Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6532

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
15/117871-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor brandstichting. Gemeen gevaar voor goederen aangenomen bij opzettelijk in brand steken bouwafval op korte afstand van poort en achterpui woning. 10 Maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/117871-20 (P)

Uitspraakdatum: 25 augustus 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande,

thans gedetineerd in PI Alphen aan den Rijn, locatie Eikenlaan, te Alphen aan den Rijn.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. Bos en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. D. Fontein, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 april 2020 te Edam, gemeente Edam-Volendam opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met karton en/of plastic en/of ander (brandbaar) materiaal in de vorm van bouwafval, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan de woning aan de [adres] , tegen de achtergevel waarvan vooromschreven materia(a)le(n) lag(en) opgetast, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor (alle) op voormeld perceel zich bevindende bebouwing en/of zich daarin bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat op grond van het dossier niet kan komen vast te staan dat gemeen gevaar voor goederen te duchten was en dat dit gevaar ook niet voorzienbaar was ten tijde van de brandstichting. Daarbij heeft de raadsman van verdachte aangegeven dat de verwezenlijkte schade slechts rookschade en roet betreft en deze gevolgen niet voldoende zijn voor de ondersteuning dat gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2.

Bewijsmotivering

Uit de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de bijlage bij dit vonnis, leidt de rechtbank met betrekking tot het bewezen verklaarde feit het volgende af.

Op 30 april 2020 heeft verdachte losliggend bouwafval, waaronder karton, opzettelijk in brand gestoken. Verdachte heeft dit (ook) ter terechtzitting bekend. Dit bouwafval lag in de achtertuin van het perceel [adres] te Edam en op korte afstand van de poort en de achterpui van de woning op dit perceel. De brandhaard bevond zich tegen de achtergevel van de woning. Op de muur en een paneel onder het keukenraam is een inbranding en beroeting aangetroffen. De brandresten bestonden voornamelijk uit restanten van bouwmateriaal. Door deze brand is tevens schade aan de woning ontstaan. De verf op het achterkozijn van de woning is losgelaten, het hout van het kozijn is zwart geblakerd en het raam van dit kozijn is gebarsten.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van opzettelijk brandstichten, nu verdachte met een aansteker vuur bij bouwmateriaal heeft gebracht en dit zodoende in brand heeft gestoken. Hierbij wordt opgemerkt dat dit goederen betrof die niet bestemd waren in de bestaande omstandigheden van tijd en plaats en op de toegepaste wijze in brand gestoken te worden.

De rechtbank overweegt verder omtrent de vraag of gemeen gevaar voor goederen te duchten was als volgt.

Van het afval dat het vuur heeft gevoed waren slechts brandresten over. Doordat het aangestoken bouwafval op zeer korte afstand van de woning lag - er is vastgesteld dat de brandhaard tegen de muur van de woning aan was - en het vuur op geen enkele wijze was begrensd was er gemeen gevaar voor de zich op het perceel bevindende goederen en bebouwing te duchten. Het bestaan van gevaar voor goederen wordt bevestigd in de bevindingen zoals die blijken uit het proces-verbaal sporenonderzoek en wordt bovendien ondersteund door het feit dat dit gevaar zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Er is immers schade aan het kozijn en het raam van de woning is ontstaan. Dit gevaar gaat verder dan alleen rookschade en roet, zoals de raadsman van verdachte heeft gesuggereerd, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat op de muur en onder het keukenraam een inbranding is ontstaan en een ruit is gebarsten.

Gelet op voornoemde feitelijke omstandigheden, het feit dat sprake was van ongecontroleerd brandstichten en het een feit van algemene bekendheid is dat (onbegrensd) vuur moeilijk te controleren is, is de rechtbank van oordeel dat het gemeen gevaar voor goederen ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 30 april 2020 te Edam, gemeente Edam-Volendam opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met karton en ander brandbaar materiaal in de vorm van bouwafval, ten gevolge waarvan de woning aan de [adres] , tegen de achtergevel gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor alle op voormeld perceel zich bevindende bebouwing en zich daar bevindende goederen te duchten was.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht bij de strafoplegging de volgende omstandigheden in het voordeel van verdachte mee te nemen.

Er was geen gemeen gevaar voor gebouwen in de zin van de woning en/of andere op het perceel bevindende bebouwing te duchten en de gevolgen van de brand zijn beperkt gebleven. Verdachte heeft de brand gesticht, omdat hij het koud had. Verdachte zal na zijn invrijheidstelling terugkeren naar Polen en verdachte heeft geen strafblad.

Gelet hierop heeft de raadsman primair verzocht aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, die gelijk is aan de duur van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Subsidiair heeft de raadsman verzocht naast deze voorgestelde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting. Hij kwam tot zijn handelen onder invloed van alcohol en bij gebrek aan onderdak. Hij heeft aangegeven het koud te hebben gehad en met het stoken van het vuur geprobeerd te hebben zichzelf te verwarmen. Hij heeft bouwafval in de brand gestoken dat vlakbij een woning lag, zodat ten gevolge daarvan aan de achtergevel van een woning een inbranding, schade aan het kozijn en een barst in het keukenraam is ontstaan. Hierdoor was gemeen gevaar voor goederen te duchten.

Opzettelijke brandstichting is een ernstig en gevaarlijk feit. Verdachte heeft met de keuze voor het oplossen van zijn probleem een gebrek aan respect voor andermans eigendommen en gevoelens van veiligheid aan de dag gelegd. Door zijn toedoen is er schade aan de woning van het slachtoffer ontstaan, met alle financiële consequenties van dien. Met brandstichting wordt niet alleen materiële schade veroorzaakt. Het leidt ook tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, en met name bij de eigenaar van de woning.

De rechtbank neemt verdachte voorts kwalijk dat hij zijn verantwoordelijkheid heeft proberen te ontlopen door op de vlucht te slaan toen het vuur oplaaide.

In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank mee dat verdachte ter terechtzitting te kennen heeft gegeven het laakbare van zijn handelen, met name na het ontstaan van de brand, in te zien. Hij beseft dat het veel slechter had kunnen aflopen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op

het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 9 juli 2020, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld, zodat dit niet in strafverzwarende zin meeweegt.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 22 juli 2020 van [reclasseringswerker] , als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland, en van hetgeen overigens ter terechtzitting omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is gebleken.

Uit voornoemd reclasseringsadvies blijkt onder meer het volgende.

Verdachte heeft geen onderdak en geen inkomen. Daarnaast heeft verdachte een alcoholverslaving. Deze vorm van leven en zijn alcoholverslaving zijn risicofactoren voor nieuw delictgedrag. De reclassering heeft het risico op recidive als gemiddeld ingeschat.

De reclassering ziet, ondanks de zorgen op verschillende leefgebieden, geen mogelijkheid voor het inzetten van een behandel- dan wel begeleidingstraject, nu verdachte een concreet plan heeft om terug te keren naar Polen.

Verdachte heeft ter terechtzitting tevens aangegeven niet open te staan voor een behandel- dan wel begeleidingstraject, nu hij niet in Nederland wil blijven wonen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van geruime duur moet worden opgelegd. Voor een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het reeds door verdachte ondergane voorarrest, zoals de raadsman heeft verzocht, is geen plaats vanwege de ernst van het feit. De rechtbank zal echter wel bepalen dat een gedeelte van de straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren. De rechtbank acht een voorwaardelijk deel noodzakelijk, als niet mis te verstaan signaal naar verdachte – bij wijze van steun in de rug dan wel stok achter de deur – dat hij zich in de toekomst moet onthouden van het plegen van strafbare feiten en ter bescherming van de maatschappij in bredere zin, mocht verdachte besluiten in Nederland te blijven of daar terug te keren.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit de hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 [tien] maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 4 [vier] maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. H.E. van Harten en mr. I.S. Burggraaff, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.D. Renshof,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 augustus 2020.

