Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6617

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
C/15/305696 / KG ZA 20-437
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil tussen 2 bestuurders/aandeelhouders over exploitatie café in Amsterdam. Onvoldoende concrete aanknopingspunten voor straatverbod. Inleveren sleutels van het café en schorsing van gedaagde als bestuurder wel toewijsbaar, omdat gedaagde door het innemen van bedrieglijke stellingen over de betaling van de koopprijs voor de aandelen iedere basis voor een vruchtbare samenwerking tussen partijen in het café heeft weggeslagen. Bij vordering tot terugleveren aandelen heeft eiser echter onvoldoende spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0341
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/305696 / KG ZA 20-437

Vonnis in kort geding van 13 augustus 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat: mr. P.P. Klokkers te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. N.D.L. Bennink te Haarlem.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 juli 2020 met producties 1 tot en met 4, en de op 29 juli 2020 door [eiser] toegezonden stukken;

  • -

    de mondelinge behandeling van 30 juli 2020, waarbij door [gedaagde] pleitaantekeningen zijn voorgedragen. De daarbij gevoegde productie van [gedaagde] is ter zitting geweigerd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het navolgende uitgegaan.

2.1.

Tot 3 april 2020 was [eiser] enig bestuurder en aandeelhouder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sientje B.V. (hierna: de vennootschap). Het geplaatste kapitaal bedraagt € 1,20, verdeeld over 120 aandelen met een nominale waarde van ieder € 0,01.

2.2.

De vennootschap exploiteert een café met de naam ‘Café Sientje’, gevestigd aan de Korte [adres] 6 te Amsterdam (hierna: het café). Met ingang van 15 maart 2020 is het café gesloten in verband met de door de overheid getroffen maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) te bestrijden.

2.3.

[gedaagde] was vaste klant van het café. Partijen hebben het plan opgevat om het café samen te gaan exploiteren en [gedaagde] mede-eigenaar te maken van het café. Zij hebben daartoe aan notaris mr. F.J. Janse de Jonge (hierna: de notaris) opdracht gegeven om voor de overdracht van 59 aandelen in de vennootschap aan [gedaagde] zorg te dragen. Ten overstaan van de toenmalige advocaat van [eiser], mr. A.M. den Hollander, hebben [eiser] een [gedaagde] een schriftelijke volmacht ondertekend.

2.4.

Op 3 april 2020 heeft de notaris op de basis van de schriftelijke volmachten van [eiser] en [gedaagde] de akte “Verkoop en levering aandelen Sientje B.V.” verleden (hierna: de notariële akte). In de notariële akte is onder meer vastgelegd dat [eiser] de aandelen met nummer 62 tot en met 120 in de vennootschap verkoopt en levert aan [gedaagde]. Tevens is [gedaagde] benoemd tot bestuurder van de vennootschap. Verder is in de notariële akte, voor zover hier van belang, het navolgende bepaald:

Koopprijs.

Artikel 2.

1. De koopprijs voor de Aandelen bedraagt vijfentwintigduizend euro ( EUR 25.000,00 ).

2. Koper heeft de koopprijs aan rechtstreeks aan Verkoper voldaan, waarvoor Verkoper kwijting verleent aan Koper.

(…)

Optie.

Artikel 6.

1. Koper verleent bij dezen aan Verkoper het onherroepelijke recht tot koop van de Aandelen (de “ Optie ”) en Verkoper aanvaardt bij deze de Optie van Koper. Op de Optie zijn de hierna genoemde bepalingen en voorwaarden van toepassing.

2. Uitoefening van de Optie geschiedt bij aangetekend schrijven. De datum van ontvangst van het aangetekend schrijven geldt als datum van uitoefening van de Optie. De Optie kan tot uiterlijk één oktober tweeduizend éénentwintig worden uitgeoefend.

3. De uitoefenprijs van de optie bedraagt vijfentwintigduizend euro (EUR 25.000,00) vermeerderd met tien procent (10%) op jaarbasis te rekenen vanaf heden en zal gelijktijdig met de levering van de aandelen worden voldaan.

