagde/eiser] anderszins, indien [gedaagde/eiser] zijn medewerking daaraan weigert, en/of [eiseres/verweerster] machtigt namens [gedaagde/eiser] de nodige medewerking te verlenen en aktes te ondertekenen;

d. bepaalt dat [gedaagde/eiser] een dwangsom verbeurt van € 1.000,- voor elke keer dat hij de woning op verzoek van de makelaar niet openstelt of laat openstellen voor bezichtiging en overdracht van de woning door/aan (potentiële) kopers;

V. bepaalt dat partijen de saldi van de gezamenlijke rekeningen met een gezamenlijk saldo van € 152.136,- bij helfte dienen te verdelen en/of vast te stellen dat partijen het gezamenlijke saldo hebben verdeeld en ieder overeenkomstig deze verdeling

€ 76.068,- heeft verkregen;

VI. bepaalt dat [gedaagde/eiser] aan [eiseres/verweerster] dient te vergoeden een bedrag van

€ 38.250,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de peildatum tot aan de dag van de algehele voldoening daarvan;

VII. (voor akte eis wijziging) [gedaagde/eiser] veroordeelt te gehengen en gedogen en ook voor het overige al zijn medewerking te verlenen aan een taxatie van de Renault met kenteken [kenteken] en de Audi met kenteken [kenteken];

VIII. bepaalt dat aan [eiseres/verweerster] wordt toebedeeld het motorrijtuig van het merk Renault met kenteken [kenteken], onder verrekening van de helft van de waarde ad

€ 3.750,-;

IX. bepaalt dat aan [eiseres/verweerster] wordt toebedeeld het motorrijtuig van het merk Audi met kenteken [kenteken], onder verrekening van de helft van de waarde ad € 17.850,-;

X. [gedaagde/eiser] veroordeelt zijn medewerking te verlenen aan de overdracht en tenaamstelling van voormelde motorrijtuigen;

XI. bepaalt dat de inboedel aanwezig in het onder I. genoemde onroerend goed wordt toebedeeld aan [gedaagde/eiser], onder verrekening van een door [gedaagde/eiser] aan [eiseres/verweerster] te voldoen bedrag van € 2.750,-;

XII. [gedaagde/eiser] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen 14 dagen na het wijzen van het vonnis waarna wettelijke rente verschuldigd is, alsmede te betalen de nakosten ad € 157,- zonder betekening, en € 246,- na betekening van het vonnis.

3.2.

In haar akte van 16 juli 2020 schrijft [eiseres/verweerster] dat het onder VII gevorderde ‘niet meer aan de orde’ is.

3.3.

[gedaagde/eiser] voert gemotiveerd verweer met als conclusie dat hij zich refereert aan het gevorderde onder VIII, IX en XI en dat de overige vorderingen worden afgewezen.

3.4.

Beide partijen hebben de rechtbank bij akte verzocht te beslissen hoe de door hen te benoemen makelaars gezamenlijk tot een taxatiewaarde van de woning kunnen komen, waarbij zij ieder een eigen voorstel daartoe hebben gedaan met het verzoek aan de rechtbank een knoop door te hakken. Formeel heeft – zo begrijpt de rechtbank de inhoud van de akte van 16 juli 2020 – [eiseres/verweerster] daarom haar eis onder punt I van het petitum aangehouden en de benoeming gevorderd van de aldaar genoemde makelaar.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.6.

[gedaagde/eiser] vordert dat [eiseres/verweerster] zal worden veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting om aan [gedaagde/eiser] te voldoen:

primair:

I. een bedrag van € 25.884,19 (zegge: vijfentwintigduizend achthonderd en vierachtig euro negentien), te vermeerderen met de wettelijke rente van de datum der dagvaarding, dan wel de datum waarop het vonnis zal worden gewezen tot de dag der algehele voldoening;

subsidiair:

II. een bedrag dat deze rechtbank vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum der dagvaarding, dan wel de datum waarop het vonnis zal worden gewezen tot de dag der algehele voldoening.

met veroordeling van [eiseres/verweerster] in de kosten van deze procedure, zowel in conventie als in reconventie.

3.7.

[eiseres/verweerster] voert gemotiveerd verweer met als conclusie dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de onderlinge samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie ziet de rechtbank aanleiding deze vorderingen gezamenlijk te behandelen en te beoordelen.

taxatie en toedeling van de woning

4.2.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het aandeel van [eiseres/verweerster] in de woning in beginsel aan [gedaagde/eiser] kan worden toegedeeld onder ontslag van [eiseres/verweerster] uit de hoofdelijkheid. Wel is in geschil tegen welke waarde die toedeling kan plaatsvinden. De woning is in opdracht van [eiseres/verweerster] in december 2018 getaxeerd, waaruit een woningwaarde van € 575.000,- naar voren kwam. [gedaagde/eiser] stelt echter dat partijen de woning in onderling overleg hebben gewaardeerd op een waarde van € 545.000,-, hetgeen [eiseres/verweerster] betwist. Dat partijen een afspraak hebben gemaakt over de waarde, is onvoldoende onderbouwd door [gedaagde/eiser] zodat de rechtbank daar niet vanuit gaat. Omdat partijen het niet eens zijn over de waarde van de woning, zal de woning moeten worden getaxeerd.

4.3.

