Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6562

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-07-2020
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4819
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering vergunning bouw paardenstal, bouwverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19 / 4819

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.W.M. Aalsma),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder

(gemachtigden: M. Guimaraes en B. Malloul).

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd om aan eiseres op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een paardenstal op het perceel [perceel] .

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft voor het verweer verwezen naar het bestreden besluit.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2020. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1 Eiseres heeft op 17 mei 2019 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een paardenstal op de locatie [perceel] (het perceel). Op het perceel is het bestemmingsplan Saendelft van toepassing. Het perceel heeft de bestemming ‘Uit te werken agrarische doeleinden met landschappelijke waarden’ (artikel 12 van het bestemmingsplan).

1.2 Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met het in artikel 28 van het bestemmingsplan opgenomen bouwverbod.

1.3 Het relevante juridische kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

2.1 Eiseres voert aan dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Eiseres heeft op het perceel een paardenfokkerij. Dat is een grondgebonden agrarisch bedrijf. Op grond van artikel 12 van het bestemmingsplan is een dergelijk bedrijf op het perceel toegestaan. Ook is het op grond van dit artikel mogelijk om ten behoeve van dit bedrijf een stal en een bedrijfswoning op het perceel te realiseren. Voor zover het bedrijf onverhoopt geen grondgebonden agrarisch bedrijf in de zin van artikel 12 van het bestemmingsplan is, volgt uit de toelichting bij het bestemmingsplan dat de regeling in artikel 12 zoveel mogelijk overeenkomstig het bestemmingsplan Poldergebied Assendelft is opgesteld. Dat bestemmingsplan is in september 2013 opnieuw vastgesteld. De bestemming ‘agrarisch’ is daarin veel ruimer. Het is de verwachting dat in een nieuw bestemmingsplan hierbij aangesloten zal worden.

2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bouw van een paardenstal in strijd is met het bouwverbod van artikel 28 van het bestemmingsplan. Het perceel heeft de bestemming ‘Uit te werken agrarische doeleinden met landschappelijke waarden’ (artikel 12 van het bestemmingsplan), maar er is geen uitwerkingsplan opgesteld.

2.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat het bouwplan in strijd is met artikel 28 van het bestemmingsplan. Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel de bestemming ‘Uit te werken agrarisch doeleinden met landschappelijke waarden’ heeft. Deze bestemming dient op grond van artikel 12 van het bestemmingsplan nader uitgewerkt te worden. Verweerder heeft daartoe geen uitwerkingsplan opgesteld, zodat op grond van artikel 28 van het bestemmingsplan een bouwverbod van toepassing is. Het bouwplan van eiseres is alleen al om deze reden in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank is verder van oordeel dat het feit dat in artikel 12 van het bestemmingsplan bouwmogelijkheden staan genoemd, dit niet anders maakt. Deze bouwmogelijkheden zijn daarin slechts opgenomen als kader voor het op te stellen uitwerkingsplan. Gezien het voorgaande behoeft de vraag of het bedrijf van eiseres een grondgebonden agrarisch bedrijf is in de zin van artikel 12 van het bestemmingsplan geen beantwoording. De beroepsgrond slaagt niet.

3.1 Eiseres voert aan dat het onredelijk is dat de omgevingsvergunning is geweigerd. Eiseres wijst daartoe op het gestelde in overweging 2.1. Eiseres wijst daartoe verder op het feit dat het huidige bestemmingplan al meer dan 20 jaar oud is en dat de bestemming ‘weidevogelleefgebied’ vanuit de Provincie zal komen te vervallen.

3.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij vanwege het van toepassing zijnde bouwverbod terecht heeft geweigerd om een omgevingsvergunning te verlenen op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3e, van de Wabo. Er wordt gewerkt aan een nieuw bestemmingsplan, waarvoor samen met de Provincie de verschillende scenario’s onderzocht worden. Daarbij wordt bekeken hoe opstallen en functies die in het gebied aanwezig zijn, maar niet vergund zijn, op een goede ruimtelijke manier in het plan kunnen worden opgenomen. Dat is een lastige opgave omdat daarbij rekening gehouden moet worden met de voor het gebied geldende beperkingen (b.v. milieu: geluidscontour provinciale weg aan de andere zijde van de Nauernasche Vaart; Provincie: weidevogelleefgebied). Verweerder vindt het niet wenselijk om mee te werken aan bouwplannen waarbij bebouwing verder het open veenweidegebied in gebouwd wordt, voordat hierover duidelijkheid is verkregen.

3.3 Het huidige bestemmingsplan is al ruim 20 jaar oud. Dat doet echter niet af aan het feit dat dit plan het vigerende bestemmingsplan is en dat het daarin opgenomen bouwverbod van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, dat het niet wenselijk is om in afwijking van het huidige bestemmingsplan en vooruitlopend op het nieuwe bestemmingsplan dat in de maak is, mee te werken aan bouwplannen waarbij bebouwing verder het open veenweidegebied in gebouwd wordt. De stelling van eiseres dat zij verwacht dat het begrip ‘agrarisch’ in het nieuwe bestemmingsplan ruimer zal zijn en dat haar paardenfokkerij (naar de rechtbank begrijpt voor zover dat nu niet het geval is) binnen het vast te stellen planologisch regiem zal vallen, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Ditzelfde geldt voor de stelling van eiseres dat de bestemming weidevogelleefgebied op grond van de Provinciale Ruimtelijke Verordening zal komen te vervallen, dan wel dat deze bestemming inmiddels is vervallen. Beide stellingen zien op door eiseres verwachte ontwikkelingen. De beroepsgrond slaagt niet.

4.1 Eiseres voert aan dat sprake is van ongelijke behandeling. Op naastgelegen percelen zijn een paardenfokkerij en een manage gevestigd, met bijbehorende paardenstallen. Er is bovendien een omgevingsvergunning aangevraagd voor een bouwplan op het perceel [locatie 1] . Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat zij zich ook beroept op het feit dat verweerder een omgevingsvergunning heeft verleend ten behoeve van een bouwplan op het perceel aan de [locatie 2] .

4.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van gelijke gevallen omdat voor de paardenstallen op de naastgelegen percelen geen omgevingsvergunning is verleend. Er is slechts sprake van het gedogen van deze stallen.

4.3 De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen. Zoals verweerder terecht heeft aangevoerd, is gedogen niet hetzelfde als het verlenen van een omgevingsvergunning. Ter zitting heeft verweerder verder toegelicht dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bouwplan op het [locatie 1] buiten behandeling is gesteld, en dat op het perceel aan de [locatie 2] een ander bestemmingsplan (Landelijk gebied Assendelft) van toepassing is. Eiseres heeft dit niet weersproken. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Ter zitting heeft eiseres bevestigd dat zij met haar stelling in haar beroepschrift dat een vergunning verleend had kunnen worden op grond van de regeling voor ‘kruimelgevallen’ en haar stelling dat sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad, niet bedoeld heeft beroepsgronden aan te voeren. De rechtbank laat deze stellingen dan ook buiten beschouwing.

6. De rechtbank laat ook het verzoek van eiseres om te bepalen dat de huidige situatie gedoogd wordt totdat er een nieuw bestemmingsplan is, en de stelling van eiseres dat verweerder aan haar aanvraag tegemoet kan komen door het bestemmingsplan aan te passen of een nieuw (postzegel)bestemmingsplan vast te stellen, buiten beschouwing. Dit verzoek en deze stelling vallen buiten de omvang van dit geding.

7. Gezien het voorgaande is het beroep van eiseres ongegrond.

8. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Bosveld, griffier. De uitspraak is gedaan op 24 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid, onder a en c

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…]

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3e

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

[…]

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

Bestemmingsplan Saendelft

Artikel 12 Agrarische doeleinden met landschappelijke waarden

1. De op de plankaart als uit te werken agrarische doeleinden met landschappelijke waarden aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. grondgebonden agrarische bedrijfsvoering met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en terreinen;

b. bebouwing ten behoeve van het wonen;

[…]

2. Burgemeester en wethouders werken de bestemming van gronden vermeld in dit artikel uit met in achtneming van het bepaalde in artikel 4 en de volgende regels.

[…]

f. Per bedrijfsvestiging is maximaal één dienstwoning met een maximum inhoud van 550m3 toegestaan.

[…]

Artikel 28 Bouwverbod voor globale bestemmingen met uitwerkingsplicht

1. Bebouwing mag uitsluitend plaatsvinden in overeenstemming met een rechtskracht verkregen uitwerking van het plan of plandelen.

[…]

3. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van lid 1 als het bouwplan in overeenstemming is met een ontwerp-uitwerkingsplan, een uitwerkingsplan dat nog moet worden goedgekeurd dan wel in een uitwerkingsplan kan worden ingepast. De volgende voorwaarden gelden:

a. De procedureregels die zijn vermeld in artikel 26 moeten zijn in acht genomen;

b. Gedeputeerde Staten moeten hebben verklaard tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar te hebben.

[…]