4. Indien Verkoper de Optie uitoefent zal de levering van de Aandelen geschieden bij de een akte van levering te verlijden ten overstaan van een notaris op een alsdan nader tussen Verkoper en Koper overeen te komen tijdstip, welk tijdstip in ieder geval ligt binnen wee weken na uitoefening van de Optie. (…)’

2.5.

In het voorjaar van 2020 is meerdere keren ingebroken in het café. [eiser] en [gedaagde] hebben in mei 2020 van een inbraak gezamenlijk aangifte gedaan bij de politie. [gedaagde] heeft meerdere keren de sloten van het café vervangen.

2.6.

Per brief van 29 mei 2020 heeft mr. Den Hollander [gedaagde] gesommeerd tot betaling van de koopprijs voor de aandelen ter hoogte van € 25.000.

2.7.

Begin juni 2020 heeft [eiser] geconstateerd dat brandblussers in het café zijn leeggespoten en dat andere schade aan het café is aangericht.

2.8.

Op 27 juli 2020 heeft [eiser] per aangetekend schrijven aan [gedaagde] medegedeeld dat hij het optierecht van artikel 6 van de notariële akte wenst uit te oefenen, onder verrekening van de door [gedaagde] onbetaald gelaten koopprijs van de aandelen. [eiser] heeft [gedaagde] tot uiterlijk 12 augustus 2020 gelegenheid gegeven medewerking te verlenen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] verbiedt om gedurende een jaar de gehele [adres], welke wordt begrensd door de [adres] en het [adres], te betreden of zich daar, om welke redenen dan ook, op te houden;

1a. op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250 per overtreding, met een maximum van € 12.500;

2. [gedaagde] gebiedt om alle in zijn bezit zijnde sleutels van het café binnen drie werkdagen af te (doen) geven op het kantoor van mr. Klokkers, gelegen te (1102 BP) Amsterdam aan de Bijlmerdreef 101 (3e etage);

2a. op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50 per dagdeel, met een maximum van € 2.500;

en, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet uiterlijk 12 augustus 2020 gevolg heeft gegeven aan het door [eiser] ingeroepen optiebeding van artikel 6 van de akte:

3. aan [eiser] vervangende toestemming verleent, inhoudende dat dit vonnis de wilsverklaring van [gedaagde] vervangt bij de door de notaris op te stellen akte van levering van de aandelen genummerd 62 tot en met 120 aan [eiser] op grond van diens uitoefening van het optiebeding van artikel 6 van de akte van 3 april 2020, en daarbij bepaalt dat het vonnis dat noodzakelijke deel van de notariële akte vervangt;

3a. daarbij aan [eiser] toestemming verleent om de voldoening van de aan [gedaagde] te betalen koopprijs van € 25.000 te mogen opschorten zolang [gedaagde] in verzuim is met betrekking tot de voldoening van de aan [eiser] nog te betalen koopsom van € 25.000;

4. [gedaagde] verbiedt om de in zijn bezit zijnde aandelen in de vennootschap met de nummers 62 tot en met 120 te vervreemden, te belenen, dan wel anderszins te bezwaren, uitgezonderd de levering daarvan aan [eiser];

4a. daarbij bepaalt dat [gedaagde] bij overtreding van het onder 4 genoemde verbod een voorschot van € 25.000 op de nog te begroten schadevergoeding als direct opeisbaar verschuldigd zal zijn, met bepaling dat wettelijke rente hierover verschuldigd zal zijn vanaf de vijftiende dag na datum vonnis;

een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. waaronder begrepen het nasalaris, en te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Hieraan legt [eiser] - zakelijk weergegeven - ten grondslag dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan bedrog, door ten tijde van het ondertekenen van de schriftelijke volmacht uitdrukkelijk tegen [eiser] te verklaren dat de koopprijs voor de aandelen inmiddels was overgemaakt naar de bankrekening van [eiser], terwijl dat niet het geval was. [gedaagde] heeft ook na het ondertekenen van de volmacht geweigerd de koopprijs voor de aandelen te betalen. [eiser] durft het café niet te openen zolang [gedaagde] aanwezig is in of rond het café, omdat [gedaagde] fysiek en verbaal geweld gebruikt richting [eiser]. Daarnaast is het de verwachting dat [gedaagde] niet zal meewerken aan de uitoefening van het optierecht van [eiser], zodat [eiser] er belang bij heeft dat [gedaagde] wordt verboden zijn aandelen te verkopen, en het vonnis bovendien in de plaats treedt van de wilsverklaring van [gedaagde] tot teruglevering van de aandelen aan [eiser], aldus steeds [eiser].

3.3.

[gedaagde] voert verweer, dat hierna - voor zover van belang - zal worden besproken.

4 De beoordeling

spoedeisend belang en verkorte dagvaardingstermijn

4.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van [eiser] bij de vorderingen 1 en 2 voldoende is gebleken. [eiser] heeft immers betoogd dat de overheidsmaatregelen in verband met het coronavirus niet meer in de weg staan aan de heropening van het café, maar dat zolang de door hem geschetste huidige situatie voortduurt, het café desondanks niet geopend kan worden vanwege de gespannen verhouding die is ontstaan tussen [eiser] en [gedaagde]. Derhalve kan niet van [eiser] worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

4.2.

[gedaagde] heeft betoogd dat de verkorting van de dagvaardingstermijn (met toestemming van de voorzieningenrechter) niet gerechtvaardigd was, ook gelet op de in de brief van 29 juli 2020 aan [gedaagde] gegeven termijn voor vrijwillige nakoming tot 12 augustus 2020. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat [gedaagde] door deze gang van zaken niet in zijn belangen is geschaad. [gedaagde] werd ter zitting immers bijgestaan door een advocaat die ondanks de verkorte termijn inhoudelijk verweer heeft kunnen voeren. Uit dat verweer van [gedaagde] blijkt bovendien dat hij niet bereid is vrijwillig aan de sommatie in de brief van 29 juli 2020 te voldoen (althans in ieder geval niet onder verrekening van de door [gedaagde] onbetaald gelaten koopprijs van de aandelen). Daarom hoefde [eiser] het einde van de termijn niet af te wachten alvorens dit kort geding te starten. Dit verweer van [gedaagde] slaagt daarom niet.

straatverbod (vordering 1)

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat een straatverbod, zoals door [eiser] gevorderd, een inbreuk vormt op het aan ieder toekomende recht om zich vrijelijk te kunnen verplaatsen. Voor het toewijzen van een zo ingrijpende maatregel moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo’n inbreuk kunnen rechtvaardigen.

4.4.

[eiser] legt aan het gevorderde straatverbod ten grondslag dat [gedaagde] zich schuldig maakt aan fysiek en verbaal geweld jegens [eiser]. Hij heeft deze stellingen onderbouwd met een tweetal schriftelijke verklaringen over het incident van begin juni 2020, waarbij vernielingen in het café hebben plaatsgevonden door onder meer het leegspuiten van de brandblussers. Volgens [eiser] moet dit gedaan zijn door [gedaagde], omdat geen sporen van braak in het café zijn aangetroffen, terwijl (naast [eiser]) alleen [gedaagde] over een sleutel van het café beschikte. [gedaagde] heeft dit betwist.

4.5.

Bij de beoordeling van deze stellingen acht de voorzieningenrechter van belang dat ter zitting is gebleken dat (onder meer) in het voorjaar van dit jaar er meerdere keren in het café is ingebroken en zaken zijn gestolen. Partijen zijn het er over eens dat die inbraken niet door [gedaagde] zijn gepleegd, maar door een derde. Zij hebben bovendien samen bij de politie aangifte gedaan van één van die inbraken. De voorzieningenrechter ziet, gelet op deze context, onvoldoende objectieve aanknopingspunten om (voorshands) aan te nemen dat [gedaagde] bij het incident begin juni 2020 (het leegspuiten van de brandblussers) wèl betrokken is geweest. Mede gezien de ingrijpende aard van een straatverbod, rechtvaardigt de enkele stelling dat in het café geen sporen van braak zijn aangetroffen, die conclusie niet. [eiser] heeft ook geen aangifte bij de politie gedaan van dit incident, zodat geen nader onderzoek door de politie (of een andere objectieve derde) heeft plaatsgevonden in het café. Daarbij komt dat [gedaagde] meerdere keren de sloten van het café heeft laten vervangen (in verband met eerder gepleegde inbraken), waardoor het niet is uitgesloten dat [eiser] geen goed zicht heeft op wie sleutels heeft van het café. Uit de overgelegde schriftelijke verklaringen van de personen die hebben geholpen met het opruimen van het café na het incident begin juni 2020, wordt weliswaar duidelijk dat [eiser] het ernstige vermoeden heeft dat de vernielingen zijn verricht door [gedaagde], maar de verklaringen bevatten los daarvan geen aanknopingspunten voor de aanname dat [gedaagde] de dader is. Dat [gedaagde] op andere momenten fysiek of verbaal geweld heeft geuit tegen [eiser] is evenmin gebleken. Vordering 1 zal daarom worden afgewezen.

afgifte sleutels (vordering 2)

4.6.

De voorzieningenrechter overweegt dat ter zitting voldoende is gebleken dat het is uitgesloten dat partijen gezamenlijk het café exploiteren, zolang het huidige wantrouwen tussen partijen voortduurt. [gedaagde] heeft weersproken dat dit ertoe moet leiden dat hij de sleutels van het café moet inleveren en hem de toegang tot het café wordt ontzegd, ook omdat hij tot vlak voor de zitting normaal contact had met [eiser].

4.7.

Hierin wordt [gedaagde] echter niet gevolgd. De voorzieningenrechter constateert dat het wantrouwen tussen partijen (met name) het gevolg is van het geschil dat tussen partijen bestaat over de vraag of [gedaagde] de koopprijs voor de aandelen reeds aan [eiser] heeft betaald, welk geschil naar het oordeel van de voorzieningenrechter om de navolgende redenen te wijten is aan [gedaagde].

Ter zitting heeft de voorzieningenrechter in dit kader nadrukkelijk aan [gedaagde] gevraagd of hij ten tijde van het ondertekenen van de volmacht inderdaad heeft verklaard dat de koopprijs reeds per bankoverschrijving was voldaan aan [eiser], zoals [eiser] in de dagvaarding stelt. Daarop heeft [gedaagde] (zakelijk weergegeven) geantwoord dat hij de koopprijs per bankoverschrijving heeft betaald aan [eiser], en heeft hij [eiser] en de voorzieningenrechter een bewijsstuk getoond van een overschrijving van € 12.500 aan [eiser]. Het betrof een print screen van een bankrekeningoverzicht op de smartphone van [gedaagde], dat zodanig was afgesneden, dat latere mutaties op de betreffende bankrekening niet zichtbaar waren. [eiser] heeft vervolgens ter zitting op zijn eigen smartphone het doorlopende bankrekeningoverzicht laten zien, waarop zichtbaar was dat door [gedaagde] weliswaar een bedrag van € 12.500 is overgemaakt, maar dat een bedrag van € 12.000 dezelfde ochtend (op verzoek van [gedaagde]) door [eiser] is teruggestort op de bankrekening van [gedaagde]. Daarmee geconfronteerd heeft [gedaagde] zijn stelling aangepast, en vervolgens verklaard dat de betaling van de koopprijs van € 25.000 bij nader inzien niet per bankoverschrijving maar contant is betaald aan [eiser], waarvan hij echter geen bewijs kon tonen. Deze verklaringen van [gedaagde] moeten naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands als zeer ongeloofwaardig (en zelfs als bedrieglijk) worden aangemerkt.

4.8.

Tot die ongeloofwaardigheid draagt bij dat de advocaat van [gedaagde] in de pleitnota louter en alleen voor het anker van art. 157 Rv. is gaan liggen, zonder enige informatie te verschaffen over de feitelijke betaling en, daarnaar door de voorzieningenrechter gevraagd, zich in hetzefde formele kleed is blijven hullen.

4.9.

