Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6733

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3397
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser en zijn ex-partner hebben een ouderschapsplan opgesteld. Volgens eiser verbleven de kinderen in 2015 - in afwijking van het ouderschapsplan - doorgaans ten minste drie gehele dagen per week bij hem. De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn standpunt niet aannemelijk heeft gemaakt. Een verklaring van de ex-partner over een ander jaar maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-11-2020
V-N Vandaag 2020/2904
FutD 2020-3538
NTFR 2020/3619
V-N 2020/65.2.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3397

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.032. Daarnaast heeft verweerder een bedrag van € 111 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2020 te Haarlem.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser was tot 31 juli 2015 gehuwd. Hij woonde tot 12 januari 2015 samen met zijn ex-vrouw.

2. Eiser en zijn ex-vrouw hebben twee kinderen. Het jongste kind is geboren op [datum] 2012. Beide kinderen stonden in 2015 ingeschreven op het adres van de moeder.

3. Eiser en zijn ex-vrouw hebben een ouderschapsplan opgesteld. Op basis van het ouderschapsplan bevinden de kinderen zich in de even weken een gehele dag (vierentwintig uur) en in de oneven weken twee gehele dagen bij eiser.

4. Eiser heeft op 6 maart 2016 aangifte ib/pvv 2015 gedaan. Hierin heeft hij de inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna: iack) geclaimd.

5. Verweerder heeft met dagtekening 29 november 2017 de onderhavige aanslag opgelegd waarin de iack niet in aanmerking is genomen.

6. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief van 4 april 2018. Het bezwaarschrift is op 6 april 2018 door verweerder ontvangen. In navolging van het bezwaarschrift hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd. Ook heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Het verslag van het hoorgesprek behoort tot de gedingstukken.

7. Verweerder heeft met dagtekening 5 juni 2019 uitspraak op bezwaar gedaan.

Geschil

8. In geschil is of eiser recht heeft op de iack.

9. Eiser stelt dat hij recht heeft op de iack en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag. Voorts heeft eiser verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding

10. Verweerder weerspreekt dat eiser recht heeft op de iack en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

11. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Iack

12. In artikel 8.14a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt onder meer als voorwaarde voor toekenning van de iack gesteld dat in het kalenderjaar gedurende ten minste zes maanden een kind, dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt, op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Wanneer er sprake is van co-ouderschap geldt de eis dat het kind gedurende meer dan zes maanden in het kalenderjaar bij eiser moet zijn ingeschreven niet. Uit artikel 44b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 volgt dat voor de toepassing van artikel 8.14a, eerste lid, van de Wet IB 2001, een kind tegelijkertijd tot het huishouden van diens beide ouders behoort indien hij doorgaans ten minste drie gehele dagen per week in elk van beide huishoudens verblijft.

13. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:415) geoordeeld dat ook recht bestaat op de iack als de zorg voor de kinderen gelijkelijk wordt verdeeld in een ander duurzaam ritme dan hiervoor vermeld.

14. Eiser stelt dat hij recht heeft op de iack omdat de feitelijke gang van zaken in het onderhavige jaar afweek van het ouderschapsplan. Eiser stelt dat zijn kinderen feitelijk drie dagen en drie nachten per week bij hem verbleven. Eiser heeft een door hem en zijn ex-vrouw ondertekende verklaring overgelegd voor het jaar 2016. Eiser stelt dat de gang van zaken in 2015 niet afweek van 2016.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat de kinderen in 2015 doorgaans ten minste drie gehele dagen per week bij hem verbleven. Eiser en zijn ex-vrouw zijn in 2015 uit elkaar gegaan. In datzelfde jaar hebben zij het ouderschapsplan opgesteld. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting verklaard dat 2015 een “rotjaar” voor alle partijen is geweest. De relatie tussen eiser en zijn ex-vrouw is volgens de gemachtigde pas in 2016 verbeterd. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat partijen in 2015 van het ouderschapsplan zijn afweken. Bovendien zijn er geen stukken overgelegd die de door eiser geschetste gang van zaken onderbouwen. De overgelegde verklaring ziet immers op 2016. Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiser niet in de op hem rustende bewijslast is geslaagd.

16. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

17. Eiser heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding voor de schade die hij heeft geleden en lijdt in de vorm van de spanning en frustratie als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar.

18. Het bezwaarschrift is ingediend op 6 april 2018, uitspraak op bezwaar is gedaan op 5 juni 2019, en de rechtbank doet uitspraak op 2 september 2020, zodat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden met minder dan zes maanden welke periode geheel is toe te rekenen aan de bezwaarfase. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden, zijn door verweerder niet gesteld. Gelet hierop bedraagt de immateriële schadevergoeding in deze zaak € 500 welke geheel door verweerder vergoed dient te worden.

Proceskosten

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. Bruijnzeel, griffier. De beslissing is gedaan op 2 september 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.