In hun aktes uitlating van 8 juli 2020 hebben partijen de rechtbank bericht dat [eiseres/verweerster] Janus Makelaardij te IJmuiden en [gedaagde/eiser] Pieter Kooijmans van Van der Schaaf en Kooijmans Makelaars te Bloemendaal wensen aan te wijzen als taxateur en dat zij ieder de eigen daarmee samenhangende kosten voor hun rekening zullen nemen. Over de wijze waarop de twee uitkomsten zouden moeten leiden tot één waardering heeft [gedaagde/eiser] voorgesteld om het verschil in uitkomsten te middelen. [eiseres/verweerster] heeft voorgesteld om de taxateurs intercollegiaal te laten taxeren, waarbij Janus Makelaardij en Van der Schaaf en Kooijmans Makelaars gezamenlijk tot één uitkomst komen. Partijen hebben in hun aktes van 8 juli 2020 de rechtbank verzocht om de knoop door te hakken door één van deze voorstellen te kiezen. De rechtbank overweegt dat [eiseres/verweerster] niet heeft aangegeven dat de beide makelaars akkoord zijn met een intercollegiale taxatie, reden waarom de rechtbank de voorkeur van [gedaagde/eiser] volgt. De rechtbank zal het onder I (subsidiair) gevorderde toewijzen en als taxatiemakelaar aanwijzen de twee door partijen genoemde makelaars en bepalen dat het verschil in uitkomsten moet worden gemiddeld en de waarde van de woning bepaalt.

4.4.

De aan de genoemde vordering gekoppelde dwangsom zal worden afgewezen, nu uit het voorgaande voldoende blijkt dat [gedaagde/eiser] zijn medewerking zal verlenen aan het verrichten van de taxatie. De vordering sub II en III in conventie worden bij gebreke aan een daartegen gericht verweer van [gedaagde/eiser] toegewezen zoals (na eiswijziging) gevorderd en dus met inachtneming van de ten aanzien daarvan door partijen overeengekomen termijn van 10 weken.

verkoop van de woning

4.5.

Voor het geval [gedaagde/eiser] niet binnen de door partijen overeengekomen termijn van 10 weken in staat blijkt de te verdelen overwaarde te financieren, de hypotheekhouder niet overgaat tot ontslag van [eiseres/verweerster] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekbetalingen of [gedaagde/eiser] de woning bij nader inzien toch niet wenst over te nemen of zijn verplichtingen terzake niet nakomt, heeft [eiseres/verweerster] op voorhand onder IV een vordering tot medewerking aan de verkoop van de woning ingesteld.

4.6.

De primaire vorderingen van [eiseres/verweerster] ten aanzien van de verkoop zijn gegrond op artikel 3:174 BW. Uit dit artikel blijkt dat de rechter die ter zake een vordering tot verdeling bevoegd zou zijn een deelgenoot in een gemeenschap kan machtigen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed, ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen. Een dergelijke machtiging maakt de betreffende deelgenoot bevoegd tot het verrichten van handelingen waartoe hij anders uitsluitend samen met de andere deelgenoot bevoegd zou zijn. Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid van de rechter en aan het verlenen van een dergelijke machtiging kunnen voorwaarden worden verbonden.

4.7.

Nu gesteld noch gebleken is dat er sprake is van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld en/of van andere gewichtige redenen, is er niet voldaan aan de minimale stelplicht voor toewijzing van een vordering als deze. De primaire vorderingen zullen daarom worden afgewezen. De subsidiaire vorderingen zijn als zijnde onbetwist wel toewijsbaar. Deze vorderingen, als opgenomen onder sub IV in conventie, zullen dan ook worden toegewezen als vermeld onder de beslissing, waarbij de dwangsom wordt gematigd en gemaximeerd, en met inachtneming van de door partijen ook ten aanzien van deze vordering overeengekomen termijn van 10 weken.

verdeling rekeningen

4.8.

[eiseres/verweerster] stelt dat zij op grond van artikel 3 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst gerechtigd is tot de helft van de saldi van de (en/of) bank- en spaarrekeningen, hetgeen [gedaagde/eiser] betwist. [eiseres/verweerster] stelt dat partijen tot aan de beëindiging van de samenwoning ieder hun inkomsten op hun gemeenschappelijke bankrekeningen hebben laten storten en al hun kosten van die bankrekeningen hebben voldaan, overeenkomstig de samenlevingsovereenkomst. Ter zake van die en/of rekeningen is een beperkte gemeenschap in de zin van artikel 3:166 lid 2 en 3 BW ontstaan, op grond waarvan een op die rekeningen staand overschot bij helfte door partijen dient te worden gedeeld. In de samenlevingsovereenkomst staat ook dat de en/of rekening gemeenschappelijk eigendom wordt. [eiseres/verweerster] benadrukt dat partijen zich altijd conform de bepalingen van de samenlevingsovereenkomst hebben gedragen. Van een strikte scheiding van vermogens was in het geheel geen sprake; niet iedere uitgave werd bijgehouden en partijen hebben onderlinge uitgaven nooit over en weer verrekend. [gedaagde/eiser] kent dan ook een te beperkte strekking toe aan de bepalingen van de samenlevingsovereenkomst. Uit (de slotzinnen van) artikel 1 van de samenlevingsovereenkomst volgt dat partijen een regeling zijn aangegaan waarbij een vermogensverschuiving is te verwachten, welke vermogensverschuiving gerechtvaardigd wordt door een dringende verplichting van moraal en fatsoen die partijen jegens elkaar hebben, aldus [eiseres/verweerster].

