Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6538

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4923
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beslag op Aow-pensioen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/4923 en HAA 19/5675

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2020 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiser meegedeeld dat verweerder in opdracht van [naam] met ingang van oktober 2019 een bedrag van € 301,60 per maand op eisers AOW-pensioen zal inhouden.

Bij besluit van 16 oktober 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard in die zin dat vanaf oktober 2019 elke maand € 207,05 ingehouden zal worden en eiser € 812,67 netto AOW-pensioen zal ontvangen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Deze zaak is geregistreerd onder HAA 19/4923.

Bij besluit van 8 november 2019 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiser meegedeeld dat de inhouding op zijn AOW-pensioen op verzoek van [naam] per november 2019 is gewijzigd en dat met ingang van november 2019 elke maand een bedrag van € 68,10 op eiseres AOW-pensioen wordt ingehouden.

Bij besluit van 16 oktober 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld. Deze zaak is geregistreerd onder HAA 19/5675.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep II ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek heden gesloten.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

2. Eiser heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat het beslag onrechtmatig is. Ook is eiser het niet eens met de vaststelling van de beslagvrije voet.

3. Volgens vaste rechtspraak kan de beslagdebiteur -in dit geval eiser- bezwaren betreffende een gelegd beslag voorleggen aan de civiele rechter en is de derdebeslagene -in dit geval verweerder- gehouden volledige medewerking aan het beslag te geven zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. Ook de bestuursrechter dient bij de beoordeling van een betalingsbeslissing ter uitvoering van een gelegd beslag de geldigheid van dat beslag als een gegeven te beschouwen en zijn toetsing kan niet verder strekken dan de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van zijn betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag (uitspraak van 30 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2687).

4. In de onderhavige procedures ligt dan ook niet ter beoordeling voor of rechtmatig en voor een juist bedrag beslag op het AOW-pensioen van eiser is gelegd.

5. De rechtbank stelt voorts vast dat de beslagvrije voet van eiser voor oktober 2019 (nader) is vastgesteld op € 927,38 en voor november 2019 op € 1.066,33. Gelet op hetgeen hierboven bij 3. is overwogen, dient verweerder van de geldigheid van het beslag en daarmee ook van de geldigheid van de beslagvrije voet uit te gaan. Uit de bestreden besluiten blijkt dat verweerder met de door de deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet rekening heeft gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in zijn besluitvorming dan ook binnen de grenzen van het gelegde beslag gebleven.

6. Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 2 september 2020 door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van D.M.M. Luijckx griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.