Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6524

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
C/15/295688 / HA ZA 19-700
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overeenkomsten van geldlening. Contractspartij. Onrechtmatig handelen, bestuurdersaansprakelijkheid. Vorderingen afgewezen. Geen belang bij vorderingen in reconventie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/295688 / HA ZA 19-700

Vonnis van 5 augustus 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMARANTI BEHEER B.V.,

gevestigd te Hendrik-Ido Ambacht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R.S.A. Essed te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.M.H.J.L. Claus te Heemstede,

2. ARTHUR JOHANNES JACOBUS SWEENS, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam 1]

kantoorhoudende te Den Helder,

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna Amaranti, [gedaagde] en de Curator (gezamenlijk: [gedaagde] c.s.) worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 31 oktober 2019 met producties 1 tot en met 5;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van [gedaagde] ;

  • -

    het tegen de Curator verleende verstek;

  • -

    het tussenvonnis van 5 februari 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met producties 6 tot en met 15.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juni 2020, in verband met de Covid-19 maatregelen via een Skypeverbinding.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Amaranti is de holdingmaatschappij van de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en zijn echtgenote.

2.2.

De heer [naam 1] en [gedaagde] zijn elkaars levenspartners. Zij zijn bestuurders van de naamloze vennootschap naar Belgisch recht Advies Bureau Kalmthout N.V. (hierna: ABK) geweest. [gedaagde] was dit van 1 november 2010 tot 1 januari 2012 en [naam 1] vanaf 1 januari 2012.

2.3.

Op 4 juli 2011 hebben [naam 2] namens Amaranti als “geldgever”, en [gedaagde] namens ABK als “geldlener”, een “leenovereenkomst” ondertekend voor een bedrag van € 50.000,00 (hierna: de leenovereenkomst). Tevens is er ten overstaan van een notaris een hypothecaire volmacht ondertekend. Het geleende bedrag is in delen overgemaakt naar de bankrekening van ABK. Deze lening zal verder worden aangeduid als lening 1.

2.4.

In de leenovereenkomst is voor zover hier van belang bepaald:

Artikel 1:

“De hoofdsom is als volgt opeisbaar: 1/3 deel op 1 juli 2015, 1/3 deel op 1 juli 2016 en 1/3 deel op 1 juli 2017 en dient op die datum ook terugbetaald te zijn.”

Artikel 4:

“Geldnemer betaalt over de hoofdsom jaarlijks een rente van 7,5%. Elke drie maanden te betalen en te starten op 1 oktober 2011, vervolgens 1 januari 2012 etc.”

2.5.

Op 16 februari 2012 heeft Amaranti een rentebetaling van € 937,50 ontvangen.

2.6.

Op 10 mei 2012 heeft Amaranti een bedrag van € 9.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van [gedaagde] met als omschrijving “Spoedopdracht lening tbv [naam 1]” (hierna: lening 2).

2.7.

ABK is op 27 december 2012 door de rechtbank van koophandel te Antwerpen in staat van faillissement verklaard.

2.8.

Bij e-mail van 21 juli 2015 heeft [naam 1] aan [naam 2] geschreven:

“Goedemorgen [voornaam] ,

Zoals het er nu naar uitziet zal de lening uiterlijk januari 2016 in het geheel zijn terugbetaald, (…)”

2.9.

Bij e-mail van 27 september 2016 heeft [naam 1] aan [naam 2] geschreven:

“(…) Ik verwacht uiterlijk dat dit jaar de lening in het geheel kan worden terugbetaald. (…)”

2.10.

Bij e-mail van 15 februari 2017 heeft [naam 1] aan [naam 2] geschreven:

“(…) In de financiële afwikkeling omtrent de fondsen uit België is wederom vertraging ontstaan , de verwachting is dat dit op 27 juli van jaar opgelost is en dat de lening begin augustus incl. de opgebouwde rente aan u wordt terugbetaald. (…)”

2.11.

Op 20 juni 2019 is [naam 1] door deze rechtbank in staat van faillissement verklaard.

2.12.

Bij deurwaardersexploot van 18 juli 2019 heeft de advocaat van Amaranti [gedaagde] verzocht en gesommeerd tot terugbetaling van een bedrag van € 95.604,74.

3 De vordering en het verweer

in conventie

3.1.

Amaranti vordert, na eiswijziging, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad,

I. voor recht zal verklaren dat er ter zake van het door Amaranti (via ABK) aan [naam 1] en [gedaagde] verstrekte geldbedrag van € 50.000,00 primair een overeenkomst van geldlening bestaat tussen Amaranti als geldgever en [naam 1] en [gedaagde] . als (hoofdelijk verbonden) geldnemers, die wordt gereguleerd door de voorwaarden van de leenovereenkomst dan wel subsidiair dat [naam 1] en [gedaagde] op grond van onrechtmatige daad gehouden zijn tot vergoeding van de door Amaranti geleden schade bestaande uit de hoofdsom van € 50.000,00, de contractuele rente (7,5% op jaarbasis) en de wettelijke rente;

II. voor recht zal verklaren dat er ter zake van het door Amaranti aan [naam 1] en [gedaagde] verstrekte geldbedrag van € 9.000,00 primair een overeenkomst van geldlening bestaat tussen Amaranti als geldgever en [naam 1] en [gedaagde] als (hoofdelijk verbonden) geldnemers, die wordt gereguleerd door de voorwaarden van de leenovereenkomst dan wel subsidiair dat [naam 1] en [gedaagde] op grond van onrechtmatige daad gehouden zijn tot vergoeding van de door Amaranti geleden schade bestaande uit de hoofdsom van € 9.000,00, de contractuele rente (7,5% op jaarbasis) en de wettelijke rente;

III. [gedaagde] ter zake van het aan haar verstrekte geldbedrag van € 50.000,00 zal veroordelen:

  1. primair op grond van de overeenkomst van geldlening, tot terugbetaling van het geldbedrag van € 50.000,00 vermeerderd met de contractuele rente van 7,5% per jaar vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

  2. subsidiair op grond van onrechtmatige daad, tot betaling van schadevergoeding (hoofdsom van € 50.000,00 plus gederfde contractuele rente) te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 1 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. [gedaagde] ter zake van het aan haar verstrekte geldbedrag van € 9.000,00 zal veroordelen:

  1. primair op grond van de overeenkomst van geldlening, tot terugbetaling van het geldbedrag van € 9.000,00 vermeerderd met de contractuele rente van 7,5% per jaar vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

  2. subsidiair op grond van onrechtmatige daad, tot betaling van schadevergoeding (hoofdsom plus gederfde contractuele rente) te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 1 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

V. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een geldbedrag van € 1.731,06 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 2 augustus 2019;

VI. [gedaagde] c.s., voor zoveel als mogelijk hoofdelijk, zal veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de termijn plaatsvind – te vermeerderen met de wettelijk rente.

3.2.

Amaranti legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de leenovereenkomsten in materiële zin overeenkomsten van geldlening tussen Amaranti enerzijds en [naam 1] en [gedaagde] anderzijds waren. Laatstgenoemden hebben Amaranti verzocht om de leningen vanwege het saneren van privéschulden. Amaranti heeft met dat doel de leningen verstrekt. ABK is weliswaar als contractspartij in de leenovereenkomst vermeld, maar dit was slechts met het oog op het verschaffen van zekerheid via de hypothecaire volmacht. Daarnaast stelt Amaranti dat [naam 1] en [gedaagde] de leenovereenkomst hebben gesloten terwijl zij wisten dat ABK niet tot nakoming in staat zou zijn. Tevens wisten [naam 1] en [gedaagde] dat de door ABK verstrekte hypothecaire volmacht als zekerheid waardeloos was. Volgens Amaranti hebben [naam 1] en [gedaagde] niet gehandeld zoals van een redelijk en zorgvuldig handelend aandeelhouder en bestuurder verwacht mag worden, hetgeen hen persoonlijk als een onrechtmatige daad kan worden verweten.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] heeft zich niet garant gesteld of op een andere wijze zich verbonden tot nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de leenovereenkomst tussen Amaranti en ABK. Ook bij de tweede lening was zij geen partij. Daarnaast beroept [gedaagde] zich op verjaring van de vorderingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert:

Primair:

I. te verklaren voor recht dat er geen overeenkomst(en) van geldlening bestaat/bestaan tussen Amaranti als geldgever en [naam 1] en [gedaagde] dan wel [gedaagde] als (hoofdelijk verbonden) geldnemer(s), zowel ten aanzien van Lening 1 als ten aanzien van Lening 2 afzonderlijk als gezamenlijk;

II. te verklaren voor recht dat [naam 1] en [gedaagde] dan wel [gedaagde] niet onrechtmatig jegens Amaranti gehandeld hebben/heeft zowel ten aanzien van Lening 1 als ten aanzien van Lening 2 afzonderlijk als gezamenlijk;

Voorwaardelijk primair:

III. te verklaren voor recht dat enige vordering van Amaranti op [naam 1] en [gedaagde] dan wel [gedaagde] ter zake van al dan niet een overeenkomst van geldlening (Lening 1 en/of 2), tussen Amaranti als geldgever en ABK als geldnemer, wat hoofdsom(men) betreft, verjaard is, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er (een) overeenkomst(en) van geldlening bestaat/bestaan tussen Amaranti als geldgever en [naam 1] en [gedaagde] dan wel [gedaagde] als (hoofdelijk verbonden) geldnemer(s), zowel ten aanzien van Lening 1 als ten aanzien van Lening 2 afzonderlijk als gezamenlijk;

IV. te verklaren voor recht dat enige vordering van Amaranti op [naam 1] en [gedaagde] dan wel [gedaagde] ter zake van al dan niet een overeenkomst van geldlening (Lening 1 en/of 2), tussen Amaranti als geldgever en ABK als geldnemer, wat rentevorderingen en kosten betreft, verjaard is, althans beperkt wordt tot een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er (een) overeenkomst(en) van geldlening bestaat/bestaan tussen Amaranti als geldgever en [naam 1] en [gedaagde] dan wel [gedaagde] als (hoofdelijk verbonden) geldnemer(s), zowel ten aanzien van Lening 1 als ten aanzien van Lening 2 afzonderlijk als gezamenlijk;

V. te verklaren voor recht dat enige vordering van Amaranti op [naam 1] en [gedaagde] dan wel [gedaagde] ter zake van onrechtmatig handelen, verjaard is, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat [naam 1] en [gedaagde] dan wel [gedaagde] onrechtmatig jegens Amaranti gehandeld heeft/hebben zowel ten aanzien van Lening 1 als ten aanzien van Lening 2 afzonderlijk als gezamenlijk;

VI. te verklaren voor recht dat enige vordering van Amaranti op [gedaagde] ter zake van het bedrag ad € 9.000,00 (Lening 2) wat hoofdsom betreft, verjaard is, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er een overeenkomst van geldlening bestaat tussen Amaranti als geldgever en [gedaagde] als (hoofdelijk verbonden) geldnemer;

VII. te verklaren voor recht dat enige vordering van Amaranti op [gedaagde] ter zake van het bedrag ad € 9.000,00 (Lening 2) wat rentevorderingen en kosten betreft, verjaard, is, althans beperkt wordt tot een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er een overeenkomst van geldlening bestaat tussen Amaranti als geldgever en [gedaagde] als (hoofdelijk verbonden) geldnemer;

VIII. Amaranti te veroordelen in de (volledige) kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente, nakosten en de kosten van een eventuele executie ook weer te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.6.

[gedaagde] legt aan haar vordering ten grondslag dat er geen sprake is van een geldlening tussen haar en Amaranti. Daarnaast is [gedaagde] voor het eerst bekend geworden met de vordering van Amaranti op 18 juli 2019. De leenovereenkomst dateert van 4 juli 2011, dus is de verjaringstermijn van deze vordering verstreken. De verjaringstermijn van de vordering uit onrechtmatige daad is eveneens verstreken.

3.7.

Amaranti voert verweer. Amaranti stelt dat [gedaagde] geen belang heeft bij haar vordering. Daarnaast betwist Amaranti de door [gedaagde] gestelde verjaring van de vorderingen.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Lening 1

Contractspartij

4.1.

In geschil is of Amaranti de eerste overeenkomst van geldlening met ABK of met [naam 1] en/of [gedaagde] heeft gesloten. Amaranti stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst is gesloten met [naam 1] en [gedaagde] . Het is aan Amaranti die zich op de rechtsgevolgen van haar stellingen beroept om deze stelling, bezien in het licht van de betwisting van [gedaagde] , voldoende te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat Amaranti dit niet heeft gedaan.

4.2.

Nog los van de vraag of lening 1 (al dan niet geheel) is gebruikt ten behoeve van [gedaagde] en/of [naam 1] , dient gelet op tekst van de leenovereenkomst alleen ABK als geldlener te worden beschouwd. Partijen bedoelden ook ABK als contractspartij te laten gelden omdat het ABK was die een hypothecaire volmacht aan Amaranti zou verstrekken. In dat licht bezien blijkt uit hetgeen Amaranti heeft aangevoerd niet dat ook [naam 1] en [gedaagde] als contractspartij moeten worden aangemerkt.

Onrechtmatig handelen, bestuurdersaansprakelijkheid

4.3.

Subsidiair stelt Amaranti dat sprake is van onrechtmatig handelen door [naam 1] en [gedaagde] . De rechtbank zal zich eerst beperken tot [gedaagde] . Het betoog van Amaranti dat zij bij het aangaan van de leenovereenkomst heeft geweten dat ABK niet tot terugbetaling in staat zou zijn en dat zij bewust heeft gehandeld namens een insolvente vennootschap, zodat zij persoonlijk aansprakelijk is voor de schade, slaagt niet. De rechtbank licht dit hieronder toe.

4.4.

Uitgangspunt is dat bestuurders van een vennootschap niet aansprakelijk zijn indien schulden van die vennootschap onbetaald blijven. Volgens vaste rechtspraak geldt dat in het geval een schuldeiser van een vennootschap wordt benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering, naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zal zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295).

4.5.

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan de te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. (HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758).

4.6.

Dat [gedaagde] bij het aangaan van de leenovereenkomst wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat ABK niet aan haar financiële verplichtingen zou kunnen voldoen, blijkt niet uit hetgeen Amaranti heeft aangevoerd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat er een tijdsbestek van anderhalf jaar tussen het aangaan van de leenovereenkomst en het faillissement van ABK zit. Dat lening 1 volgens [gedaagde] was aangegaan wegens een tijdelijk liquiditeitstekort bij ABK en dat het sluiten van lening 1 daardoor onrechtmatig was, is onjuist. Hieruit blijkt namelijk niet dat ABK op termijn niet in staat zou zijn lening 1 terug te betalen. Temeer omdat [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat zij en [naam 1] bij het verlenen van de hypothecaire volmacht mochten uitgaan van een overwaarde op de woning in België.

4.7.

Amaranti heeft verder gesteld dat [naam 1] en [gedaagde] bewust zowel de financiële problemen als het faillissement van ABK verborgen heeft gehouden. In meerdere e-mails heeft [naam 1] aangegeven dat hij over zou gaan tot terugbetaling van de lening maar uiteindelijk heeft dit niet mogen leiden tot daadwerkelijke terugbetaling. De rechtbank stelt vast dat Amaranti onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom deze toezeggingen van [naam 1] tevens zijn te beschouwen als toezeggingen van [gedaagde] en waarom uit het doen van die toezeggingen het onrechtmatig handelen van [gedaagde] blijkt. De rechtbank concludeert dat geen sprake is van onrechtmatig handelen door [gedaagde] .

4.8.

Gelet op het voorgaande kan niet voor recht worden verklaard (zoals gevorderd) dat zowel [naam 1] als [gedaagde] partij zijn bij de eerste geldlening of dat zij in verband daarmee gezamenlijk onrechtmatig jegens Amaranti hebben gehandeld (de vordering onder I.). Er is ook geen grondslag voor het terugbetalen van het bedrag ad

€ 50.000,00 door [gedaagde] . Dit betekent dat ook de vordering onder III. zal worden afgewezen.

Lening 2

4.9.

Over lening 2 overweegt de rechtbank als volgt. In haar dagvaarding stelt Amaranti dat er tussen haar en “ [naam 1] c.s.” direct is gecontracteerd en dat de geleende € 9.000,00 direct is overgemaakt naar de bankrekening van [gedaagde] . [gedaagde] heeft daartegen aangevoerd - en Amaranti heeft dat tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd erkend - dat lening 2 tot stand is gekomen naar aanleiding van een verzoek daartoe van [naam 1] . Tussen Amaranti en [gedaagde] is daarover geen contact geweest. De enkele omstandigheid dat het geleende bedrag naar de privérekening van [gedaagde] is overgeboekt, maakt niet dat zij contractspartij is bij de leenovereenkomst. Dat zij daardoor onrechtmatig jegens Amaranti heeft gehandeld, kan daaruit evenmin worden afgeleid. Ook niet indien lening 2 door ABK zou zijn aangegaan in het zicht van haar faillissement. [gedaagde] was immers ten tijde van het verstrekken van lening 2, 10 mei 2012, geen bestuurder meer van ABK.

4.10.

Ook hier heeft Amaranti een verklaring voor recht gevorderd waarin wordt vastgelegd dat “[naam 1] c.s.”, dus zowel [naam 1] als [gedaagde] , gehouden zijn tot terugbetaling van lening 2 (vordering onder II.). Nu [gedaagde] daartoe niet gehouden is, is de gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar. Deze wordt afgewezen. Net als de vordering onder IV. tot terugbetaling door [gedaagde] van het aan haar verstrekte bedrag van € 9.000,00.

4.11.

Gelet op het voorgaande is er ook geen grond [gedaagde] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten. De vorderingen van Amaranti worden integraal afgewezen.

4.12.

Amaranti zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie van [gedaagde] . De rechtbank begroot conform het gebruikelijke liquidatietarief, de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] op:

  • -

    salaris advocaat € 2.148,00 (2 punten x tarief € 1.074,00)

  • -

    griffierecht € 914,00

Totaal € 3.062,00

Uit hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd blijkt geen grond om Amaranti te veroordelen in de volledige kosten van het geding en in de kosten van een eventuele executie van het vonnis. Wel zal Amaranti worden veroordeeld tot betaling van de nakosten en de wettelijke rente over de proces- en nakosten.

in reconventie

4.13.

Gelet op hetgeen in conventie is overwogen en is geoordeeld, heeft [gedaagde] geen belang bij de toewijzing van haar vorderingen in reconventie. Deze zullen worden afgewezen.

4.14.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie van Amaranti. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van Amaranti op nihil aan verschotten en wegens de samenhang met de zaak in conventie op € 543,00 (1 punt x tarief € 543,00) aan salaris advocaat. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zijn toewijsbaar als na te melden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Amaranti in de proceskosten van [gedaagde] , tot op heden begroot op € 3.062,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Amaranti in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Amaranti niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

in reconventie

5.4.

wijst de vorderingen af,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van Amaranti, tot op heden begroot op € 543,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

in conventie en in reconventie

5.7.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2020.1

1 type: DdD coll: JG