4.9.

[gedaagde/eiser] voert aan dat partijen nooit uitvoering hebben gegeven aan artikel 3 van de samenlevingsovereenkomst door een gemeenschappelijke rekening te openen c.q. (aan) te houden ten behoeve van het storten van een deel van het inkomen van partijen specifiek bestemd voor de kosten van de gemeenschappelijke huishoudelijke uitgaven. Zowel [eiseres/verweerster] als [gedaagde/eiser] beschikten al bij de start van hun samenwoning over een eigen salarisrekening waarop hun inkomens maandelijks werden gestort en dat is ook altijd zo gebleven. Deze salarisrekeningen zijn op enig moment op beider naam gesteld, waarbij echter nooit bedoeld is om vermogensvermenging te laten plaatsvinden. Hiervoor was geen andere reden dan dat partijen bij ziekte of overlijden onverwijld bij elkaars rekeningen zouden kunnen. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding werden naar evenredigheid van ieders inkomen betaald doordat [gedaagde/eiser] maandelijks vanaf zijn salarisrekening een bedrag voor de boodschappen op de salarisrekening van [eiseres/verweerster] stortte, waarmee zij die kosten voldeed, aangevuld met een deel van haar eigen salaris. [gedaagde/eiser] betaalde daarnaast vanaf zijn salarisrekening een aantal vaste lasten die ook onder de kosten van de gemeenschappelijke huishouding vallen, zoals de hypotheek, verzekering, gas/water/licht, de auto’s en verzekeringen daarvan. Beiden spaarden vanaf hun eigen salarisrekeningen. [gedaagde/eiser] betwist uitdrukkelijk dat het de bedoeling van partijen is geweest om een vermenging van vermogens te laten plaatsvinden en/of dat het de bedoeling van partijen is geweest dat zij tijdens hun samenleving een gezamenlijk vermogen zouden opbouwen. [eiseres/verweerster] toont dat op geen enkele wijze aan. Uit de inhoud van de samenlevingsovereenkomst blijkt ook uitdrukkelijk dat partijen hebben beoogd om de vermogens van partijen geheel gescheiden te houden, aldus [gedaagde/eiser].

beoordelingskader

4.10.

De vraag is of partijen de bedoeling hadden om hun inkomsten en daaruit gespaard vermogen gemeenschappelijk te maken, zoals [eiseres/verweerster] stelt en [gedaagde/eiser] betwist. Bij de beoordeling van deze vraag stelt de rechtbank voorop dat de samenlevingsovereenkomst moet worden uitgelegd met inachtneming van het Haviltex-criterium, waarbij de rechter rekening dient te houden met alle bijzondere omstandigheden van het geval en ook acht kan worden geslagen op het feitelijk handelen van partijen. Dit betekent dat het bij de uitleg van de samenlevingsovereenkomst niet alleen aankomt op een taalkundige uitleg van de overeenkomst, maar (ook) op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van die overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.11.

Partijen hebben (bijna) twee jaar na aanvang van hun samenleving een huis gekocht waarbij de akte van levering op 16 december 1997 bij de notaris is gepasseerd. Toen hebben zij ook een samenlevingsovereenkomst gesloten bij de notaris. Ten tijde van het passeren van de desbetreffende notariële akte, beschikten zij ieder over hun eigen salarisrekening en hadden zij eigen spaar- en/of beleggingsproducten die zij voedden vanaf hun eigen salarisrekening. Zij droegen ieder vanaf hun eigen salarisrekening bij aan de gemeenschappelijke huishouding en [gedaagde/eiser] stortte hiertoe aanvullende bedragen vanaf zijn salarisrekening op die van [eiseres/verweerster]. Partijen hadden geen gezamenlijke (en/of) bank- of spaarrekening. Er was tot 16 december 1997 dus geen sprake van vermenging van vermogen. De vraag is of hierin verandering kwam met het sluiten van de samenlevingsovereenkomst.

4.12.

In de samenlevingsovereenkomst staat dat partijen onder meer de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, van de gemeenschappelijke goederen, van de gemeenschappelijke bewoonde woning en het recht op partnerpensioen wilden regelen. Artikel 3 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst bepaalt dat partijen naar evenredigheid van hun netto-inkomen verplicht zijn bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. In artikel 4 van de samenlevingsovereenkomst staat wat onder de kosten van de gemeenschappelijke huishouding valt. Artikel 3 lid 3 bepaalt dat partijen minimaal het hiervoor benodigde gedeelte van hun netto-inkomen storten op een gemeenschappelijke en/of rekening, die mede-eigendom is van partijen. Hieruit volgt dat de bedragen die niet worden gestort en niet onder de in lid 2 bedoelde verplichting vallen, in eigendom blijven van de desbetreffende partij en niet gemeenschappelijk worden. Er werd dus een beperkte gemeenschap beoogd en geen volledige vermenging van vermogen.

4.13.

