Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6696

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
8228974
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst schuur. De zich daarin bevindende boot valt niet onder deze koop. Contante betalingen niet aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8228974 \ CV EXPL 19-9646 (WT)

Uitspraakdatum: 2 september 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. M.G. Lodewijk (IP Nederland incasso en juristen te Bergen)

tegen

[gedaagde]

wonende in de gemeente [plaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. G.D.J. Zaalberg, advocaat te Heerhugowaard.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 10 december 2019 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en twee producties nagezonden.

1.2.

[eiser] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

2 De feiten

2.1.

Op 8 juni 2017 hebben partijen met elkaar een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de aankoop door [gedaagde] van een schuur met ondergrond en erf gelegen te [plaats] aan het adres [adres]. In de koopovereenkomst is voor zover van belang, het volgende opgenomen:

(…)

De overeengekomen koopsom is € 35000,00 k.k. waarvan nu onder getuigenis van dhr. [naam] € 1.000,00 is aanbetaald zijnde garantie dat de schuur vanaf nu uit de verkoop gehaald is. (…)

Op de officiële overeenkomst bij de notaris komt een verkoopprijs van € 25000,00 te staan (met beider goedkeuring) de andere € 10000,-- worden zo betaald aan de verkoper. In verband met het leegruimen van de schuur zullen beide partijen een termijn vanaf nu van 8 weken in acht nemen dat is dan 3 augustus 2017. Op die datum zullen verkoper en koper bij een door koper verkozen notaris de koopovereenkomst tekenen. (…)

2.2.

Op 9 augustus 2017 is de schuur geleverd en een bedrag van € 25.000,00 bij de notaris betaald.

2.3.

Eveneens op 9 augustus 2017 hebben partijen een schriftelijk stuk ondertekend, waarin staat, voor zover van belang:

Heden 9 augustus 2017 heeft Dhr [gedaagde] € 4500,00 voldaan op de afgesproken koopsom van € 10.000,- aan Dhr. [eiser]. Eerder heeft Dhr. [gedaagde] al € 1.000,00 aanbetaald. Van de koopsom van € 10.000,00 resteerd € 4500,- te voldoen voor of op 1 september 2017.

Mondeling is overeengekomen tot de koop van een boot. De afgesproken prijs tussen Dhr. [eiser] en Dhr. [gedaagde] is € 2500,-. Overeen gekomen is de koopprijs te voldoen voor of op 1 september 2017.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 8.201,15. Dit bedrag is opgebouwd uit een hoofdsom van € 7.000,00, een bedrag aan incassokosten van € 877,25 inclusief BTW, en een bedrag aan rente tot 4 december 2019 van € 323,90. Ook vordert [eiser] de wettelijke rente over € 7.000,00 vanaf 4 december en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat hij met [gedaagde] twee koopovereenkomsten heeft gesloten. Op deze twee koopovereenkomsten is door [gedaagde] een bedrag van € 30.500,00 voldaan (€ 25.000,00, € 1.000,00 en € 4.500,00). Ondanks herhaalde aanmaning weigert [gedaagde] het resterende bedrag van € 7.000,00 aan [eiser] te voldoen. [eiser] heeft zijn incassogemachtigde moeten inschakelen om betaling van [gedaagde] te verkrijgen. Hierdoor is [gedaagde] ook buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. [gedaagde] is de wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering (gedeeltelijk). Hij voert daartoe – kort samengevat – het volgende aan.

4.2.

[gedaagde] erkent dat hij met [eiser] op 8 juni 2017 een overeenkomst is aangegaan betreffende de schuur gelegen te [plaats] aan het adres [adres] inclusief de inventaris die zich op dat moment in de schuur bevond. [gedaagde] heeft met [eiser] afgesproken dat van de koopsom een bedrag van € 10.000,00 contant aan [eiser] zou worden betaald. Ter plaatse is door [gedaagde] nog een bedrag van € 1.000,00 aanbetaald. In de loods bevond zich een aantal zaken waaronder de boot. Naar het begrip van [gedaagde] viel deze boot onder de koopovereenkomst.

4.3.

