Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6701

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3775
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Verweerder heeft terecht geen sport- en cultuurstrippenkaart aan eiser toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3775

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C. Steijgerwalt),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder – voor zover hier van belang – de aanvraag van eiser om een strippenkaart vanuit het Sport- en Cultuurfonds voor zijn kleinkind afgewezen.

Bij besluit van 23 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het

onderzoek ter zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek heden

gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 21 januari 2019 een sport- en cultuurstrippenkaart voor het jaar 2019 aangevraagd voor zijn kleindochter, tevens pleegdochter [naam] . [naam] is geboren op [geboortedatum] . Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen, dat na bezwaar is gehandhaafd.

2. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser op grond van artikel 1 en 2 van de Beleidsregel sport- en cultuur strippenkaart 2015 (hierna: de Beleidsregel) en artikel 4 van de Participatiewet (PW) niet in aanmerking komt voor een sport- en cultuurstrippenkaart voor [naam] . Het Sport- en Cultuurfonds bij verweerder staat niet open voor pleegkinderen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens verweerder niet slagen.

3. Eiser stelt dat hij recht heeft op een sport- en cultuurstrippenkaart voor zijn pleegdochter. Hiertoe voert hij aan dat in artikel 4, onder d, van de PW uitdrukkelijk is bepaald dat onder ‘kind’ ook in bepaalde gevallen het pleegkind valt. Volgens eiser dient de Beleidsregel hier nader op in te gaan. Verder is eiser van mening dat indien het Sport- en Cultuurfonds niet open staat voor pleegkinderen, verweerder dient aan te geven welk ander fonds dan aangeschreven kan worden. De pleegzorgvergoeding is namelijk niet voldoende dekkend en voorziet ook niet in deze extra kosten.

Verder doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel. Hiertoe voert eiser aan dat verweerder in 2017 (gedeeltelijk) en in 2018 een strippenkaart aan eiser heeft toegekend voor zijn pleegkind. Eiser bestrijdt de uitleg in het bestreden besluit dat de strippenkaart in 2018 per abuis is toegekend. Eiser meent dat deze in 2018 is toegekend, omdat [naam] een pleegkind is. Eiser doet ook een beroep op het vertrouwensbeginsel omdat verweerder op 8 juli 2019 gratis kermismuntjes aan eiser en [naam] heeft verstrekt, omdat door Stichting Leergeld het lesgeld van [naam] in 2017 is vergoed en door deze stichting is gewezen op de strippenkaart van verweerder, omdat [naam] op uitdrukkelijk verzoek van verweerder bij eiser is komen wonen en verweerder in diverse gesprekken heeft gewezen op de mogelijkheid om de sport- en cultuurstippenkaart te verkrijgen.

4. De volgende regelgeving is van belang.

4.1

In artikel 1 van de Beleidsregel sport- en cultuurstrippenkaart 2015 (hierna: de Beleidsregel) wordt vermeld dat de begripsbepalingen van de Participatiewet (PW) van toepassing zijn.

4.2

Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Beleidsregel, verstrekt het college aan de onder lid 1 genoemde inwoners op verzoek ook sport- en cultuurstrippen ten behoeve van hun kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar.

4.3

Op grond van artikel 4, eerste lid, onder c, van de PW, wordt verstaan onder gezin:

1. de gehuwden tezamen;

2. de gehuwden met de tot hun last komende kinderen;

3. de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen.

4.4

In artikel 4, eerste lid, onder d, van de PW, is bepaald dat als kind wordt verstaan het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind of, voor de toepassing van de artikelen 9, 9a en 30, tweede lid, het in Nederland woonachtige pleegkind.

4.5

Op grond van artikel 4, eerste lid, onder e, van de PW, is een ten laste komend kind het kind jonger dan 18 jaar voor wie aan de alleenstaande ouder of de gehuwde op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid, van die wet niet van toepassing zou zijn.

5. De rechtbank overweegt als volgt. In de Beleidsregel wordt voor de beoordeling of sprake is van een kind aangesloten bij de begrippen van de PW. Uit artikel 4, eerste lid, onder d, van de PW wordt als kind verstaan het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind. Vast staat dat [naam] niet het eigen kind of stiefkind van eiser is. Er bestaat weliswaar een uitzondering waarin voor de toepassing van de artikelen 9 en 9a (de arbeidsverplichtingen en de mogelijkheden voor ontheffing daarvan) een pleegkind als eigen kind beschouwd kan worden. Zoals verweerder heeft toegelicht in het verweerschrift van 4 september 2019 hebben deze artikelen echter niets te maken met de financiële kant van het hebben van een pleegkind, maar met de daarbij behorende zorgtaken (artikel 30 van de PW is komen te vervallen). Ook is in het geval van eiser geen sprake van een ten laste komend kind (artikel 4, eerste lid, onder e, van de PW). Eiser ontvangt immers een pleegzorgvergoeding en geen kinderbijslag. De rechtbank kan verweerder dan ook volgen dat op grond van de Beleidsregel geen recht op een strippenkaart voor [naam] bestaat, omdat zij niet als kind van eiser kan worden beschouwd. Verder heeft verweerder in het verweerschrift van 4 september 2019 uiteengezet dat de pleeggeldvergoeding ook bedoeld is voor sportbeoefening. De rechtbank kan dit volgen.

5.1

Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. In 2017 is de strippenkaart aan de moeder van [naam] toegekend. Uit de brief van 28 mei 2018 blijkt dat eiser over het jaar 2017 een gedeelte van de strippenkaart van de moeder van [naam] toegestuurd heeft gekregen. Toen was dus sprake van een andere situatie. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit en in het verweerschrift aangegeven dat in 2018 een strippenkaart is toegekend, maar dat [naam] toen ten onrechte is aangemerkt als eigen kind. Dit volgt ook uit het rapport van 13 maart 2019, waarin is vermeld dat [naam] bij de aanvraag voor 2018 is opgevoerd als eigen kind. Volgens vaste jurisprudentie hoeft verweerder een eerder gemaakte fout niet ter herhalen (ECLI:NL:CRVB:2015:3880).

Aan de websites over pleegouders kan eiser geen rechten ontlenen. Op deze sites wordt weliswaar aangegeven dat er verschillende mogelijkheden zijn om een beroep te doen op Sportfondsen, maar ook dat deze per gemeente verschillen. Bij verweerder staat het Sport- en Cultuurfonds niet open voor pleegkinderen zoals volgt uit rechtsoverweging 5.

Verder kan eiser ook geen rechten ontlenen aan de omstandigheid dat verweerder kermismuntjes aan eiser en [naam] heeft verstrekt of dat stichting Leergeld eiser heeft gewezen op de mogelijkheid een strippenkaart aan te vragen. Hieruit blijkt immers niet dat aan eiser een strippenkaart zal worden toegekend. Bovendien heeft stichting Leergeld daar geen zeggenschap over. Tot slot is niet gebleken dat een medewerker van verweerder ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen aan eiser heeft gedaan, waaraan hij het gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen ontlenen dat hij recht zou hebben op een sport- en cultuurstrippenkaart voor [naam] .

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door op 2 september 2020 door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van I.M. Wijnker-Duiven, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.