Na het sluiten van de samenlevingsovereenkomst hebben partijen echter niet direct een en/of rekening geopend en dus geen uitvoering gegeven aan artikel 3 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst. Zij behielden ieder hun eigen salarisrekening die op ieders eigen naam stond en droegen ieder vanaf die rekeningen naar evenredigheid van hun netto-inkomen bij aan de gemeenschappelijke huishouding, zoals zij dat voor het sluiten van de samenlevingsovereenkomst ook al deden (zie punt 14.11). Door beiden werd vanaf ieders salarisrekening gespaard of belegd en daartoe geld overgemaakt naar op eigen naam gestelde producten of rekeningen. Zo spaarde [eiseres/verweerster] vanaf haar salarisrekening tot eind 2017 een bedrag van ongeveer € 35,- per maand op een product van Aegon dat op haar naam stond en belegde [gedaagde/eiser] vanaf zijn salarisrekening geld via een op zijn naam gestelde beleggingsrekening. Deze ‘eigen’ salarisrekeningen vallen niet onder artikel 3 lid 3 bedoelde gezamenlijke en/of rekening, omdat deze niet op beider naam zijn gesteld en verder omdat door partijen geen volledige gemeenschap werd beoogd (zie punt 4.12). De eigen salarisrekening van een van beide partijen behoorde dus ook na het sluiten van de samenlevingsovereenkomst niet in mede-eigendom toe aan de andere partij.

4.14.

[gedaagde/eiser] voert aan, onder overlegging van bankafschriften en andere schriftelijke stukken, dat zijn salarisrekening niet eerder dan in februari 2001 op naam van beide partijen is gesteld en dat over een aantal jaren en tot 2009, ook de andere bank, spaar- en beleggingsrekeningen op beider naam zijn gesteld. Dus voor het eerst ruim drie jaar en tot 11 jaar na het sluiten van de samenlevingsovereenkomst hebben partijen de tenaamstelling van rekeningen gewijzigd. Dit is niet betwist door [eiseres/verweerster], zodat dit vaststaat.

4.15.

De vraag is of deze tenaamstellingswijzigingen in de periode 2001 - 2009 onder artikel 3 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst kunnen worden gebracht en dat daarmee al het gevormde en nog te vormen vermogen gemeenschappelijk is geworden, zoals [eiseres/verweerster] stelt. Omdat zij zich op de rechtsgevolgen hiervan beroept, rust op haar de stelplicht en bewijslast.

4.16.

De rechtbank stelt ten aanzien van de tenaamstelling het volgende voorop. Het is vaste jurisprudentie dat de tenaamstelling van een rekening enkel betekenis heeft voor de rechtsverhouding tussen de desbetreffende bancaire instellingen en de rekeninghouders. De tenaamstelling van een bankrekening heeft in beginsel geen gevolgen voor de onderliggende eigendomsverhouding van de rekeninghouders. Het komt aan op wat partijen in hun onderlinge verhouding bedoeld hebben met de (wijziging van de) tenaamstelling.

4.17.

Anders dan [eiseres/verweerster] stelt, volgt uit de samenlevingsovereenkomst (en hun handelwijze daaraan voorafgaand) niet dat partijen van meet af aan een vermenging van hun totale vermogen hebben beoogd, maar blijkt daaruit juist het tegendeel (zie punt 4.12 en 4.13 hiervoor). Dat betekent dat [eiseres/verweerster] niet kan volstaan met een enkele verwijzing naar artikel 3 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst ter onderbouwing van haar stelling dat partijen met de tenaamstellingswijzigingen beoogden al het op de salarisrekeningen gevormde en te vormen vermogen gemeenschappelijk te maken.

4.18.

[eiseres/verweerster] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen die de conclusie kunnen dragen dat partijen met de tenaamstellingswijziging hebben beoogd een gemeenschap te vormen. Ieders salarisrekening werd namelijk nadat de tenaamstelling ervan werd gewijzigd niet anders gebruikt dan voorheen. Na de tenaamstellingswijziging kon [eiseres/verweerster] weliswaar ook via de Rabofoon gelden overboeken van de salarisrekening van [gedaagde/eiser], maar dat stemde ze doorgaans wel steeds af met [gedaagde/eiser]. Het gebruik van de Rabofoon bracht daarmee geen daadwerkelijke wijziging in de wijze van handelen rond de salarisrekeningen met zich mee. Deze gewijzigde omstandigheid is daarom eveneens onvoldoende om een vermogensvermenging aan te nemen. In dat licht is ook relevant dat partijen zowel voor als na de tenaamstellingswijziging geen bankpassen van elkaars salarisrekeningen hadden.

4.19.

De conclusie is dan ook dat er geen gemeenschap met betrekking tot de salarisrekeningen kan worden aangenomen. Dit volgt niet uit de samenlevingsovereenkomst zelf en bovendien werden de respectievelijke salarisrekeningen blijkens het voorgaande altijd enkel gevoed door het eigen salaris van partijen. Evenmin is gebleken dat partijen de (stilzwijgende) afspraak hebben gemaakt dat het saldo van ieders salarisrekening na de tenaamstellingswijziging aan hen gezamenlijk toebehoorde.

4.20.

Dit heeft gevolgen voor de spaar- en effectenrekeningen die in de periode 2001-2009 op beider naam zijn gesteld. Ook hiervoor geldt dat geen gemeenschap is ontstaan ten aanzien van deze rekeningen. Deze rekeningen zijn immers niet gevoed vanaf een gemeenschappelijke rekening maar van ieders eigen salarisrekening (ongeacht de tenaamstelling daarvan). Gekeken moet daarom worden wie de desbetreffende spaar en/of effectenrekening heeft gevoed en daarmee recht heeft op dit deel van het saldo. Het gaat hierbij om de verdeling van de volgende rekeningen:

  • -

    Een Rabobank beleggingsrekening met eindcijfers [nummer] (hierna: de beleggingsrekening).

