Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6844

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
C/15/281581 / HA ZA 18-764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Benoeming deskundige waardering aandelen. Bepaling regiezitting over vraagstelling, voorwaarden en onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/281581 / HA ZA 18-764

Vonnis van 26 augustus 2020

in de zaak van

de vennootschap naar Zweeds recht

NEW WAVE GROUP AB,

gevestigd te Ytterby, Zweden,

eiseres,

advocaat mr. H. Ruiter te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN DER SPRUIT BEHEER B.V.,

gevestigd te Castricum,

gedaagde,

advocaat mr. A.J. Tekstra te Amsterdam.

Partijen zullen hierna New Wave en VDS Beheer genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 april 2020,

  • -

    de akte van 19 mei 2020 van New Wave en

  • -

    de akte van 28 mei 2020 met een productie van VDS Beheer.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Het in het tussenvonnis aangekondigde deskundigenbericht zal nu worden bevolen. De rechtbank heeft kennis genomen van het tussen partijen gevoerde debat omtrent het aantal te benoemen deskundigen, de persoon van de deskundige(n), de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen, de peildatum voor de waardering van de aandelen, de hoogte van het te betalen voorschot en overige voorwaarden.

2.2.

Partijen hebben overeenstemming bereikt over het feit dat er één deskundige benoemd dient te worden, dat deze deskundige als Register Valuator ingeschreven dient te zijn bij het Nederlands Instituut voor Register Valuators (NIRV) en dat de peildatum voor de waardering van de aandelen 17 oktober 2018 dient te zijn. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen de vraagstelling zoals door de rechtbank voorgesteld in het tussenvonnis, behoudens een aanvullend voorgestelde vraag door New Wave.

Persoon/specialisme deskundige

2.3.

New Wave heeft verzocht een deskundige te benoemen die als specialisme ‘geschillen’ heeft, actief is in de groothandel en industrie, werkzaam is in de regio West en nationale en internationale ervaring heeft. VDS Beheer heeft zich over deze punten niet uitgelaten. New Wave en VDS Beheer hebben geen voorstellen gedaan voor de persoon van de deskundige. De rechtbank heeft de heer mr. drs. P.P.C. Buijsrogge bereid gevonden als deskundige op te treden. Deze deskundige sluit zo goed mogelijk aan bij de eisen zoals door partijen verzocht. De deskundige heeft namelijk als specialismen ‘aandelenwaardering’ en ‘waardering in conflictsituaties’ en is als Register Valuator ingeschreven bij het NIRV. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank Buijsrogge als deskundige benoemen.

Vraagstelling en voorwaarden

2.4.

Hierna wordt gesproken over ‘concept vraagstelling’, omdat de vraagstelling op een later moment definitief zal worden vastgesteld (zie hierna onder 2.13).

2.5.

New Wave heeft verzocht een vraag toe te voegen aan de vraagstelling, namelijk:

“Kunt u bij de waardering van de aandelen in het bijzonder rekening houden met de waardering van de intragroep-vorderingen en vorderingen op derden, zowel in het geval van (deel)betaling van die vorderingen als in het geval van (deels) afboeken daarvan?”

2.6.

VDS Beheer heeft in haar akte niet expliciet gereageerd op voornoemde voorgestelde vraag. Uit de akte van VDS Beheer (onder gedachtestreepje 8) leidt de rechtbank echter af dat zij instemt met deze vraag. VDS Beheer heeft namelijk geschreven dat van belang is hoe Intraco Holding is omgegaan met vermeende vorderingen op VDS Beheer en daarmee verbonden partijen en hoe die in de financiële administratie zijn verwerkt. De rechtbank is met partijen van oordeel dat de wijze van verwerking van de bedoelde vorderingen van belang is bij de waardering van de aandelen. De rechtbank voegt voornoemde vraag dan ook toe aan de concept vraagstelling aan de deskundige.

2.7.

VDS Beheer heeft in haar akte door middel van (totaal) een negental gedachtestreepjes – kort gezegd – aangegeven waaraan het onderzoek door de deskundige moet voldoen c.q. waarmee rekening gehouden moet worden.

2.8.

VDS Beheer voert bij gedachtestreepje 1 aan dat het voor de hand ligt dat sprake zal zijn van een Cash Flow Based waardering (DCF/APV). De rechtbank is van oordeel dat de DCF-methode (Discounted Cash Flow) dient te worden gehanteerd en zal dit dan ook toevoegen aan de concept vraagstelling.

