Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6588

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3738
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

sluiten woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet, verzoek voorlopige voorziening afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/3738

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 augustus 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. L. Stolk-Hogeterp),

en

de burgemeester van de gemeente Zaanstad, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M. Pierik).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet de sluiting gelast van verzoekers woning aan de [de woning] te [woonplaats] (hierna: de woning) met ingang van 6 augustus 2020 om 13:00 uur voor de duur van drie maanden.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 3 augustus 2020 heeft verweerder de voorzieningenrechter bericht de uitvoering van het bestreden besluit op te schorten tot en met de uitspraak op het verzoek.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2020. Namens verzoeker is zijn gemachtigde verschenen. Aan verzoeker, die per trein ernstige vertraging had opgelopen, zijn via de telefoon van zijn gemachtigde enkele vragen gesteld. Verzoeker is verder in de gelegenheid gesteld via de telefoon overige opmerkingen te maken.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Nu verzoeker heeft aangevoerd dat hij op korte termijn geen andere geschikte woonruimte kan vinden, acht de voorzieningenrechter een spoedeisend belang aanwezig.

3.1

Naar aanleiding van een schietincident is op [datum] 2020 de woning door de politie doorzocht. Daarbij is, blijkens de aan verweerder uitgebrachte bestuurlijke rapportages van [datum] 2020 en [datum] 2020, 0,2 gram cocaïne en 19,99 gram MDMA aangetroffen. Verder zijn aangetroffen: een grote pot met groene resten van een hennepplant, twee weegschalen (met op één weegschaal wit poeder), een glazen bakje met (resten van) wit poeder, rollen met boterhamzakjes, diverse wapens (geen vuurwapens) en munitie.

3.2

In de bestuurlijke rapportage van [datum] 2020 staan als meest recente antecedenten van verzoeker vermeld:

- [datum] 2007: Prepareren, verkopen, afleveren of vervoer harddrugs

- [datum] 2017: Bezit harddrugs

Verder is in deze rapportage vermeld dat verzoeker op [datum] 2019 is staande gehouden op een locatie waarvan bij de politie bekend is dat daar regelmatig wordt gedeald, waarbij bij verzoeker € 355 werd aangetroffen in verschillende coupures. De betrokken politieambtenaren hadden het vermoeden dat verzoeker aan het dealen is.

4. Met toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en overeenkomstig het door hem vastgestelde 'Beleid artikel 13b Opiumwet 2017' (hierna: het beleid) heeft verweerder bij het bestreden besluit de woning van verzoeker voor drie maanden gesloten. Op 15 juni 2020 heeft verweerder aan verzoeker de voorgenomen sluiting meegedeeld en hem in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Op 7 juli 2020 heeft verzoeker zijn zienswijze ingediend.

5. Het geschil tussen partijen betreft uitsluitend de vraag of er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan verweerder in afwijking van het beleid had moeten afzien van sluiting van de woning.

6.1

Verzoeker stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Bij de sluiting van een woning is sprake van een inmenging in het recht zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM. Verzoeker is jarenlang dakloos geweest en bekend met verslavingsproblematiek met als gevolg dat hij vijf Opium-antecedenten op zijn naam heeft staan, die hij niet ongedaan kan maken. Sinds zijn intrek in de woning in 2011 hebben zich echter geen Opium-antecedenten meer voorgedaan en is hij ook niet met de politie in aanraking geweest. Verzoeker vindt het niet proportioneel de eerdere antecenten mee te wegen. De in de woning aangetroffen wapens dienden ter decoratie, een deel van deze wapens heeft verzoeker inmiddels teruggekregen en ter zake van het drugs- en wapenbezit is tot op heden geen strafzaak tegen verzoeker aanhangig gemaakt. Verder voert verzoeker aan dat sluiting van zijn woning voor drie maanden zal leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst van zijn sociale huurwoning. Dit zal tot dakloosheid leiden en de kans op verslaving vergroten. Verzoeker staat onder bewind en krijgt € 50 leefgeld per week. Hij heeft onvoldoende financiële middelen om zelfstandig aan een woning te komen. Ten slotte wijst verzoeker erop dat zijn vier kinderen (in de leeftijd van 20, 12, 6 en 1,5 jaar) hem regelmatig bezoeken en ook bij hem overnachten. Na sluiting van de woning zal hij zijn kinderen niet meer in een veilige omgeving kunnen ontvangen, waardoor de belangen van de kinderen ernstig worden geschaad.

Op basis van het voorgaande is verzoeker van mening dat kan worden volstaan met een minder ingrijpende maar effectievere maatregel dan sluiting, bijvoorbeeld het afleggen van periodieke controles van de woning.

6.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aangevoerde omstandigheden geen afwijking van het beleid rechtvaardigen. Inherent aan een sluiting van de woning is dat verzoeker deze zal moeten verlaten. Het is verweerder niet gebleken dat verzoeker geen vervangende woonruimte heeft of kan vinden, en ook niet dat verzoeker zich heeft ingespannen om een ander onderkomen te vinden of daar hulp bij heeft gevraagd. Verzoeker kan gedurende de sluiting overnachten bij het Leger des Heils. De drugsverslaving van verzoeker en de gestelde psychische klachten zijn geen medische omstandigheden die maken dat verzoeker specifiek aan deze woning is gebonden. Dat het besluit voor verzoeker financiële consequenties heeft is inherent aan de sluiting. Voorts heeft verzoeker, die een uitkering ontvangt, zijn stelling dat hij onvoldoende financiële middelen heeft voor andere woonruimte, niet onderbouwd. De kinderen van verzoeker zijn niet op zijn adres woonachtig en verzoeker kan zijn kinderen ook buiten de woning ontmoeten. De belangen van de kinderen worden daarom niet dusdanig geschaad door de sluiting van de woning dat verweerder om die reden van sluiting had moeten afzien. Het bestreden besluit geeft blijk van een evenredige belangenafweging en verweerder heeft de woning dan ook voor drie maanden kunnen sluiten.

6.3.1

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in de aangevoerde omstandigheden geen reden hoeven zien om van sluiting van de woning af te zien. De gevolgen van de sluiting van de woning van verzoeker acht de voorzieningenrechter in dit geval niet onevenredig in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

6.3.2

Het beleid heeft onder meer tot doel het beëindigen en voorkomen van overtredingen van de Opiumwet en herstel van de openbare orde door te voorkomen dat de woning (weer) wordt gebruikt in het (georganiseerde) drugscircuit. Vast staat dat in de woning 20,19 gram harddrugs is aangetroffen, dat is ruim 40 keer de gebruikershoeveelheid van 0,5 gram. Verweerder mocht dan ook aannemen dat de aangetroffen drugs geheel of deels bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking en dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. In de praktijk bleek dit ook zo te zijn. Bij zijn verhoor bij de politie heeft verzoeker immers verklaard dat hij de drugs heeft gebruikt als ruilmiddel voor één van de in zijn woning aanwezige wapens. Verder heeft verzoeker ter zitting, nadat de voorzieningenrechter hem voorhield dat de aangetroffen hoeveelheid drugs erg veel is voor alleen eigen gebruik, verklaard dat er ook 'kameraden' langskwamen die in de woning ook drugs gebruikten. Met de sluiting wordt de bekendheid van de woning als drugspand doorbroken en wordt de 'loop' naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt het woon- en leefklimaat bij de woning beschermd en de openbare orde hersteld.

6.3.3

Verzoeker stelt hiertegenover dat hij zijn leven 'op de rails heeft' en zijn drugsgebruik 'onder controle', en dat hem daarom een tweede kans moet worden geboden. Dit wordt door hem echter niet concreet onderbouwd. Hij heeft de hulpverlening via de GGD beëindigd in februari 2020 en wordt op dit moment niet behandeld voor zijn verslavingsproblematiek. Daarmee is de kans groot dat het gebruik van drugs door verzoeker en de handel/verstrekking in of vanuit de woning gewoon doorgaan. Anders dan verzoeker stelt, is er (ook) sinds hij in de woning woont sprake geweest van een drugsgerelateerd antecedent en politiecontact (zie hiervoor onder 3.2). Dat verzoeker de woning moet verlaten is inherent aan de sluiting daarvan en is daarom op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. De verslavingsproblematiek van verzoeker maakt niet dat hij een bijzondere binding heeft met specifiek deze woning. Dat de gevolgen van de woningsluiting in dit geval voor verzoeker bijzonder zwaar zijn omdat hij als gevolg van de op handen zijnde ontbinding van de huurovereenkomst door de verhuurder niet zal kunnen terugkeren naar de woning maakt het besluit niet onevenredig, gelet op de ernst van de overtreding en het persoonlijk verwijt dat verzoeker daarvan kan worden gemaakt. Nu de kinderen van verzoeker geen hoofdverblijf bij hem hebben, en niet onderbouwd is gesteld noch is gebleken dat verzoeker de omgang met zijn kinderen niet op een andere wijze kan vormgeven, wegen ook de belangen van de kinderen niet dermate zwaar dat verweerder om die reden van sluiting had moeten afzien.

7. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 27 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.