  • -

    Een Moneyou spaarrekening met eindcijfers [nummer] (hierna: de spaarrekening).

de beleggingsrekening

4.21.

[eiseres/verweerster] stelt dat aan deze beleggingsrekening vier fondsen waren gekoppeld die in ieder geval op 31 december 2018 een totale waarde behelsden van € 76.500,39 en dat [gedaagde/eiser] dit bedrag ten onrechte naar een op zijn naam gestelde rekening heeft overgeboekt. De rechtbank overweegt dat als onvoldoende gemotiveerd betwist is komen vast te staan dat [gedaagde/eiser] al voor de aanvang van de samenleving van partijen over de beleggingsrekening beschikte en dat deze ten tijde van die aanvang al voor een zeer aanzienlijk deel door [gedaagde/eiser] was gevoed, dat deze rekening ook tijdens de samenleving enkel door hem vanaf zijn salarisrekening is gevoed, dat dit vermogen altijd uitsluitend door [gedaagde/eiser] is beheerd en dat het vermogen niet is aangewend ter voldoening van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding van partijen. Dit wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat partijen het op de beleggingsrekening geparkeerde vermogen gescheiden hielden. In de samenlevingsovereenkomst is er ook uitdrukkelijk niet in voorzien dat reeds voorafgaand aan het aangaan van de samenleving opgebouwd privévermogen met het aangaan van de samenlevingsovereenkomst gemeenschappelijk zou worden. Anders dan [eiseres/verweerster] stelt, is de beleggingsrekening dus niet gemeenschappelijk. Van een ongerechtvaardigde onttrekking door [gedaagde/eiser] van gelden van die rekening is dan ook geen sprake. Het voorgaande leidt ertoe dat [eiseres/verweerster] geen aanspraak kan maken op betaling door [gedaagde/eiser] van het bedrag van € 38.250,20. Er zijn door [eiseres/verweerster] geen nadere feiten of omstandigheden gesteld die de rechtbank tot afwijking van het voorgaande nopen, zodat de vordering sub VI in conventie zal worden afgewezen.

de spaarrekening

4.22.

De rechtbank stelt ten aanzien van de spaarrekening het volgende voorop. Vast staat dat partijen via hun salarisrekeningen, in het geval van [eiseres/verweerster] al dan niet via de salarisrekening van [gedaagde/eiser], gelden hebben gestort op de spaarrekening. De spaarrekening is in mei 2009 door partijen geopend. De rekening heeft twee dagen op naam van [gedaagde/eiser] gestaan, maar is daarna op naam van beide partijen gezet. Aan deze spaarrekening was als externe tegenrekening de salarisrekening van [gedaagde/eiser] gekoppeld. In december 2018 heeft [gedaagde/eiser] de spaarrekening, vooruitlopend op de verbreking van de relatie van partijen, gesplitst in twee subrekeningen.

4.23.

[eiseres/verweerster] stelt dat partijen de overgespaarde gelden op de gezamenlijke rekeningen als bedoeld in artikel 3 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst overboekten naar deze gemeenschappelijke spaarrekening op beider naam. Indien het saldo op de gezamenlijke bankrekening(en) ontoereikend was, werd het saldo aangevuld vanaf de spaarrekening. Hiermee hebben partijen voldaan aan hun bedoeling elkaar over en weer te onderhouden. De spaarrekening had op de peildatum (16 februari 2019) een saldo van € 152.136,-. Partijen hebben daardoor beide recht op de helft van dat saldo, € 76.068,-. [eiseres/verweerster] heeft dit bedrag overgeboekt op een rekening op haar naam, reden waarom [eiseres/verweerster] (onder andere) vordert dat de rechtbank vaststelt dat partijen het saldo op deze rekening reeds hebben verdeeld en dat eenieder overeenkomstig die verdeling een bedrag van € 76.068,- heeft verkregen.

4.24.

[gedaagde/eiser] betwist dit en voert aan dat ook ten aanzien van deze rekening geen vermogensvermenging is beoogd door partijen. De samenlevingsovereenkomst bevat ook geen regeling voor spaarrekeningen. Op grond van het door [gedaagde/eiser] overgelegde overzicht heeft [eiseres/verweerster] de spaarrekening gevoed tot een bedrag van € 33.530,- en hijzelf tot een bedrag van € 115.584,-. Het saldo van de spaarrekening was op de peildatum (16 februari 2019) € 149.114,-. In dit bedrag van € 33.530,- betrekt [gedaagde/eiser] de aan [eiseres/verweerster] toekomende ontslagvergoeding van € 16.000,- waarop hij een bedrag van € 2.000,- in mindering strekt. [gedaagde/eiser] voert ten slotte aan dat de door hem genoemde bedragen ook door partijen zijn aangehouden bij de aangifte belasting over 2018 en dat [eiseres/verweerster] dit bedrag ook met haar DIGID code heeft geaccordeerd.

4.25.

De rechtbank overweegt als volgt. De spaarrekening is door beide partijen gevoed vanaf hun eigen salarisrekening, terwijl uit het voorgaande volgt, dat partijen geen vermogensvermenging van de salarisrekeningen hebben beoogd en dat dit ook niet volgt uit artikel 3 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst. Dat betekent dat partijen enkel recht hebben op dat deel van het gespaarde vermogen op de spaarrekening dat vanaf hun eigen salarisrekening is gevoed. De rechtbank merkt op dat [eiseres/verweerster] terecht aanvoert dat [gedaagde/eiser] onvoldoende heeft onderbouwd waarom een bedrag van € 2.000,- in mindering moet worden gebracht op de door haar ontvangen ontslagvergoeding. Voor het overige heeft [eiseres/verweerster] de uitsplitsing die [gedaagde/eiser] heeft gemaakt, niet betwist. Er moet dus van worden uitgegaan dat [eiseres/verweerster] de spaarrekening heeft gevoed tot een bedrag van € 35.530,-, terwijl zij een bedrag van € 76.068,- naar zichzelf heeft overgeboekt. Partijen zijn het niet eens over het saldo dat per peildatum op de spaarrekening stond. [gedaagde/eiser] rekent met een saldo van € 149.114,- terwijl [eiseres/verweerster] rekent met een saldo van € 152.136,-. Het bankafschrift dat [eiseres/verweerster] ter onderbouwing van dit bedrag als productie 3 bij dagvaarding overlegt, is echter van 16 juli 2018 en niet van de peildatum (19 februari 2019). Evenmin blijkt het door [gedaagde/eiser] genoemde bedrag uit de digitale overzichten die hij als productie 4 bij antwoord heeft overgelegd. Uit deze overzichten blijkt dat het saldo per peildatum een bedrag van

€ 135.217,44 was. De rechtbank gaat daarom uit van dit laatste bedrag dat tussen partijen verdeeld moet worden en dat [eiseres/verweerster] dit saldo gevoed heeft met een bedrag van € 35.530,-.

4.26.

De conclusie van het voorgaande is dat het saldo op de spaarrekening niet in mede-eigendom was van partijen, zodat de vordering van [eiseres/verweerster] onder V wordt afgewezen. Gelet op de discretionaire bevoegdheid van de rechtbank bij een vordering ex artikel 3:185 BW zal de rechtbank vaststellen dat per peildatum op de spaarrekening een bedrag stond van € 135.217,44, waarvan aan [eiseres/verweerster] een bedrag toekomt van € 35.530,- en aan [gedaagde/eiser] een bedrag van € 99.687,44 en bepalen dat [eiseres/verweerster] een bedrag van € 40.538,- moet (terug)betalen aan [gedaagde/eiser] (het verschil tussen € 76.068,- en € 35.530,-).

inboedel en auto’s

4.27.

Partijen hebben de rechtbank in hun aktes uitlating van 8 juli 2020 bericht dat zij zijn overeengekomen dat de inboedel zoals deze momenteel in de woning aanwezig is aan [gedaagde/eiser] wordt toebedeeld, tegen betaling door [gedaagde/eiser] van een bedrag van

€ 2.750,- aan [eiseres/verweerster]. Bij akte van 16 juli 2020 heeft [eiseres/verweerster] dienovereenkomstig haar eis gewijzigd waaraan [gedaagde/eiser] zich bij brief van 22 juli 2016 heeft gerefereerd.

4.28.

De rechtbank zal de vorderingen onder VIII en IX zoals gevorderd (na eiswijziging), toewijzen inhoudende dat de Audi wordt toebedeeld aan [gedaagde/eiser] voor een bedrag van € 17.850,- en dat de Renault Twingo wordt toebedeeld aan [eiseres/verweerster] voor een bedrag van € 3.750,-, met verrekening bij helfte van de waarde van de auto’s door partijen als bedoeld in artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst.

4.29.

Omdat partijen bij akte hebben aangegeven dat de vordering sub VII in conventie ‘niet meer aan de orde is’, zal deze worden afgewezen.

vergoedingsrecht verbouwingskosten

4.30.

[gedaagde/eiser] stelt dat hij op grond van artikel 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst aanspraak kan maken op vergoeding door de gemeenschap van de door hem gefinancierde verbouwingen van de woning, door [gedaagde/eiser] begroot op een bedrag van € 35.663,42. [eiseres/verweerster] voert aan dat artikel 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst niet op deze kosten ziet en dat de vordering bovendien is verjaard.

4.31.

Ingevolge artikel 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst heeft in het geval door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning gezamenlijk wordt verkregen de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering op de andere partij. In geschil is dus of (een analoge toepassing van) de samenlevingsovereenkomst (ook) op door een partij gemaakte verbouwingskosten ziet, zoals [gedaagde/eiser] stelt en [eiseres/verweerster] betwist.

4.32.

De vraag naar de precieze uitleg van deze bepaling kan in beginsel niet worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van deze akte. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die de partijen bij die akte in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (het zogenoemde Haviltex-criterium, eerder genoemd onder 4.10).

4.33.

Op grond van een taalkundige uitleg heeft artikel 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst geen betrekking op uitgaven voor de verbouwing van de woning. Uitgaven voor de verbouwing kunnen immers niet worden aangemerkt als betaling van de koopsom van de woning. De rechtbank gaat er op grond van het zinsverband van uit dat met “de kosten” als genoemd in het artikel de kosten van de woning worden bedoeld die rechtstreeks voortvloeien uit de aankoop en niet op latere investeringen in de woning zelf, zoals ook [eiseres/verweerster] aanvoert (zie ook: ECLI:NL:GHSHE:2018:4881). [gedaagde/eiser] heeft naar het oordeel van de rechtbank geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit een van de tekst van de bepaling afwijkende partijbedoeling kan worden afgeleid.