2.9.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de opmerkingen van VDS Beheer in gedachtestreepjes 2 t/m 5, 7 en 9 van de akte als volgt. Deze opmerkingen van VDS Beheer zien op de wijze waarop het onderzoek uitgevoerd dient te worden en betreffen feiten en omstandigheden waarmee de deskundige volgens VDS Beheer al dan niet rekening moet houden. Naar het oordeel van de rechtbank is het de taak en verantwoordelijkheid van de deskundige om hierover beslissingen te nemen in het kader van de beantwoording van de aan hem gestelde vragen. De deskundige dient de Leidraad voor deskundigen in civiele zaken in acht te nemen (zie 3.15). Uit die Leidraad volgt onder andere dat van de deskundige wordt verlangd dat hij het onderzoek uitvoert en verslaat met gebruik van zijn kennis en ervaring op zijn vakgebied en met inachtneming van de eventueel op zijn vakgebied geldende regels, normen of gebruiken. De deskundige dient het onderzoek zelfstandig te verrichten. Dit betekent dat de deskundige zelf kiest hoe hij het deskundigenonderzoek inricht, uitvoert en verslaat en hoe hij partijen in het onderzoek betrekt. Hij heeft de leiding van het onderzoek en is daarmee ook verantwoordelijk voor de voortgang ervan. In de wijze waarop hij het onderzoek leidt, houdt hij rekening met de gerechtvaardigde belangen van partijen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding om nadere inhoudelijke instructies te geven aan de deskundige. Wel voegt de rechtbank aan de concept vraagstelling de vraag toe of de deskundige tot uitdrukking wil brengen welke omstandigheden hij heeft meegewogen bij de bepaling van de waarde.

2.9.1.

VDS Beheer voert aan dat voor aanvang van het onderzoek bepaalde informatie aan de deskundige moet worden verstrekt. De rechtbank gaat ervan uit dat de deskundige in het kader van de beantwoording van de vraagstelling zelf de informatie die hij relevant acht bij partijen zal opvragen.

2.9.2.

VDS Beheer geeft aan dat zij in de gelegenheid dient te worden gesteld om haar opmerkingen zoals opgenomen in de akte met de deskundige te bespreken, zodat de deskundige hier rekening mee kan houden bij zijn onderzoek. De rechtbank overweegt dat deze mogelijkheid bestaat bij de hierna te noemen regiezitting.

2.10.

Wat betreft gedachtestreepje 6 van de akte van VDS Beheer overweegt de rechtbank dat voor zover gedoeld wordt op ‘vaststelling’ van financiële gegevens in vennootschapsrechtelijke zin, de rechtbank geen aanleiding ziet om op dit punt een beslissing te nemen. De rechtbank gaat er vanuit dat de toepasselijke vennootschapsrechtelijke procedures waar nodig worden gevolgd.

2.11.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank aan de deskundige per e-mail de volgende concept vraagstelling voorgelegd:

  1. Wat is de waarde van de aandelen die VDS Beheer houdt in Intraco Holding op 17 oktober 2018 (datum dagvaarding)? U wordt verzocht daarbij te waarderen volgens de DCF-methode (Discounted Cash Flow). Wilt u daarbij tot uitdrukking brengen welke omstandigheden u heeft meegewogen bij de bepaling van de waarde?

  2. Kunt u bij de waardering van de aandelen in het bijzonder rekening houden met de waardering van de intragroep-vorderingen en vorderingen op derden, zowel in het geval van (deel)betaling van die vorderingen als in het geval van (deels) afboeken daarvan?

  3. Heeft u verder nog op- of aanmerkingen die van belang (kunnen) zijn voor de beoordeling van dit geschil?

2.12.

Bij e-mail van 14 augustus 2020 heeft de deskundige, onder andere, aan de rechtbank laten weten:

“Wij staan vrij ten opzichte van partijen.

Graag ga ik hierbij in op de vraagstelling van de rechtbank:

Wat is de waarde van de aandelen die VDS Beheer houdt in Intraco Holding op 17 oktober 2018 (datum dagvaarding)? U wordt verzocht daarbij te waarderen volgens de DCF-methode (Discounted Cash Flow). Wilt u daarbij tot uitdrukking brengen welke omstandigheden u heeft meegewogen bij de bepaling van de waarde?