Op 9 augustus 2017 heeft de levering van de schuur plaatsgevonden en heeft [gedaagde] € 4.500,00 contant voldaan van het openstaande contante betalingsbedrag van € 10.000,00 zodat op dat moment nog € 4.500,00 vóór of op 1 september 2017 zou moeten worden voldaan. In de betalingsbevestiging van 9 augustus 2017 is opgenomen dat [gedaagde] de hiervoor genoemde boot koopt voor € 2.500,00. [gedaagde] stelt dat dit deel van de verklaring onjuist of misleidend is, omdat de boot reeds viel onder de koop gesloten op 8 juni 2017. [gedaagde], die verbaal beperkt is en dyslectisch, begrijpt niet waarom dit zo in de verklaring staat, hij heeft zich dit ten tijde van het ondertekenen van de verklaring niet gerealiseerd.

4.4.

[gedaagde] stelt verder dat hij na 9 augustus 2017 het resterende deel van de koopsom (€ 4.500,00) aan [eiser] contant heeft voldaan maar dat [eiser] hem hiervan geen kwitantie wilde verstrekken.

5 De beoordeling

5.1.

In geschil is of [gedaagde] nog € 4.500,00 contant voor de schuur en € 2.500,00 voor de boot aan [eiser] moet betalen.

5.2.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de boot reeds viel onder de koop die is gesloten op 8 juni 2017. [gedaagde] verwijst in dit verband naar twee verklaringen van kennissen van [gedaagde] die getuige zijn geweest bij een van de gesprekken tussen [gedaagde] en [eiser] (productie 2 en 3 conclusie van antwoord). [eiser] betwist dat. De kantonrechter overweegt als volgt.

5.3.

In de overeenkomst van 8 juni 2017 is niet opgenomen dat de inventaris van de schuur, waaronder de boot, bij de koop van de schuur is inbegrepen. Dat er mogelijk in het bijzijn van twee getuigen een andersluidend gesprek heeft plaatsgevonden maakt dat niet anders. Uit (de tekst van) de overeenkomst van 9 augustus 2017 blijkt dat de boot later apart aan [gedaagde] is verkocht. Dat [gedaagde] zich bij ondertekening van die overeenkomst niet heeft gerealiseerd dat hij de boot kocht tegen betaling van € 2.500, kan [eiser] niet worden tegengeworpen, althans niet zonder meer. [gedaagde] heeft zijn verweer op dat punt en zijn stelling dat de overeenkomst onjuist of misleidend is, tegenover de stellingen van [eiser] onvoldoende onderbouwd. De overgelegde getuigenverklaringen hebben geen betrekking op de tweede overeenkomst en zijn in zoverre dus niet relevant. Dit betekent dat de kantonrechter ervan uitgaat dat de boot op 9 augustus 2017 door [gedaagde] is gekocht. [gedaagde] moet daarom een bedrag van € 2.500,00 voor de aankoop van de boot aan [eiser] betalen.

5.4.

[gedaagde] stelt verder op 9 augustus 2017 een bedrag van € 4.500,00 contant aan [eiser] te hebben betaald. Een dergelijk verweer moet worden opgevat als een bevrijdend verweer. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering draagt [gedaagde] de stelplicht en zo nodig bewijslast ten aanzien van dit verweer. De kantonrechter ziet in de door [gedaagde] genoemde omstandigheden geen aanleiding om af te wijken van deze hoofdregel of een verzwaarde stelplicht voor [eiser] aan te nemen. [eiser] betwist gemotiveerd de betaling te hebben ontvangen. Gezien deze betwisting had het op de weg van [gedaagde] gelegen om de door hem gestelde betaling nader te onderbouwen. Dit heeft hij nagelaten. Dat [gedaagde] een bedrag van € 4.500,00 contant aan [eiser] zou hebben betaald zonder daarvoor een kwitantie van [eiser] te hebben ontvangen, zoals hij stelt, ligt in de risicosfeer van [gedaagde]. Dit betekent dat het verweer van [gedaagde] als onvoldoende onderbouwd wordt verworpen. [gedaagde] moet het restant van € 4.500,00 derhalve alsnog betalen.

5.5.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] in hoofdsom zal toewijzen.

5.6.

[eiser] vordert de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de dag van verzuim. Hij heeft, ondanks het verweer van [gedaagde] dat de vordering pas eind 2019 door de gemachtigde is ingesteld, niet gesteld vanaf wanneer [gedaagde] met betaling in verzuim is en vanaf welke datum de wettelijke rente is berekend. De wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding (10 december 2019).

5.7.

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat aan de vereisten zoals gesteld in artikel 6:96 BW is voldaan. Daarmee is de vergoeding verschuldigd en zal het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.

5.8.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij grotendeels ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 7.877,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 7.000,00 vanaf 10 december 2019 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 103,05

griffierecht € 236,00

salaris gemachtigde € 600,00

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter