Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6598

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 503
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand ivm verrichten op geld waardeerbare werkzaamheden. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/503

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Nijssen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer, verweerder

(gemachtigde: M. Eerens).

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Participatiewet (PW) in de periode van 1 november 2013 tot en met 30 november 2017 herzien en € 36.983,51 bruto van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 16 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser voor een deel gegrond en een deel ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek heeft in verband met maatregelen vanwege het coronavirus plaatsgevonden middels een skype-gesprek op 6 juli 2020. Gemachtigden van eiser en verweerder hebben aan dit gesprek deelgenomen.

Overwegingen

1.1.

Aan eiser is nadat hij in 2011 en 2012 verschillende periodes een bijstandsuitkering heeft ontvangen vanaf 25 juli 2013 (opnieuw) bijstand toegekend. Naar aanleiding van twee anonieme fraudemeldingen op 8 april 2016 en 22 februari 2017 inhoudende dat eiser niet op zijn uitkeringsadres zou wonen, maar bij zijn vriendin met wie hij een kind heeft en dat eiser werkzaamheden verricht in verband met in- en verkoop van auto’s is verweerder een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering van eiser.

1.2.

Het onderzoek heeft bestaan uit dossieronderzoek; raadplegen van de BRP, Suwinet, de RDW, het internet, de KvK en het kadaster; het opvragen van informatie bij de Belastingdienst en een werkgever; het opvragen van informatie over het water- gas- en energieverbruik; bepaling van de waarde van eisers auto; waarnemingen met betrekking tot de woonsituatie en de (mogelijke) autohandel; opvragen en bestuderen van de rekeningafschriften van eiser, zijn vriendin en een betrokkene genaamd [naam 1] (stiefzoon van eiser); opvragen van informatie van de verhuurder, Ziggo en Marktplaats; bestudering van informatie van de politie en het horen van getuigen en eiser.

1.3.

Lopende het onderzoek heeft eiser verweerder verzocht om per 1 december 2017 zijn bijstandsuitkering te beëindigen wegens vertrek naar het buitenland. Hieraan heeft verweerder gehoor gegeven.

1.4.

De rapporteur heeft naar aanleiding van de onderzoeksresultaten geconcludeerd dat eiser in de periode van 1 november 2013 tot en met 30 november 2017 zowel zijn feitelijke woon- en leefsituatie als zijn werk en inkomsten heeft verzwegen voor verweerder. Uit onderzoek is volgens de rapporteur gebleken dat eiser zijn hoofdverblijf niet had op zijn uitkeringsadres maar op het adres van zijn vriendin met wie hij een kind heeft en aldus een gezamenlijke huishouding voerde. Daarnaast is geconcludeerd dat eiser (zwart) gewerkt heeft in de handel in motorvoertuigen en hieruit inkomsten heeft gehad. Eiser heeft van de gezamenlijke huishouding en zijn werkzaamheden en inkomsten geen melding gemaakt. Volgens de rapporteur had eiser in voornoemde periode geen recht op bijstand. Eiser heeft als gevolg hiervan € 39.983,52 te veel bijstand ontvangen, hetgeen van hem moet worden teruggevorderd.

1.5.

Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen. Hierbij is het recht op een bijstandsuitkering van eiser in de periode van 1 november 2013 tot en met 30 november 2017 herzien en is € 36.983,51 van eiser teruggevorderd. Eiser heeft volgens verweerder zijn inlichtingenverplichting geschonden omdat eiser niet heeft doorgegeven dat hij niet op zijn uitkeringsadres woonde en werkzaamheden en inkomsten uit handel in motorvoertuigen heeft gehad. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

2.

2.1.

De adviescommissie heeft geadviseerd om de bezwaren gericht tegen het niet woonachtig zijn op het uitkeringsadres gegrond te verklaren en voor zover gericht tegen het verrichten van werkzaamheden en handel in motorvoertuigen ongegrond te verklaren. Samengevat stelt de commissie dat het op de weg had gelegen van verweerder om een huisbezoek af te leggen. Dit is niet gebeurd. Verweerder had niet mogen uitwijken naar de grondslag van het niet vast kunnen stellen van het recht indien eigenlijk geconcludeerd is dat sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Dit kan mogelijk anders zijn als verweerder alle onderzoeksmogelijkheden heeft benut, maar hiervan is geen sprake omdat er geen huisbezoek is afgelegd.
De intrekking en de terugvordering van de bijstand van eiser op grond van het niet melden van op geld waardeerbare werkzaamheden kan volgens de commissie stand houden. Eiser heeft in zijn verklaring aangegeven dat hij werkzaamheden heeft verricht voor een Litouwer genaamd [naam 2] . Daarnaast zijn er waarnemingen verricht en beschikt verweerder over foto’s. Eiser heeft geen melding gemaakt van deze op geld waardeerbare werkzaamheden. Door het ontbreken van objectieve en verifieerbare stukken over de aard en de omvang van zijn werkzaamheden kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld gedurende de gehele periode van bijstandsverlening. Verweerder is volgens de commissie op juiste gronden overgegaan tot intrekking en terugvordering van de bijstand.

2.2.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit voornoemd advies overgenomen en de bezwaren gericht tegen het niet woonachtig zijn op het aangegeven adres gegrond verklaard en gericht tegen het verrichten van werkzaamheden en handel in motorvoertuigen ongegrond verklaard.

3. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en inkomsten uit autohandel heeft gehad. Er heeft volgens eiser geen volledige heroverweging van het primaire besluit plaatsgevonden nu niet is ingegaan op zijn uitgebreide standpunten ten aanzien van de vermeende werkzaamheden. Voor de conclusie dat eiser auto’s op naam van familieleden zou hebben gezet of hebben laten zetten bieden de onderzoeksresultaten geen enkele steun. Ook is niet gereageerd op het standpunt dat de bevindingen zien op een periode na beëindigen van het recht op bijstand zodat het de vraag is welke waarde deze hebben voor de voorafgaande periode. De onderzoeksbevindingen zijn te weinig specifiek en te algemeen van aard om de conclusie te rechtvaardigen dat hij gedurende de gehele periode in geding oncontroleerbare inkomsten had uit autohandel.

4. De rechtbank overweegt allereerst dat uit het advies van de commissie voor bezwaarschriften, waar in het bestreden besluit naar is verwezen, volgt dat eisers bezwaren zijn beoordeeld. Eisers gronden van bezwaar zijn expliciet benoemd. Voorts is de commissie tot de conclusie gekomen dat deze gronden ten aanzien van de op geld waardeerbare werkzaamheden niet slagen. Dat geen volledige heroverweging zou hebben plaatsgevonden kan de rechtbank niet volgen. De beroepsgrond dat sprake zou zijn van een zorgvuldigheidsgebrek slaagt dan ook niet.

5. Ten aanzien van de vraag of verweerder het recht op bijstand van eiser terecht heeft herzien/ingetrokken over de periode van 1 november 2013 tot en met 30 november 2017 en terecht € 36.983,51 van eiser heeft teruggevorderd overweegt de rechtbank als volgt.

6. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

7. Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand is een belastend besluit waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. De last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan rust in beginsel op het bijstandverlenend orgaan.

8.1.

Uit het dossier volgt dat eiser op 14 maart 2018 nadat hij geconfronteerd is met de uit de bankafschriften vanaf november 2013 volgende contante stortingen – samengevat – onder meer het volgende heeft verklaard. Hij kreeg geld van mensen uit Litouwen. De vrachtwagenchauffeur brengt contant geld mee dat eiser vervolgens moet betalen aan de garage. Hij krijgt een belletje uit Litouwen met het verzoek om naar een garage te gaan om daar auto’s te bekijken. Als de auto wat lijkt dan stuurt hij een vrachtwagen uit Litouwen naar Nederland die de auto’s ophaalt. De chauffeur heeft geld bij zich en betaalt ter plekke bij de garage. De prijs wordt besproken met de garage. Eiser bekijkt of het een mooie auto is. Het zijn allemaal verschillende auto’s. Het zijn exportauto’s. Eiser bezichtigt de auto’s alleen; misschien één keer per week, soms twee keer per maand. Dat is verschillend. Eiser krijgt geld voor brandstof. Als het ‘ [naam 3] ’ is, krijgt hij een tientje ofzo en ook wel eens een blok sigaretten. Er zijn geen vaste afspraken over de vergoeding. Hij weet niet hoeveel tijd hij besteedt aan de auto’s. Één, twee, drie keer per maand vraagt men hem soms om te bezichtigen; mensen bellen hem. De vriend uit Litouwen heet [naam 2] ; voor hem kijkt hij auto’s en betaalt hij. In [plaats] ‘ [naam 3] ’ komt eiser om auto’s te bezichtigen die door een klant zijn gekocht. Eiser kent [bedrijf 1] . [naam 2] doet via dit bedrijf de export.

8.2.