4.34.

De verwijzing door [gedaagde/eiser] naar twee uitspraken van rechtbank Den Haag en rechtbank Gelderland kan het voorgaande niet anders maken, omdat de aan deze uitspraken ten grondslag liggende casusposities wezenlijk verschillen van de onderhavige kwestie. Zo ging het in de zaak die speelde voor de rechtbank Den Haag1 om de aanschaf van een casco aan partijen geleverde woning die nog ingrijpend moest worden verbouwd en waarvoor een bouwdepot aan de hypothecaire geldlening was verbonden. De rechtbank oordeelde dat een redelijke uitleg van de overeenkomst gezien die omstandigheden meebracht dat de gemaakte bouwkosten voor vergoeding in aanmerking kwamen. In de zaak die voorlag bij de rechtbank Gelderland2 ging het om een situatie waarin partijen in een paar jaar tijd verschillende woningen hebben aangekocht, daarin (beide) hebben geïnvesteerd en weer hebben doorverkocht; de aan artikel 6 lid 4 van deze samenlevingsovereenkomst gelijke bepaling werd in die zaak dan ook uitdrukkelijk in het licht van die omstandigheden beoordeeld.

4.35.

Voor zover de vordering van [gedaagde/eiser] in reconventie ziet op deze kosten, wordt de vordering afgewezen.

vergoedingsrechten (leningen) aanschaf auto’s

4.36.

[gedaagde/eiser] stelt dat hij in 2001 voor de aanschaf van een Škoda ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding op zijn naam een autolening is aangegaan voor een bedrag van € 12.100,-. [gedaagde/eiser] heeft dit bedrag op 1 september 2003 volledig terugbetaald. Omdat [eiseres/verweerster] hier aantoonbaar niets aan heeft bijgedragen, dient naar evenredigheid van het inkomen van [eiseres/verweerster] door haar (alsnog) voor een bedrag van

€ 4.033,33 (1/3e deel) te worden bijgedragen. Ook heeft [gedaagde/eiser] voor een bedrag van

€ 6.126,- een Corsa aangeschaft. Hiervoor is hij in 1999 een lening aangegaan die hij in 2003 uit eigen middelen volledig heeft afgelost. Ook daarvoor dient [eiseres/verweerster] nog een bedrag naar evenredigheid van haar inkomen van € 2.042,- aan [gedaagde/eiser] te voldoen, aldus [gedaagde/eiser].

4.37.

[eiseres/verweerster] betwist dat [gedaagde/eiser] nog een vorderingsrecht op haar heeft uit hoofde van bovengenoemde posten. Voor zover er al een vorderingsrecht zou zijn, is dit recht wat haar betreft verjaard. De leningen zijn immers aangegaan in 2001 en omstreeks 2003 terugbetaald, waarmee de vorderingen op grond van het bepaalde in artikel 3:307 lid 1 BW reeds in 2008 zijn verjaard. Daarnaast geldt dat partijen in artikel 4 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst hebben afgesproken dat de rente van leningen voor zaken aangaande de gemeenschappelijke huishouding worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Hetzelfde geldt voor de aflossingen die vanuit de en/of-rekening(en) worden gedaan op die leningen. De kosten van de auto’s zijn volledig voldaan vanuit de en/of-rekening, zodat partijen daartoe beiden voor de helft gerechtigd zijn.

4.38.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst is bepaald dat door partijen aangeschafte vervoersmiddelen hen ieder voor de onverdeelde helft toebehoren. Omdat tussen partijen niet in geschil is dat de bedoelde auto’s na het sluiten van de samenlevingsovereenkomst zijn verkregen, waren de auto’s gemeenschappelijk eigendom van partijen. Artikel 4 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst bepaalt vervolgens dat voor zover de aflossing van de voor de genoemde vervoersmiddelen aangegane geldlening kan worden betaald uit de gemeenschappelijke rekening, deze kosten tot kosten van de gemeenschappelijke huishouding kan worden gerekend. Als onweersproken staat vast dat de aflossingen op de geldleningen zijn verricht vanuit de salarisrekening van [gedaagde/eiser]. Vanaf deze rekening droeg [gedaagde/eiser] bij in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde/eiser] bij het aangaan van de leningen aan [eiseres/verweerster] heeft kenbaar gemaakt dat hij met betrekking tot deze leningen niet de bedoeling had om bij te dragen in de gemeenschappelijke huishouding. Daarom mocht [eiseres/verweerster] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij hiervoor geen bedrag aan [gedaagde/eiser] verschuldigd zou worden Aan [gedaagde/eiser] komt ter zake deze kosten dus geen vergoedingsrecht toe, zodat zijn vordering in reconventie eveneens wordt afgewezen voor zover deze ziet op de bovengenoemde kosten.

eigenaarslasten van de woning

4.39.

[eiseres/verweerster] heeft niet betwist dat [gedaagde/eiser] sinds de peildatum enkele lasten is blijven doorbetalen die eigenlijk voor rekening van [eiseres/verweerster] komen. [gedaagde/eiser] heeft de door hem doorbetaalde lasten gespecificeerd op een bedrag van € 1.977,15. Dit bedrag zal als zijnde onbetwist worden toegewezen als vermeld onder de beslissing.

proceskosten

4.40.

