Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6742

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3194
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of eiser recht heeft op een aftrek voor uitgaven voor specifieke zorgkosten. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij dergelijke kosten heeft gemaakt. Voorts oordeelt de rechtbank dat eiser zijn beroep op het vertrouwensbeginsel niet voldoende heeft onderbouwd. Het beroep is ongegrond verklaard. Wel heeft eiser recht op een immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/2162
Viditax (FutD), 14-09-2020
FutD 2020-2701
NTFR 2020/2596
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/3194 tot en met HAA 19/3196

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2020 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen belastingrente opgelegd:

jaar

belastbaar inkomen uit werk en woning (€)

belastingrente (€)

te betalen bedrag (€)

2012

20.130

198

1.372

2013

19.083

141

1.176

2014

19.303

51

587

Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslag en beschikking voor het jaar 2014 gehandhaafd en de navorderingsaanslagen en beschikkingen voor de jaren 2012 en 2013 verminderd:

jaar

belastbaar inkomen uit werk en woning (€)

belastingrente (€)

te betalen bedrag (€)

2012

18.600

93

723

2013

17.663

69

597

2014

19.303

51

587

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2020 te Haarlem. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is gehuwd met mevrouw [C] .

2. Eiser heeft in de aangiften ib/pvv 2012, 2013 en 2014 dieetkosten voor zichzelf en zijn echtgenote in aftrek gebracht ten bedrage van respectievelijk € 1.050, € 850 en € 850. Verweerder heeft deze bedragen gecorrigeerd.

Geschil

3. In geschil is of de navorderingsaanslagen terecht en voor de juiste bedragen zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de aftrek dieetkosten terecht is gecorrigeerd. Voorts is in geschil of verweerder ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft verleend.

4. Eiser stelt dat verweerder de aftrek dieetkosten ten onrechte heeft gecorrigeerd. Ter onderbouwing wijst eiser op twee door hem overgelegde dieetverklaringen. Voorts stelt eiser dat verweerder dezelfde dieetverklaringen voor het jaar 2015 wel heeft geaccepteerd en dat hij er daarom in de onderhavige jaren op mocht vertrouwen dat verweerder dit weer zou doen. Verder stelt eiser dat verweerder ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase aan hem heeft toegekend. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen. Tot slot verzoekt eiser om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

5. Verweerder weerspreekt alle stellingen van eiser en concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

6. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Dieetkosten

7. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, aanhef en sub a, jo. tweede lid, aanhef en sub d van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) komen voor aftrek in aanmerking de op eiser drukkende uitgaven voor specifieke zorgkosten, te weten uitgaven wegens ziekte of invaliditeit, zoals aangeduid in artikel 6.17 Wet IB 2001 en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.

8. Artikel 6.17 van de Wet IB 2001 luidde voor zover van belang als volgt:

“1 Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:

(…)

f. de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet tot een bedrag bepaald bij ministeriële regeling;

(…)”

9. De omvang van de aftrek van dieetkosten wordt forfaitair bepaald aan de hand van de zogenoemde dieetkostentabel die is opgenomen in artikel 37 van de URIB 2001.

10. Ingevolge artikel 37, vijfde lid van de URIB 2001 dient een voorschrift in de zin van voormelde bepaling ten minste te bevatten:

a. gegevens waaruit blijkt dat degene die het voorschrift afgeeft medicus of diëtist is;

b. naam, praktijkadres, telefoonnummer en handtekening van de medicus of diëtist die het voorschrift afgeeft;

c. naam, adres en burgerservicenummer van de persoon aan wie het dieet is voorgeschreven;

d. het ziektebeeld en de aandoening van de persoon, bedoeld in onderdeel c, en de dieettypering van het voorgeschreven dieet;

e. de dagtekening van het voorschrift, de ingangsdatum van het te volgen dieet en indien van toepassing de einddatum van het te volgen dieet.

11. Op eiser rust de last aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk zodanige uitgaven heeft gedaan en dat de kosten niet voor vergoeding in aanmerking zijn gekomen en aldus op hem hebben gedrukt. Eiser wijst op de door hem overgelegde dieetverklaringen. De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaringen niet kan worden afgeleid voor welke periode de diëten zijn voorgeschreven. Bovendien zijn de verklaringen ondertekend in 2016. De verklaringen kunnen daarom niet als onderbouwing dienen voor diëten in de onderhavige jaren. Overigens heeft eiser geen stukken overgelegd om zijn stelling te onderbouwen. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiser niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan.

Vertrouwensbeginsel

12. Voorts doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel. Eiser stelt dat verweerder dezelfde dieetverklaringen voor het jaar 2015 wel heeft geaccepteerd en dat hij er daarom voor de onderhavige jaren op mocht vertrouwen dat verweerder dit weer zou doen.

13. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, stelt de rechtbank voorop dat het antwoord op de vraag of van gerechtvaardigd vertrouwen sprake is, afhangt van de waardering van – voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen – omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling. Omstandigheden als vorenbedoeld kunnen onder meer zijn gelegen in de vaststelling van een aanslag in overeenstemming met een aangifte waarin de belastingplichtige de voor die aanslag van belang zijnde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde had gesteld, in de vaststelling van een aanslag na raadpleging van bewijsstukken, na gehouden besprekingen of gevoerde correspondentie, dan wel in overeenstemming met eerder verstrekte, voor de toen op te leggen aanslag van belang zijnde inlichtingen, of in de tegemoetkoming aan een bezwaar betreffende dezelfde zich onveranderd voordoende aangelegenheid. Voor in rechte te beschermen vertrouwen is aldus meer vereist dan de enkele omstandigheid dat verweerder gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd.

14. Dergelijke omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk. Door de dieetverklaringen voor belastingjaar 2015 te accepteren heeft verweerder geen expliciet standpunt ingenomen over de aftrekbaarheid van de dieetkosten in algemene zin. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.

Proceskostenvergoeding bezwaarfase

15. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

16. Eiser stelt dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase omdat verweerder de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 heeft verminderd. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Dat de navorderingsaanslagen uiteindelijk te hoog waren, is niet te wijten aan een onrechtmatig handelen van verweerder, maar het gevolg van de handelwijze van eiser of zijn gemachtigde. Immers pas in de bezwaarfase zijn de door verweerder gevraagde bewijsmiddelen overgelegd. Hetgeen eiser overigens stelt, leidt de rechtbank niet tot een andere conclusie.

Conclusie

17. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

18. De bezwaarschriften zijn ingediend op 7 december 2017, de uitspraken op bezwaar zijn gedaan op 8 juli 2019 en de rechtbank doet uitspraak op 2 september 2020, zodat in deze zaken de redelijke termijn is overschreden met afgerond negen maanden welke periode geheel is toe te rekenen aan de bezwaarfase. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden zijn door verweerder niet gesteld. Gelet op hierop bedraagt de immateriële schadevergoeding in deze zaak € 1.000 welke geheel door verweerder vergoed dient te worden. Hierbij is in aanmerking genomen dat sprake is van drie met elkaar samenhangende zaken.

Proceskosten

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Bruijnzeel, griffier. De beslissing is gedaan op 2 september 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare zitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.