Uit het dossier volgt verder dat door de anonieme tipgever in 2016 is verklaard dat hij eiser al 4 à 5 jaar kent in verband met de verkoop van auto’s. Er zijn daarbij sms-berichten overgelegd verband houdende met autohandel in 2015 en ook zijn er foto’s overgelegd waarbij eiser zichtbaar aanwezig is bij de vermoedelijke verkoop/export van motorvoertuigen op het bedrijventerrein [naam 3] te [plaats] . Voorts volgt uit de bankafschriften van eiser dat hij in de periode van medio oktober 2016 tot en met 22 mei 2017 op 53 dagen 107 parkeertransacties heeft van een parkeermeter nabij [bedrijf 2] . [bedrijf 2] heeft op 18 juli 2018 verklaard dat eiser vaak kwam; vroeger elke dag, nu één keer per week. Uit de gegevens van markplaats volgt daarnaast dat eisers telefoonnummer is gebruikt voor zes advertenties op marktplaats in de rubriek auto’s. Uit een gesprek met [naam 4] van [bedrijf 3] op 18 juli 2017 volgt dat met het telefoonnummer dat eiser gebruikt auto’s bij hem gereserveerd werden, maar eiser niet kwam opdagen en dat eiser meer mensen boos heeft gemaakt die ‘hem niet moeten vinden’. Ook is eiser in februari 2017 waargenomen bij [bedrijf 4] , waarbij een trailer met daarop twee auto’s is gezien en is gezien dat eiser contact had met andere personen waaronder vermoedelijk de bestuurder van de trailer. Uit een rapport van de politie naar aanleiding van een waarneming van 11 juli 2017 volgt dat met behulp van eiser een auto op een trailer is geduwd die is geëxporteerd naar Litouwen. Een andere auto is door tussenkomst van de [bedrijf 1] geëxporteerd naar Litouwen via [naam 2] . Tot slot volgt uit een lijst van de Belastingdienst dat er binnen eisers familie 41 kentekens, waarvan 28 binnen de bijstandsperiode in de meeste gevallen kortstondig op hun naam hebben gestaan.

8.3.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden deze onderzoeksresultaten voldoende grondslag voor het oordeel dat eiser in de periode in geding op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht, verband houdende met autohandel. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Het onderzoek getuigt – anders dan eiser betoogt – niet van een tunnelvisie. De anonieme meldingen, waarbij overigens tevens objectieve en verifieerbare gegevens zijn overgelegd, zijn aanleiding geweest voor het starten van het onderzoek. Gedurende het onderzoek zijn steeds meer omstandigheden en objectieve gegevens boven water gekomen die de juistheid van de tips bevestigen. Dit maakt echter nog niet dat sprake is van een tunnelvisie. Hoewel de omstandigheid dat er binnen eisers familie meerdere auto’s op naam hebben gestaan gedurende de bijstandsperiode op zich nog niet maakt dat eiser werkzaamheden verricht in de autohandel is dit wel een omstandigheid die tezamen met de overige bevindingen aan die conclusie bijdraagt. Daarbij komt dat uit de onderzoeksbevindingen volgt dat de export (ook) via een garage geregeld wordt. Dat er tot slot onderzoek is verricht gedurende een periode dat eiser (naar aanleiding van zijn eigen verzoek) geen bijstand meer ontving, leidt evenmin tot een ander oordeel. Immers het buiten de bijstandsperiode verrichte onderzoek kan ook gegevens opleveren van omstandigheden die zich binnen de bijstandsperiode hebben voorgedaan, zoals ook in eisers situatie het geval is geweest.

8.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Eiser heeft hiervan geen melding gemaakt bij verweerder.

8.5.

Nu het eiser redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn geweest dat zijn activiteiten voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn, heeft eiser daarmee de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.

8.6.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

8.7.

Eiser heeft van zijn werkzaamheden geen deugdelijke administratie of boekhouding overgelegd waaruit valt af te leiden welke omvang de werkzaamheden en activiteiten hadden en hoe hoog de inkomsten daaruit zijn geweest. Dat hij hiervan geen administratie heeft bijgehouden omdat het maar om een paar autootjes ging, zoals hij heeft verklaard, dient voor zijn rekening en risico te komen. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van eiser over de te beoordelen periode niet is vast te stellen, ook niet schattenderwijs. Verweerder was daarom gehouden de bijstand over de te beoordelen periode in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen van eiser.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 27 augustus 2020 door mr. M.P.E. Oomens, rechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet in het openbaar uitgesproken. Zodra dit weer mogelijk is, zal dit, voor zover nodig, alsnog gebeuren.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.