Economische waarde is subjectief, dat wil zeggen afhankelijk van de persoon die de onderneming beschouwt. Er bestaat niet zoiets als één objectieve waarde. Er bestaan dus meerdere economische waardes, die afhankelijk zijn van de personen die beschouwen. Die waardes zijn afhankelijk van verwachtingen die de beschouwende persoon heeft ten aanzien van toekomstige vrije geldstromen en het risico waarmee die geldstromen tot stand komen. De vraag van de deskundige aan de rechtbank zal dus allereerst moeten zijn van welke persoon de rechtbank de economische waarde wenst. Vervolgens dient de deskundige de verwachtingen van deze persoon te kennen en de rendementseis van deze persoon. Indien deze informatie er niet is dan werpt zich de vraag op hoe die informatie verkregen moet worden door de deskundige. Daarbij moet worden opgemerkt dat bij het toepassen van de DCF-methode men uit moet gaan van de verwachtingen voor toekomstige geldstromen zoals die er waren op waarderingsmoment. De deskundige is waarderingsdeskundige maar is geen bedrijfsdeskundige in de sector waarin Intraco Holding actief is. In hoeverre kan de deskundige gebruik maken van sectordeskundigen indien dat noodzakelijk is voor de waardering en/of de toetsing van door partijen aangeleverde informatie?

Kunt u bij de waardering van de aandelen in het bijzonder rekening houden met de waardering van de intragroep-vorderingen en vorderingen op derden, zowel in het geval van (deel)betaling van die vorderingen als in het geval van (deels) afboeken daarvan?

Is deze informatie op waarderingsdatum bekend? Moet de deskundige deze informatie nog toetsen?

Heeft u verder nog op- of aanmerkingen die van belang (kunnen) zijn voor de beoordeling van dit geschil?

Het is onze werkwijze dat er voorafgaand aan onze benoeming als deskundige er een regiezitting plaatsvindt. Onder leiding van de rechter komen partijen, hun advocaten en de deskundige bijeen in een zitting. De deskundige kan dan uitleg geven over een waarderingsonderzoek en nadere vragen stellen om de opdracht helder te krijgen. Op basis van de informatie die u ons gemaild heeft en de jaarrekening over 2017 en 2018 van de vennootschappen stellen wij voorafgaand aan de regiezitting een aantal vragen c.q. bespreekpunten op die naar partijen en de rechter worden gestuurd. Op basis van de informatie uit de regiezitting kunnen onze kosten ook beter worden ingeschat aangezien dan duidelijk is welke werkzaamheden wel of niet door ons moeten worden uitgevoerd. Voor onze werkzaamheden maakt het bijvoorbeeld veel uit of wij prognoses krijgen aangeleverd of dat wij zelf prognoses moeten reconstrueren.

De kosten voor een deskundigenonderzoek kunnen dus erg variëren en op basis van onze ervaring kunnen die liggen tussen de € 15.000 en € 40.000 exclusief btw. Onze uurtarieven zijn € 300 ex btw voor een partner en € 150 ex btw voor een consultant. De kosten voor de regiezitting (inclusief onze voorbereiding) kunnen wij aanbieden voor een vast bedrag van € 2.500 exclusief btw. Onze algemene voorwaarden willen wij van toepassing laten zijn voor partijen, deze hebben wij bijgesloten in deze mail. Onze declaraties vinden maandelijks plaats.”

Verdere procedure

2.13.

De rechtbank is van oordeel dat voordat beslist wordt over de definitieve vraagstelling en het verdere verloop van het onderzoek, een regiezitting moet worden gehouden. Deze regiezitting heeft in elk geval als doel om de onderwerpen genoemd onder 2.12 te bespreken en om na te gaan welke instructies voor de deskundige dan wel voor partijen nodig zijn, wat de definitieve vraagstelling wordt, wat de kostenindicatie van de deskundige voor een eventueel nader onderzoek is en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

2.14.

Partijen dienen uiterlijk vier weken voorafgaand aan de mondelinge behandeling schriftelijk te reageren op de vragen en opmerkingen van de deskundige als genoemd onder 2.12. Daarbij dienen tevens de meest recente statuten van Intraco Holding B.V. te worden overgelegd zodat duidelijk wordt of en zo ja welke bepalingen er zijn die betrekking hebben op aandelenwaardering. Daarnaast dient de beschikbare informatie over afboekingen en/of betalingen op de intragroep-vorderingen en vorderingen op derden te worden overgelegd.

Voorschot

2.15.

In de vorige beslissing is al aangekondigd dat het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden gedeponeerd door New Wave.

2.16.

In de brief van de griffier waarmee de voorschotnota van de deskundige aan partijen wordt doorgezonden, zal de termijn voor de voldoening van het voorschot worden gesteld op twee weken. Als het voorschot niet binnen de gestelde termijn is betaald, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.

Regiezitting

2.17.

Wat betreft de hoogte van het voorschot stelt New Wave dat dit een bedrag van € 4.500,- zou mogen bedragen. VDS Beheer stelt dat een bedrag van € 10.000,- zou moeten voldoen. Voornoemde bedragen zijn niet onderbouwd door partijen. De deskundige heeft zijn kosten voor voornoemde regiezitting begroot op € 2.500,00 exclusief btw en aangegeven dat zijn algemene voorwaarden van toepassing zijn. De rechtbank zal de hoogte van het voorschot in het kader van de regiezitting vaststellen op € 3.025,00 inclusief btw.

Onderzoek

2.18.

Na de regiezitting zal de rechtbank oordelen over de hoogte van het voorschot voor een eventueel verder onderzoek. Het voorschot zal na afloop van de regiezitting worden vastgesteld op een door de deskundige te bepalen bedrag, tenzij binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffier aan partijen, waarbij een kopie van de voorschotnota van de deskundige wordt doorgezonden, schriftelijk bezwaar tegen het voorschot ter griffie is ingekomen. In laatstgenoemd geval zal de rechtbank nader beslissen over de begroting van het voorschot.

2.19.

De deskundige dient niet met het onderzoek te beginnen voordat de rechtbank schriftelijk aan de deskundige heeft laten weten dat het voorschot ter griffie is ontvangen en het onderzoek kan beginnen.

Overige bepalingen

2.20.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

2.21.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

2.22.

De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep van deze tussenbeslissing toe te staan. Zij zal de beslissing over het voorschot ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

2.23.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

beveelt een onderzoek door een deskundige,

3.2.

benoemt ter zake de waardering van de aandelen die VDS Beheer houdt in Intraco Holding BV tot deskundige:

P.P.C. BUIJSROGGE,

Bright Orange B.V.,

adres: Barbara Strozzilaan 201, 1083 HN, Amsterdam,

telefoon: 020 3031220,

mobiele telefoon: 06 22199989,

emailadres: peterpaul@brightorange.nl,

3.3.

bepaalt dat de deskundige nog nader te formuleren vragen dient te beantwoorden,

regiezitting

3.4.

bepaalt een regiezitting op een nog nader te bepalen datum en gelast partijen, hun advocaten en de deskundige aanwezig te zijn. Partijen zullen hiervoor nog een afzonderlijke oproep ontvangen,

3.5.

benoemt tot rechter-commissarissen de rechters die dit vonnis wijzen,

3.6.

bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van 9 september 2020 voor het opgeven van de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden oktober 2020 tot en met februari 2021, waarna dag en uur van de regiezitting worden bepaald,

3.7.

wijst partijen er op, dat voor de regiezitting twee uur zal worden uitgetrokken,

het voorschot

3.8.

stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige voor de regiezitting zoals genoemd onder 2.13 vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 3.025,00 inclusief btw,

3.9.

bepaalt dat New Wave het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,

3.10.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

3.11.

bepaalt dat de deskundige niet met zijn onderzoek dient te beginnen voordat de rechtbank schriftelijk aan de deskundige heeft laten weten dat het voorschot ter griffie is ontvangen en het onderzoek kan beginnen,

het onderzoek

3.12.

bepaalt dat New Wave het procesdossier zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk vier weken voorafgaand aan de regiezitting, in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen,

3.13.

bepaalt dat partijen uiterlijk vier weken voorafgaand aan de regiezitting een akte moeten nemen, zoals genoemd onder 2.14 en deze akte aan de rechtbank en aan de deskundige doen toekomen,

3.14.

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zal instellen onder leiding van de rechters die deze beslissing hebben gegeven op de regiezitting in het gerechtsgebouw te Alkmaar aan de Kruseman van Eltenweg 2 op een door de rechters in overleg met de deskundige en partijen vast te stellen datum en tijd,

3.15.

wijst de deskundige er op dat de deskundige voor aanvang van de regiezitting dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op http://www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),

overige bepalingen

3.16.

verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,

3.17.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus, mr. J.H. Gisolf en mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2020.1

1 type: IV coll: AM