[gedaagde] voert aan dat met artikel 2 lid 2 van de notariële akte (zie 2.4 van dit vonnis) dwingend bewijs is geleverd van de betaling van de koopprijs door [gedaagde], zodat verder niet onderzocht hoeft te worden of (en hoe) [gedaagde] de koopprijs heeft betaald. Hiermee miskent [gedaagde] echter dat in een eventuele bodemprocedure tussen partijen, waarop de voorzieningenrechter zijn beslissing moet afstemmen, (ook) tegen dwingend bewijs tegenbewijs openstaat (vgl. artikel 151 lid 2 Rv). Dit tegenbewijs van de stelling dat de partijverklaring in artikel 2 lid 2 van de notariële akte niet overeenstemt met de werkelijkheid, mag bovendien door alle middelen worden geleverd (vgl. artikel 152 lid 1 Rv en HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:848). Gezien de niet weersproken omstandigheid dat artikel 2 lid 2 in de notariële akte is opgenomen op basis van een eenzijdige mededeling van [gedaagde] tijdens het ondertekenen van de schriftelijke volmacht dat de koopprijs reeds betaald was (zonder dat [eiser] toen de juistheid van die mededeling heeft gecontroleerd), de tegenstrijdigheden in de voormelde verklaringen van [gedaagde] ter zitting en de omstandigheid dat [gedaagde] daarbij niet vies bleek van een poging om de voorzieningenrechter met een print-screen trucje op het verkeerde been te zetten (hetgeen op zichzelf een aanwijzing is dat [eiser] hier met een bedrieger van doen heeft), is naar het oordeel van de voorzieningenrechter de kans aanzienlijk dat [eiser] in een eventuele bodemprocedure in het leveren van dit tegenbewijs zal slagen.

Daarom wordt in dit kort geding aan de inhoud van artikel 2 lid 2 van de notariële akte niet de door [gedaagde] verlangde betekenis toegekend.

4.10.

Het voorgaande leidt tot het voorlopig oordeel dat [gedaagde] door het innemen van bedrieglijke stellingen over de betaling van de koopprijs voor de aandelen, en het vervolgens schermen met de notariële akte om onder zijn verplichting tot het betalen van de koopprijs uit te komen, iedere basis voor een vruchtbare samenwerking tussen partijen in het café heeft weggeslagen. De (vooralsnog onherstelbare) vertrouwensbreuk tussen partijen komt dan ook voor het risico van [gedaagde]. Het gerechtvaardigde en zwaarwegende belang van [eiser] om het café op korte termijn te kunnen heropenen, zonder dat hij daarbij wordt gehinderd door de verstoorde verhouding met [gedaagde], is daarmee voldoende aannemelijk geworden. De gevorderde veroordeling van [gedaagde] om de sleutels van het café af te geven zal dan ook worden toegewezen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

terugleveren aandelen aan [eiser] zonder verschuldigdheid uitoefenprijs (vordering 3)

4.11.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van [eiser] bij deze -ingrijpende- maatregelen (die er immers toe strekken dat [gedaagde] de aandelen verliest, zonder dat daartegenover een betalingsverplichting van [eiser] ontstaat) onvoldoende is gebleken. [eiser] heeft het spoedeisend belang bij zijn vorderingen onderbouwd met het betoog dat hij de exploitatie van het café zo spoedig mogelijk wil hervatten, met uitsluiting van [gedaagde]. Daarvoor is echter niet vereist dat de aandelen aan [eiser] geleverd worden, althans dat heeft [eiser] onvoldoende toegelicht. Nu met de notariële akte 59 van de 120 aandelen aan [gedaagde] zijn geleverd, is hij slechts minderheidsaandeelhouder geworden, terwijl [eiser] de overige 61 aandelen houdt, en hij meerderheidsaandeelhouder is gebleven. Niet is gebleken dat aan [gedaagde] uit hoofde van zijn positie als minderheidsaandeelhouder bepalende zeggenschap toekomt binnen (de exploitatie van) het café. Van een patstelling tussen partijen in hun hoedanigheid van aandeelhouders is evenmin gebleken.

4.12.

De enkele stelling van [eiser] dat [gedaagde] waarschijnlijk zal weigeren medewerking te verlenen aan de uitoefening van het optierecht, onder verrekening van de uitoefenprijs met de door [gedaagde] onbetaald gelaten koopprijs, betekent nog niet dat sprake is van een voldoende spoedeisend belang. Daarbij acht de voorzieningenrechter tevens van belang dat de toewijsbaarheid van deze vordering in een bodemprocedure afhankelijk is van de vraag of [eiser] in de bodemprocedure slaagt in het leveren van (tegen)bewijs van de stelling dat [gedaagde] de koopprijs voor de aandelen niet heeft betaald. [eiser] heeft, gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen over de positie van [gedaagde] als minderheidsaandeelhouder, mede gelet op de in 4.14. te bespreken voorziening onvoldoende toegelicht waarom hij ten aanzien van deze vordering niet de uitkomst van een bodemprocedure kan afwachten. Deze vordering zal daarom in dit kort geding worden afgewezen.

