Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6792

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
8256769
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzekeringsovereenkomst. Premiebetaling. Beroep op artikel 21 22 en 111 Rv brengt geen nietigheid met zich maar wel afwijzing BGK en compensatie proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8256769 \ CV EXPL 20-118 (SS/WT)

Uitspraakdatum: 2 september 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de naamloze vennootschap Achmea Schadeverzekeringen N.V. handelend onder de naam Interpolis

gevestigd te Apeldoorn

eiseres

verder te noemen: Achmea

gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

tegen

1 de vennootschap onder firma [naam]

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats]

2. [gedaagde sub 2], vennoot van gedaagde sub 1

wonende te [woonplaats]

3. [gedaagde sub 3], vennoot van gedaagde sub 1

wonende te [woonplaats]

gedaagden,

gezamenlijk verder in enkelvoud te noemen: [gedaagden]

gemachtigde: mr. H.H.M. Meijroos, advocaat te Den Haag

1 Het procesverloop

1.1.

Achmea heeft bij dagvaarding van 17 december 2019 een vordering tegen [gedaagden] ingesteld. [gedaagden] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Achmea heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagden] een schriftelijke reactie heeft gegeven. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

1.3.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De vordering

2.1.

Achmea vordert dat de kantonrechter [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 2.244,11. Dit bedrag is opgebouwd uit een hoofdsom van € 1.733,07, een bedrag aan rente tot aan de dag van dagvaarding van € 196,49, en een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 314,55, inclusief BTW. Ook vordert Achmea wettelijke handelsrente over € 1.733,07 vanaf de dag der dagvaarding en veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

2.2.

Achmea legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat zij met [gedaagden] een verzekeringsovereenkomst (Bedrijven Compact Polis) heeft gesloten. Deze overeenkomst is door [gedaagden] tussentijds beëindigd per 15 juni 2018. Op basis daarvan heeft zij aan [gedaagden] haar factuur voor de (resterende) premie over de periode 15 mei 2018 tot 15 augustus 2018 van € 1.733,07 verzonden. Ondanks aanmaning weigert [gedaagden] deze factuur te betalen. Hierdoor is zij in verzuim geraakt. Achmea heeft haar incassogemachtigde moeten inschakelen. Hierdoor is [gedaagden] ook buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

3 Het verweer

3.1.

[gedaagden] betwist de vordering. Zij voert daartoe – kort samengevat – het volgende aan. Zij betwist bij gebrek aan wetenschap dat zij met Achmea een verzekeringsovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan zij nog enig bedrag verschuldigd zou zijn. De dagvaarding geeft hierover geen duidelijkheid. [gedaagden] is van mening dat hiermee niet is voldaan aan de substantiëringsplicht c.q. dat artikel 21 en 22 Rv geschonden zijn. [gedaagden] en haar gemachtigde hebben bij herhaling om opheldering en onderliggende stukken gevraagd, maar de gevraagde informatie is niet gegeven. Ook de dagvaarding bevat geen producties.

3.2.

[gedaagden] stelt zich verder op het standpunt dat de onderhavige garagepolis (sedert begin oktober 2017) is geëindigd na het derde kwartaal 2017. [gedaagden] bankierde bij de Rabobank en had haar garagepolis lopen bij Rabo-dochter Interpolis (thans Achmea). Omdat er meer problemen waren hebben [gedaagden] en de Rabobank/Interpolis in onderling overleg de complete relatie beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst d.d. 12 oktober 2017. Hiermee bestond er geen enkele relatie meer tussen [gedaagden] en Rabobank (en dochter Interpolis). Omdat er toch nog premies geïncasseerd werden heeft [gedaagden] contact opgenomen met zijn contactpersoon bij de Rabobank. Deze gaf aan dat de garagepolis eigenlijk opgezegd had behoren te worden en deze verzocht [gedaagden] om dit nog formeel te doen. Dit heeft [gedaagden] alsnog op 15 juni 2018 schriftelijk gedaan. [gedaagden] stelt zich op het standpunt geen premie meer verschuldigd te zijn na 12 oktober 2017 en heeft na deze datum dan ook geen premiebetalingen meer aan Achmea (Interpolis) gedaan.

3.3.

[gedaagden] maakt verder bezwaar tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en tegen de gevraagde veroordeling in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

4.2.

Verder dient ingevolge artikel 111 lid 2 Rv het exploot van dagvaarding onder meer de eis en de gronden daarvan te vermelden en ingevolge lid 3 van dat artikel dient het exploot van dagvaarding de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor te bevatten. Verder vermeldt het exploot de bewijsmiddelen waarover eiser kan beschikken en de getuigen die hij kan doen horen ter staving van de aldus betwiste gronden van de eis.

4.3.

[gedaagden] voert in dit geding primair aan dat Achmea niet heeft voldaan aan de verplichtingen zoals die zijn neergelegd in artikel 21, 22 en 111 Rv. Zo is volgens [gedaagden] de grondslag van de vordering onduidelijk in de dagvaarding weergegeven en ontbreken onderliggende stukken ter onderbouwing. De kantonrechter overweegt hierover dat de dagvaarding inderdaad summier van karakter is en dat feitelijke onderbouwing, in de vorm van een nadere toelichting of onderliggende stukken, zoals een verzekeringsovereenkomst, polisblad of factuur, ontbreken. Dat leidt in dit geval echter niet tot nietigheid van de dagvaarding, omdat het voor [gedaagden] in redelijkheid duidelijk moet zijn geweest waar het in casu om gaat. [gedaagden] wist immers dat Achmea zich op het standpunt stelde dat zij uit hoofde van de tussen partijen in het verleden gesloten verzekeringsovereenkomst nog aanspraak maakte op achterstallige premie. Daarbij heeft Achmea haar vordering bij repliek alsnog (verder) toegelicht en met producties onderbouwd. Aldus heeft [gedaagden] alsnog gemotiveerd verweer kunnen voeren tegen de vordering. Hoewel één en ander in dit geding niet tot nietigheid leidt, ziet de kantonrechter evenwel aanleiding hieraan de gevolgen te verbinden die haar geraden voorkomen, op de hierna onder 4.7 te melden wijze.

4.4.

Vast staat dat tussen partijen in ieder geval vanaf de aanvang van de VOF in januari 2014 een “Bedrijven compact polis” (garagepolis) is gesloten. Hiervoor was [gedaagden] per kwartaal een premiebedrag verschuldigd. Over de periode 15 mei 2018 tot 15 mei 2019 betrof dit een premiebedrag van € 5.215,98. Deze overeenkomst is door tussentijdse opzegging van [gedaagden] door Achmea per 15 juni 2018 beëindigd. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [gedaagden] de (resterende) premie over de periode 15 mei 2018 tot 15 juni 2018 verschuldigd is.

4.5.

[gedaagden] stelt zich in haar verweer op het standpunt dat met de vaststellingsovereenkomst van 12 oktober 2017, waarbij de relatie van [gedaagden] met de Rabobank/Interpolis in onderling overleg is beëindigd, ook de “Bedrijven Compact Polis” is geëindigd. [gedaagden] heeft dan ook na 12 oktober 2017 geen premiebetalingen meer verricht. Dit verweer slaagt niet.

4.6.

In de bedoelde vaststellingsovereenkomst van 12 oktober 2017 worden slechts [gedaagden] en Rabobank Kop van Noord-Holland als partij genoemd, niet Interpolis. Daarbij betreft de vaststellingsovereenkomst de afwikkeling van de zakelijke restschuld van de VOF en niet (ook) de afwikkeling van de verzekeringsovereenkomst(en). In de vaststellingsovereenkomst is verder onder meer het volgende opgenomen, voor zover van belang: (…) De verzekeringen met de bank als tussenpersoon dienen voor 15 mei 2018 (prolongatiedatum) elders te worden overgesloten dan wel te worden gewijzigd van tussenpersoon(…). Tussen partijen staat vast dat [gedaagden] de onderhavige verzekering niet eerder dan per 15 juni 2018 schriftelijk bij zijn contactpersoon van de Rabobank heeft opgezegd. Dit betekent dat [gedaagden] tot 15 juni 2018 premie verschuldigd is. De vordering van Achmea zal dan ook worden toegewezen. De grondslag tot het vorderen van wettelijke handelsrente is niet onderbouwd, zodat de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW zal worden toegewezen.

4.7.

Gelet op wat hierboven onder 4.3 is overwogen zal de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat de één betaalt de anderen zullen zijn bevrijd, tot betaling aan Achmea van € 1.733,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
17 december 2019 tot aan de dag van de gehele betaling;

5.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter