Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6678

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
7908700 CV FORM 19-10259
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak (EPGV). Passagiers hebben hun vorderingsrecht overgedragen. Passagiers niet-ontvankelijk in hun vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 7908700 \ CV FORM 19-10259

Uitspraakdatum: 17 juni 2020

Beschikking in de zaak van:

1 [passagier sub 1] ,

2. [passagier sub 2],

3. [passagier sub 3],

4. [passagier sub 4],

allen wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

verder te noemen: de passagiers,

gemachtigde: mr. D.E. Lof, mr. E.J. Hoekstra,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Transportes Aereos Portugueses S.A.,

gevestigd te Lissabon,

verwerende partij,

verder te noemen: TAP,

gemachtigde: mr. E.A. Pluijm.

1 Het procesverloop

1.1.

De passagiers hebben een vorderingsformulier (formulier A) ingediend, welke op 11 juli 2019 is ingekomen ter griffie. TAP heeft schriftelijk geantwoord door middel van het antwoordformulier (formulier C), welke op 1 oktober 2019 is ingekomen ter griffie.

1.2.

De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna TAP een schriftelijke reactie heeft gegeven waarin TAP heeft aangevoerd dat de passagiers niet langer vorderingsgerechtigd zouden zijn, omdat zij hun vorderingen door ondertekening van het Assignment Form aan AirHelp zouden hebben gecedeerd.

1.3.

Per brief van 22 april 2020 heeft de kantonrechter daarom aanleiding gezien de gemachtigde van de passagiers ex artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) juncto artikel 7 lid 1 sub a EPGV-verordening te vragen dit punt nader toe te lichten en indien van toepassing van alle passagiers in de onderhavige procedure het Assignment Form te overleggen. De gemachtigde van de passagiers heeft daaraan, per e-mail van 5 mei 2020, gehoor gegeven.

1.4.

Tenslotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan TAP de passagiers op 12 augustus 2017 diende te vervoeren van Sao Vicente (Kaapverdië), via Lissabon (Portugal) naar Amsterdam-Schiphol met vluchten TP 1554 en TP 668.

2.2.

De passagiers hebben geen gebruik gemaakt van vlucht TP 668 op 12 augustus 2017, maar zijn omgeboekt naar een andere vlucht van Lissabon naar Amsterdam op 13 augustus 2017.

2.3.

De passagiers hebben een Europese procedure voor geringe vorderingen ingesteld om compensatiebetaling van TAP te verkrijgen in verband met instapweigering op vlucht TP 668 op 12 augustus 2017.

2.4.

TAP heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De passagiers verzoeken TAP te veroordelen tot betaling van:

- € 2.400,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten.

3.2.

De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).

3.3.

De passagiers stellen dat TAP vanwege de instapweigering op de vlucht van Lissabon naar Amsterdam (TP 668) gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per persoon. Daarnaast maken de passagiers aanspraak op betaling door TAP van de wettelijke rente.

3.4.

TAP betwist de verschuldigdheid van het verzochte. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

TAP heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de passagiers hun vermeende vorderingen op TAP door het ondertekenen van Assignment Forms hebben gecedeerd aan AirHelp en daarom zelf niet meer de gerechtigden zijn van de gepretendeerde vorderingen. Dit verweer slaagt. Het volgende is daartoe redengevend.

4.3.

In het vorderingsformulier (Formulier A) is niet vermeld dat de passagiers hun vorderingen hebben gecedeerd aan AirHelp. Evenmin is vermeld dat de passagiers het door AirHelp gehanteerde Assignment Form hebben ondertekend noch is dit formulier door de passagiers aan het vorderingsformulier gehecht.

4.4.

Met verwijzing naar de Assignment Forms, die TAP als productie 12 bij dupliek heeft overgelegd, licht TAP toe dat de passagiers deze formulieren op 23 augustus 2017 hebben ondertekend. AirHelp heeft vervolgens op 8 september 2017 een klachtformulier in verband met de vermeende instapweigering van de passagiers bij TAP ingediend waaraan de ondertekende formulieren van de passagiers waren gehecht. Daarbij vermeldt het klachtformulier dat de passagiers hun vorderingen hebben gecedeerd aan AirHelp en dat slechts aan AirHelp bevrijdend betaald kan worden, aldus TAP.

4.5.

Per e-mail van 5 mei 2020 heeft de gemachtigde van de passagiers verklaard dat de passagiers indertijd de Assignment Forms hebben ondertekend. De Assignment Forms zijn als bijlage meegezonden. Ter toelichting schrijft de gemachtigde van de passagiers dat de Assignment Forms niet voldeden aan de eisen die daaraan gesteld kunnen worden, omdat de handtekeningen van de passagiers op de formulieren niet overeenkwamen met de handtekeningen in het paspoort. De formulieren zijn daarom ongeldig verklaard. Daarbij vermeldt de gemachtigde van de passagiers dat de passagiers zich niet beroepen op de Assignment Forms en dat TAP de formulieren in het geding dient te brengen wanneer zij daarop een beroep wil doen.

4.6.

Hoewel de door de gemachtigde van de passagiers overgelegde formulieren niet allen even goed leesbaar zijn, is in ieder geval te zien dat het formulier van [passagier sub 1] op 16 augustus 2017 digitaal is ondertekend. Kennelijk heeft AirHelp aanleiding gezien om opnieuw ondertekende formulieren op te vragen bij de passagiers, immers de formulieren die TAP heeft overgelegd zijn door de passagiers met de hand ondertekend op 23 augustus 2017. Deze formulieren waren toegevoegd aan het klachtformulier van AirHelp, welke door TAP op 8 september 2017 is ontvangen.

4.7.

Het feit dat in het vorderingsformulier geen melding is gemaakt van de cessie en dat de Assignment Forms aanvankelijk niet in het geding zijn gebracht, is naar het oordeel van de kantonrechter strijdig met de verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, conform artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

4.8.

Het “Assignment Form”, zoals dat door AirHelp wordt gehanteerd, luidt, voor zover van belang, als volgt: “The client hereby assigns to AirHelp full ownership and legal title to his/her Claim pursuant to Regulation 261/04 and the Montreal Convention 1999 in relation to the above operated flight(s) identified by booking reference pursuant to the T&C.” In het formulier staat aldus dat de passagier het volledige eigendom van zijn vordering overdraagt aan AirHelp. Met het Assignment Form is voldaan aan het vereiste van een akte in de zin van artikel 3:94 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Nu TAP, met verwijzing naar het op 8 september 2017 door AirHelp ingediende klachtformulier, heeft toegelicht dat aan haar is medegedeeld dat de passagiers hun vorderingen hebben overgedragen aan AirHelp en dat slechts aan haar bevrijdend betaald kan worden, is zodoende voldaan aan de in artikel 3:94 lid 1 BW genoemde mededelingsvereiste, zodat aan de twee constitutieve vereisten voor cessie is voldaan. De conclusie is dan ook dat het vorderingsrecht van de passagiers is overgedragen aan AirHelp, zodat de passagiers niet ontvangen kunnen worden in hun verzoek. Aan de inhoudelijke verweren van TAP wordt daarom niet meer toegekomen.

4.9.

De passagiers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door TAP worden gemaakt.

4.10.

Zoals uit het voorgaande is gebleken, zullen de passagiers niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit gegeven valt geheel en al toe te rekenen aan de gemachtigde van de passagiers. Door aanvankelijk de cessie van de vorderingen te verzwijgen en vervolgens weg te wuiven als een ongeldig verklaarde akte van cessie, heeft de gemachtigde de belangen van de passagiers ernstig veronachtzaamd. Daarom zou het hem sieren als hij de proceskostenveroordeling uit eigen middelen voor zijn rekening zou nemen, zodat deze niet ten laste van de passagiers komen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart de passagiers niet-ontvankelijk in het verzoek;

5.2.

veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten die aan de kant van TAP tot en met vandaag worden begroot op € 360,00 aan salaris gemachtigde en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 90,00 aan nakosten, voor zover deze kosten daadwerkelijk door TAP worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.3.

verklaart de beschikking – voor wat betreft de proceskostenveroordeling – uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open