Bijlage

De bewijsmiddelen

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

Verklaring van verdachte ter terechtzitting

De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 11 augustus 2020 heeft afgelegd, houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.

Ik heb op 30 april 2020 te Edam karton en folie bij de woning in brand gestoken. Ik heb dit opzettelijk in brand gestoken. Ik heb de brand aangestoken met een aansteker. De vlammen waren ineens heel hoog. Ik weet dat vuur lastig te controleren is.

Een proces-verbaal van aangifte (digitale pagina’s 33-34). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 30 april 2020 door aangever [aangever] ten overstaan van verbalisant [verbalisant 1] afgelegde verklaring:

Pleegdatum 30 april 2020.

Ik wil graag aangifte doen van brandstichting. De brandstichting was aan de [adres] te Edam, in de achtertuin. Dit betreft mijn woning waar wij nog aan het verbouwen zijn. Er is brandgesticht in de achtertuin. In het hoekje bij de achterpui die grenst aan de poort is brand gesticht. Er zit ongeveer 1,5 tot 2 meter tussen de poort en de achterpui.

Door de brand is schade ontstaan. De ontstaande schade is een kapot achterkozijn, gesprongen raam en de zijgevel. Er is schade aan de zijgevel, gelegen aan de steeg, omdat er stenen tussenuit zijn gehaald door de brandweer om te kijken of er tussen de spui nog brand was.

Een proces-verbaal sporenonderzoek (digitale pagina 44-45). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 30 april 2020 heb ik van 11.00 uur tot 12.00 uur een onderzoek ingesteld op het achtererf van een hoekwoning, op het adres [adres] te Edam.

Ik zag vanaf het achtererf van de woning dat tegen de linkerzijde van de woning, aan de zijde van de brandgang, brand had gewoed. Ik zag op de muur en een paneel onder het keukenraam een inbranding en beroeting. Ik zag dat het buitenblad van de ruit van de keuken als gevolg van hitte inwerking deels gebarsten was. Ik zag dat de brandresten voornamelijk bestonden uit restanten van bouwmateriaal, al dan niet verpakt in kunststof zakken. Ik zag dat zich hierin afval bestond, voornamelijk bestaande uit stucloop, houtdelen en kunststof afval.

Bij onderzoek in de directe omgeving van de brandhaard trof ik geen aanwijzingen aan voor een technisch verklaarbare brandoorzaak. Bij onderzoek met een detectieapparaat voor vluchtige koolwaterstoffen, trof ik geen aanwijzingen aan voor de aanwezigheid van vluchtige ontbrandbare vloeistoffen. Naar aanleiding van bovenstaande kan worden gesteld dat de brand op het achtererf is ontstaan door het al dan niet opzettelijk achterlaten van vuur bij de zakken met bouwafval. Als gevolg van de brand was gemeen gevaar voor goederen te duchten. Als de brand niet op tijd was ontdekt, had een branddoorslag via de ruit van de keuken plaats kunnen vinden, waardoor minimaal roet en rookschade in de woning had kunnen ontstaan.

Een proces-verbaal van aanhouding (digitale pagina 9-11). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] dan wel een (of meer) van hen:

Op 30 april 2020 kwamen wij ter plaatse op de [adres] in Edam.

Ik, verbalisant [verbalisant 4] , ben samen met de brandweer naar de brandhaard gelopen. Ik zag dat de brandhaard in de achtertuin van [adres] was. De brandhaard bevond zich tegen de achtergevel van de woning. Ik zag overblijfselen van bouwafval wat in vermoedelijk een plastic vuilniszak zat.

Ik zag dat het kozijn van de woning was vernield door de brand.

Ik zag dat het verf los liet op het kozijn.

Ik zag dat het hout van het kozijn zwart geblakerd was.

Ik zag dat er een barst in het raam zat wat in het kozijn zat.

Ik zag dat het bovengenoemde glas zwart geblakerd was ter hoogte van de barst.