4.13.

Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld een reconventionele vordering in te stellen (zie pagina 6 van de pleitaantekeningen onder de conclusie, sub II), wordt aan de beoordeling daarvan niet toegekomen, omdat de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld (toewijzing van de veroordeling van [gedaagde] tot overdracht van de aandelen aan [eiser]) niet is vervuld.

bestuurderschap van [gedaagde]

4.14.

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] in de notariële akte is benoemd tot bestuurder van de vennootschap. In zijn hoedanigheid van bestuurder kan [gedaagde] wel zijn invloed uitoefenen binnen de vennootschap, en weegt zijn stem net zo zwaar als de stem van [eiser]. Dat dit zal leiden tot geschillen is onder de hiervoor geschetste verhoudingen waarschijnlijk te achten. In de vorderingen van [eiser] en de daarop gegeven toelichting ligt besloten dat met het oog op de exploitatie van het café de zeggenschap binnen de vennootschap zo spoedig mogelijk (weer) volledig bij [eiser] moet komen te liggen. Daarom zal de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiser] aldus opvatten dat zij mede strekken tot de schorsing van [gedaagde] in zijn hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap. Deze vordering zal gezien hetgeen in het voorgaande is overwogen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

verbod verkoop/bezwaren aandelen (vordering 4)

4.15.

Voldoende is gebleken dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde verbod tot verkoop (of bezwaring) van de aandelen door [gedaagde], vooruitlopend op de uitoefening van het optierecht van [eiser] en de uitkomst van een (eventuele) bodemprocedure tussen partijen. [gedaagde] heeft ook erkend dat hij uitvoering moet geven aan het optierecht van [eiser] (mits [eiser] aan [gedaagde] de uitoefenprijs voldoet). De aanbiedingsplicht staat voorts niet aan de toewijzing van het verbod in de weg, zoals [gedaagde] betoogt, omdat het gevorderde verbod een uitzondering maakt voor levering aan [eiser]. Het verbod om de aandelen aan een derde te vervreemden (of te bezwaren) zal daarom eveneens worden toegewezen. De vordering van [eiser] om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding ter hoogte van € 25.000 indien [gedaagde] dit verbod overtreedt, is echter niet toewijsbaar, omdat [eiser] (de hoogte van) zijn schade niet heeft onderbouwd. Wel zal de voorzieningenrechter (in plaats daarvan) aan de overtreding van dit gebod een (eenmalige) dwangsom verbinden.

4.16.

Nu de in de brief van 29 juli 2020 genoemde termijn tot 12 augustus 2020 reeds is verstreken op de datum van dit vonnis, geldt het verbod met onmiddellijk ingang.


proceskosten

4.17.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 1.386,60 (waarvan € 102,60 aan dagvaardingskosten, € 304 aan griffierecht en € 980 aan salaris advocaat), vermeerderd met de nakosten conform het liquidatietarief en de wettelijke rente.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt [gedaagde] om alle in zijn bezit zijnde sleutels van café Sientje binnen drie werkdagen af te (doen) geven op het kantoor van mr. Klokkers, gelegen te (1102 BP) Amsterdam aan de Bijlmerdreef 101 (3e etage), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50 per dagdeel, met een maximum van € 2.500;

5.2.

schorst [gedaagde] met onmiddellijke ingang als bestuurder van Sientje B.V. totdat tussen partijen in een bodemprocedure is beslist over de onderhavige geschillen tussen partijen of partijen daarover overeenstemming hebben bereikt;

5.3.

verbiedt [gedaagde] om de in zijn bezit zijnde aandelen in de vennootschap met de nummers 62 tot en met 120 in Sientje B.V. te vervreemden, te belenen, dan wel anderszins te bezwaren, uitgezonderd de levering daarvan aan [eiser], op straffe van verbeurte van een (eenmalige) dwangsom van € 25.000;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.386,60, te vermeerderen met de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 13 augustus 2020.