Gelet op het feit dat partijen een affectieve relatie hebben gehad,, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

de rechtbank:

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde/eiser] te gehengen en gedogen en ook voor het overige al zijn medewerking te verlenen aan een taxatie van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [nummer], ter grootte van 2 are en 58 centiare door Janus Makelaardij te IJmuiden en Van der Schaaf en Kooijmans Makelaars te Bloemendaal binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, en bepaalt dat het verschil in uitkomsten van de door deze makelaars te verrichten taxaties door partijen moet worden gemiddeld en dat het daaruit voortvloeiende bedrag de waarde van de woning bepaalt;

5.2.

veroordeelt [gedaagde/eiser] om binnen tien weken na de dag waarop de taxatiewaarde van de woning is vastgesteld, alles te doen wat nodig is opdat [eiseres/verweerster] zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning verbonden hypothecaire verplichtingen, dan wel aan te tonen dat de hypotheekhouder niet bereid is [eiseres/verweerster] uit de hoofdelijkheid te ontslaan;

5.3.

veroordeelt [gedaagde/eiser] om binnen tien weken na de dag waarop de taxatiewaarde van de woning is vastgesteld, aan [eiseres/verweerster] te voldoen de helft van de overwaarde van de woning, welke overwaarde wordt berekend door de taxatiewaarde te verminderen met de totale hypothecaire schuld van € 200.000,- en de inbreng door [gedaagde/eiser] ad

€ 86.218,24;

5.4.

beveelt [gedaagde/eiser], indien [gedaagde/eiser] ofwel binnen de onder 5.3 genoemde termijn aan [eiseres/verweerster] geen bericht heeft kunnen overleggen waaruit volgt dat zij door de hypotheekhouder is ontslagen uit de hoofdelijkheid, en/of zodra [eiseres/verweerster] bericht ontvangt dat de hypotheekhouder haar niet zal ontslaan uit de hoofdelijkheid, en/of [gedaagde/eiser] bericht dat hij de woning niet meer wenst over te nemen en/of [gedaagde/eiser] de waarde als genoemd onder 5.3 niet binnen de aldaar genoemde termijn heeft voldaan aan [eiseres/verweerster], om de nodige medewerking te verlenen en toegang te verschaffen aan de makelaar die opdracht heeft gekregen de verkoop van de woning te begeleiden en potentiële kopers onder diens begeleiding toe te laten;

5.5.

bepaalt dat [gedaagde/eiser] een dwangsom verbeurt van € 500,- voor elke keer dat hij de woning op verzoek van de makelaar niet openstelt of laat openstellen voor bezichtiging en overdracht van de woning door/aan potentiële kopers, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 10.000,-;

5.6.

machtigt [eiseres/verweerster] om, indien [gedaagde/eiser] weigert zijn medewerking te verlenen aan het bepaalde onder 5.4, namens [gedaagde/eiser] de verkoopovereenkomst ten aanzien van de woning op te stellen en te ondertekenen;

5.7.

bepaalt dat dit vonnis in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de woning vereiste toestemming en/of wilsverklaring en/of medewerking van [gedaagde/eiser] anderszins, indien [gedaagde/eiser] zijn medewerking daaraan weigert;

5.8.

bepaalt dat partijen de saldi per peildatum op de Moneyou spaarrekening(en) dienen te verdelen in die zin dat aan [eiseres/verweerster] wordt toebedeeld een bedrag van € 99.687,44 en aan [gedaagde/eiser] wordt toebedeeld een bedrag van € 35.530,- en veroordeelt [eiseres/verweerster] uit dien hoofde tot terugbetaling aan [gedaagde/eiser] van een bedrag van € 40.538,- (het verschil tussen de reeds door haar aan zichzelf overgemaakte € 76.068,- en de haar toekomende

€ 35.530,-);

5.9.

bepaalt dat aan [eiseres/verweerster] wordt toebedeeld het motorrijtuig van het merk Renault

met kenteken [kenteken] voor een bedrag van € 3.750,-, onder verrekening van de helft van

de waarde met [gedaagde/eiser];

5.10.

bepaalt dat aan [gedaagde/eiser] wordt toebedeeld het motorrijtuig van het merk Audi

met kenteken [kenteken] voor een bedrag van € 17.850,-, onder verrekening van de helft

van de waarde met [eiseres/verweerster];

5.11.

veroordeelt [gedaagde/eiser] zijn medewerking te verlenen aan de overdracht en

tenaamstelling van de onder 5.9 en 5.10 opgenomen motorrijtuigen;

5.12.

bepaalt dat de in de woning aanwezige inboedel wordt toebedeeld aan [gedaagde/eiser],

onder verrekening van een door [gedaagde/eiser] aan [eiseres/verweerster] te voldoen bedrag van € 2.750,-;

5.13.

verklaart dit vonnis in conventie tot zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

5.14.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.15.

veroordeelt [eiseres/verweerster] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde/eiser] te betalen een bedrag van € 1.977,15, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.16.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

5.17.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in conventie en in reconventie

5.18.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.19.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Korteweg en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2020.3

1 ECLI:NL:RBDHA:2018:8181.

2 ECLI:NL:RBGEL:2017:4954.

3 type: coll: