Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6522

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
15/119648-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft brand gesticht in een auto die in een parkeergarage stond geparkeerd. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan een van de ernstigste strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht (Sr) kent.

Partiële vrijspraak (van medeplegen).

Gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden.

Gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/119648-20 (P)

Uitspraakdatum: 25 augustus 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]

, thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Sarian en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. L.J. Woltring, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 maart 2020 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met het interieur van de kofferbak van een in een parkeergarage geparkeerd staande personenauto, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan een personenauto, merk Citroën, type 2 CV, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor in die parkeergarage in de nabijheid van die personenauto geparkeerd staande auto's en/of het interieur van die parkeergarage, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewezenverklaring brandstichting

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage van dit vonnis zijn vervat.

3.3.2.

Partiele vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd, zodat hij van het ten laste gelegde medeplegen moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, waaronder het bekijken van de camerabeelden, niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte, zoals voor medeplegen is vereist.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 maart 2020 te Haarlem opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met het interieur van de kofferbak van een in een parkeergarage geparkeerd staande personenauto, ten gevolge waarvan een personenauto, merk Citroën, type 2 CV, geheel is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor in die parkeergarage in de nabijheid van die personenauto geparkeerd staande auto's en het interieur van die parkeergarage, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank – in het geval van een veroordeling – verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uit psychologisch onderzoek is gebleken dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, een persoonlijkheidsstoornis en een alcohol- en cannabisverslaving. Een intensieve, klinische behandeling is geïndiceerd en kan op 27 augustus 2020 in [FPA] starten. De raadsman heeft de rechtbank in overweging gegeven een gevangenisstraf op te leggen van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het rapport van de reclassering.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

Verdachte heeft brand gesticht in een auto die in een parkeergarage stond geparkeerd. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan een van de ernstigste strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht (Sr) kent. Brandstichting kan immers, wanneer niet tijdig wordt ingegrepen, zeer gevaarlijke en allesverwoestende situaties opleveren. Dat de brand in dit geval niet verder om zich heen heeft kunnen grijpen is te danken aan het snelle optreden van de hulpdiensten en aan de omstandigheid dat zich ten tijde van het feit (tijdens de Corona-crisis) niet veel auto’s en mensen in de parkeergarage bevonden. Wel is de auto in kwestie, een oldtimer, volledig uitgebrand en is forse schade ontstaan aan enkele in de buurt geparkeerde auto’s en aan de parkeergarage zelf. Daarnaast is paniek en onrust ontstaan bij de bewoners van de bovengelegen appartementen, waar vanuit de parkeergarage rook binnen kwam. Ook heeft de bovengelegen vestiging van supermarkt Albert Heijn de deuren tijdelijk moeten sluiten vanwege rookontwikkeling in de lift.

Alle hiervoor besproken schade, gevaarzetting en onrust neemt de rechtbank verdachte erg kwalijk. Het antwoord op de vraag waarom hij dat dit ernstige feit heeft begaan is de rechtbank volkomen onduidelijk gebleven. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dat niet anders kan worden omschreven dan als volstrekt verwerpelijk, zinloos en gevaarlijk.

De persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 3 juli 2020, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake van brandstichting onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. Nu voormeld feit dateert van langer geleden dan 5 jaar voorafgaand aan het onderhavige feit zal de rechtbank die omstandigheid niet ten nadele van verdachte meewegen bij de straftoemeting;

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 6 augustus 2020 van [reclasseringswerker] verbonden aan Fivoor, waarin het risico op recidive als hoog is ingeschat en waarin wordt geadviseerd aan verdachte – in het geval van een veroordeling – een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met een aantal bijzondere voorwaarden en te bevelen dat die voorwaarden en het toezicht hierop dadelijk uitvoerbaar zijn;

- het psychologisch rapport gedateerd 17 juli 2020, opgesteld door drs. T. ’t Hoen, gezondheidszorgpsycholoog, dat onder andere inhoudt dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline kenmerken, alsmede alcohol- en cannabisverslaving. Gezien het als hoog ingeschatte recidiverisico op agressief gedrag en probleemgedrag meer in het algemeen, acht de rapporteur een intensieve, klinische behandeling geïndiceerd. Na de klinische behandeling is een begeleide dan wel beschermde woonvorm van belang, alsmede ambulante nazorg.

De op te leggen straf

Bij de bepaling van de strafmodaliteit, en de hoogte daarvan, heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat gezien de ernst van het delict geen andere straf passend is dan een gevangenisstraf. De rechtbank ziet geen verzachtende omstandigheden in de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank legt een lagere straf op dan de officier van justitie heeft geëist, omdat zij het bewezenverklaarde kennelijk anders waardeert. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de strafeis van de officier van justitie meer past bij brandstichting waarbij ook levensgevaar is te duchten, hetgeen niet is ten laste gelegd of bewezenverklaard.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 18 maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten 6 maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van 3 jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarbij acht de rechtbank verplicht contact met de reclassering, de opname in een zorginstelling, een ambulante behandeling en de opname in een begeleide woonvorm noodzakelijk om het recidiverisico in te perken, een en ander zoals geadviseerd door de psycholoog en de reclassering. Voorwaarden van die strekking zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

De rechtbank zal – anders dan de reclassering heeft geadviseerd – niet bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat niet is voldaan aan de criteria van artikel 14e Sr. De bewezenverklaarde brandstichting is immers niet een feit dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

7 Vorderingen benadeelde partijen

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en de [benadeelde partij 2] integraal dienen te worden toegewezen nu de schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen en voldoende zijn onderbouwd. De vordering benadeelde partij van

[benadeelde partij 1] kan tot een bedrag van € 1.623,84 worden toegewezen. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering. De officier van Justitie heeft voorts vermeerdering van de toe te wijzen bedragen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

7.2.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij van [benadeelde partij 1] heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering ten aanzien van de immateriële schade niet is onderbouwd. Verder heeft de raadsman naar voren gebracht dat ten aanzien van de materiële schade een schadeformulier door de benadeelde partij is ingediend, maar dat de rekeningen op naam van de BV staan. Om voornoemde redenen is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij van de [benadeelde partij 2] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk is in haar vordering. Het is niet duidelijk wat de schade bedraagt nu de bijlagen bij het voegingsformulier bestaan uit zowel offertes als facturen.

De raadsman heeft ten aanzien van benadeelde partij [benadeelde partij 3] naar voren gebracht dat, voor zover de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering, deze eenvoudig en duidelijk is, maar dat uit het voegingsformulier niet volgt of de benadeelde partij is verzekerd.

Met betrekking tot de benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft de raadsman geen verweren gevoerd.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

7.3.1.

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van in totaal

€ 13.049,52 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde brandstichting zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 400,- aan immateriële schade en voor het overige uit materiële schade.

Omtrent de gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank dat de hierna te noemen posten voor toewijzing vatbaar zijn omdat zij direct door het bewezenverklaarde feit veroorzaakte schade behelzen en voldoende zijn onderbouwd. De rechtbank zal deze posten, tot een bedrag van € 973,84 dan ook toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Parkeerkaart Raaks € 11,30

iPhone kabel € 12,50

Headset Bose Black € 189,-

Hondenkussen € 19,95

Grote zak hondenvoer € 84,95

Emmer € 3,-

Spons (viscose) € 1,25

Microvezeldoekjes € 1,50

Wisser € 4,79

Zeem (Sorbo) € 6,60

Verlies van arbeidsvermogen € 639,-

Totaal: € 973,84

Naar het oordeel van de rechtbank komen de investeringen in de Citroën 2CV niet voor vergoeding in aanmerking nu verdachte een bedrag van € 14.750,- (taxatiewaarde) van de verzekering uitgekeerd heeft gekregen en daarmee de schade op dat punt vergoed heeft gekregen. Ook het eigen risico is niet toewijsbaar, nu de schade op dit punt kennelijk niet door verdachte, maar door de door hem gedreven besloten vennootschap is geleden.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt en overweegt daartoe als volgt.

Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is recht op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade mogelijk indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde geen lichamelijk letsel heeft opgelopen en ook niet in zijn eer of goede naam is aangetast.

De vraag resteert of de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”. Hiervan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Degene die zich hierop beroept, zal de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De rechtbank stelt vast dat uit de vordering van de benadeelde partij volgt dat het misdrijf een grote impact op hem heeft gehad, dat hij hierdoor gevoelens van onveiligheid en angst heeft ervaren die zich hebben geuit in stress en slaapproblemen. Uit de vordering benadeelde partij volgt echter niet dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook heeft de benadeelde partij een eventuele aantasting in zijn persoon niet met concrete gegevens onderbouwd. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending niet meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat daardoor een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat bij de brandstichting geen levensgevaar is ontstaan. De vordering van de benadeelde partij wordt daarom ten aanzien van de immateriële schade afgewezen.

Verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: brandstichting] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

7.3.2.

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 224.247,20 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde brandstichting zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van € 179.117,46 toewijzen als rechtstreeks voortvloeiende uit de bewezen verklaarde brandstichting, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank acht de hierna te noemen posten voor toewijzing vatbaar omdat zij direct door het bewezenverklaarde feit veroorzaakte schade behelzen en voldoende zijn onderbouwd. De rechtbank zal deze posten dan ook toewijzen.

- reinigen € 23.608,24 ;

- lichtlijnen € 7.227,33;

- resterende kosten 40% € 4.818,22;

- meetkoppen en tekstarmatuur € 18.024,16 ;

- coating en schilderwerk € 108,081,80;

- brandmelders en bekabeling deel 1 € 5.762,02;

- brandmelders en bekabeling deel 2 € 3.063,72;

- camera’s € 580,98;

- controle ventilatie € 425,36;

- Verkeersregelaars ivm schilderwerkzaamheden op helling € 6.381,54;

- Lakeman liften opname € 228,12;

- Lakeman liften herstel € 915,97

Totaal € 179.117,46

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij de overige gestelde schadeposten (brandbeveiliging week 13 t/m 16, brandbeveiliging week 17, noodverlichting en vluchtwegroutering, verkeersregelaars in verband met vervanging lichtlijnen op helling en projectbegeleiding 4 medewerkers) niet onderbouwd. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

7.3.3.

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10.408,71 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde brandstichting zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Omtrent de gevorderde vergoeding van de materiële schade overweegt de rechtbank dat de posten voor toewijzing vatbaar zijn omdat zij direct door het bewezenverklaarde feit veroorzaakte schade behelzen, voldoende zijn onderbouwd en door de verdediging niet zijn betwist. De vordering zal derhalve worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

7.3.4.

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 4]

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.457,93 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde brandstichting zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Omtrent de gevorderde vergoeding van de materiële schade overweegt de rechtbank dat de posten voor toewijzing vatbaar zijn omdat zij direct door het bewezenverklaarde feit veroorzaakte schade behelzen, voldoende zijn onderbouwd en door de verdediging niet zijn betwist. De vordering zal derhalve worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: brandstichting] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14, 14b, 14c, 36f, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 3 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich meldt bij GGZ Reclassering Fivoor op het [adres] , en zich zal blijven melden op afspraken met de reclassering zolang en zo vaak de reclassering dit nodig acht;

- zich zal laten opnemen in [FPA] , althans een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. De klinische behandeling vangt aan op een tijdstip te bepalen door de reclassering. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan daarvan onderdeel zijn. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

- zich aansluitend op de klinische behandeling, indien geïndiceerd, zal laten behandelen door een nader te bepalen zorgverlener. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie en/of observatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

- aansluitend op de klinische behandeling zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, waarbij veroordeelde zich houdt zich aan de huisregels die en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de

reclassering voor hem heeft opgesteld.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 973,84 als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Wijst af de vordering tot vergoeding van immateriële schade.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 973,84, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2020. Bepaalt de duur van de gijzeling op maximaal 19 dagen indien volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 6:4:4, 6:4:5 en 6:4:6 Sv niet mogelijk blijkt.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade tot een bedrag van € 179.117,46 als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] geleden schade tot een bedrag van € 10.408,71, als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 4] geleden schade tot een bedrag van € 3.457,93, als vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.457,93, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2020. Bepaalt de duur van de gijzeling op maximaal 44 dagen indien volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 6:4:4, 6:4:5 en 6:4:6 Sv niet mogelijk blijkt.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Francke, voorzitter,

mr. H. Brouwer en mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.I. Robijns, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 augustus 2020.

Mr. de Jonge van Ellemeet is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage - De bewijsmiddelen

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 11 augustus 2020 heeft afgelegd, houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Aan mij worden de beelden getoond van camera 1.07 van 28 maart 2020 vanaf 20:19:30 uur tot en met 20:20:13 uur. U, voorzitter, vraagt of ik op de beelden iemand zie die ik ken. Dat zijn mijn medeverdachte en ik denk ik. Ik ben denk ik de voorste persoon. U vraagt mij naar het heuptasje. Ik heb zo’n tasje. U, oudste rechter, zegt dat ik mijzelf heb herkend op de beelden in het halletje. U vraagt of ik ook bij de auto aan het rommelen ben geweest. Ik kan het mij niet herinneren, maar wij hebben wel rond die auto gehangen. U toont mij de beelden tot en met 20:18:50 uur. U, officier van justitie, zegt dat de kofferbak daarvoor dicht was en dat ik hem weer heb opengemaakt. Dat zou ik niet weten. U vraagt of ik mijzelf herken. Het is wel een klein mannetje.

Aan mij worden de beelden getoond van camera 1.05 te 20:17:20 uur. Ja, ik herken mijn tasje.

U, officier van justitie, vraagt waarom door mij vier keer is gezocht in de kofferbak. Ik zou het niet weten. Waarschijnlijk omdat wij beiden stomdronken waren en niets hebben kunnen zien.

Een proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2020 (pagina’s 75 t/m 77). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van een verbalisant:

Op zaterdag 28 maart 2020 kregen wij, verbalisanten, de melding te gaan, naar parkeergarage 'Raaks', gelegen aan de Zijlvest te Haarlem. Hier zou op dit moment een voertuig in brand staan. (…) Wij zagen, dat het eerder genoemde 'lelijk eendje' volledig was uitgebrand.

Om dit voertuig stonden andere personenauto's. Deze hadden schade of waren vies geworden van de brand. Wij verbalisanten vonden gezien de brand en de locatie grote gevaarzetting aanwezig. Dit mede doordat:

- de brand in een ondergrondse parkeergarage was;

- op de etage en de omgeving stonden meerdere voertuigen;

- het tijdstip van de garage er veel publiek aanwezig was;

- de garage bevindt zich onder een groot plein met daaraan meerdere winkels en flatwoningen gevestigd;

- naast de brand was een lift van de Albert Heijn deze was open gedurende de brand;

- gedurende brand kwamen er mensen uit de parkeergarage en wilden ook veel mensen de parkeergarage in;

- er veel rookontwikkeling was in de Albert Heijn en in de bovengelegen woningen;

- tevens is het ons ambtshalve bekend dat er regelmatig zwervers in de parkeergarage slapen en of verblijven die door de brand mogelijk vast konden komen te zitten.

Een proces-verbaal van aangifte (pagina’s 42 t/m 43). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 2 april 2020 door aangever [benadeelde partij 1] ten overstaan van een verbalisant afgelegde verklaring:

"Ik doe aangifte van brandstichting van mijn voertuig. Dit betreft een Citroën 2 CV. Ik heb het voertuig op 28 maart 2020 omstreeks 18.00 uur geparkeerd in parkeergarage de Raaks gelegen op de Zijlvest te Haarlem. (...) Ik zag dat mijn voertuig volledig tot de grond aan was afgebrand.

Een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen van 2 april 2020 (pagina’s 46 t/m 50). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van een verbalisant:

Ik, verbalisant, heb de camerabeelden bekeken van het beveiligingscircuit van parkeergarage De Raaks, welke is gevestigd aan de Zijlvest 45 te Haarlem. En wel de beelden van zaterdag 28 maart 2020 tussen 17.30 uur en 20.21 uur.

Camera 1, RAA-1-05

Tijdstip: 17:41:38 uur

Komt een personenauto van het merk Citroën type 2CV, kleur wit met groene accenten

het parkeerdek op rijden en deze parkeert zijn voertuig tegenover de toegangsdeur

naar het trappenhuis, welke toegang geeft naar de betaalautomaten en de liften naar

de begane grond. Te zien is dat een ronde betonnen paal het zicht op het linker

voorportier (bestuurderszijde) blokkeert.

Tijdstip: 17:42:30 uur

Uit het voertuig stapt een manspersoon die een witte hond, met donkere vlekken, met

zich voert. De man en hond lopen het trappenhuis in en verdwijnen uit beeld.

Tijdstip: 18:47:34 uur

Uit het trappenhuis komen 2 personen het parkeerdek op lopen en lopen direct door naar de voorzijde van de geparkeerde Citroen 2CV. De personen zullen verder worden aangeduid als verdachte 1 en verdachte 2.

(…..)

Tijdstip: 20:11:55 uur

Verdachte 2 verschijnt weer in beeld aan de voorzijde van de Citroen. Hij loopt naar de rechter voorzijde van het voertuig en verdwijnt vervolgens weer achter de betonnen paal.

Tijdstip: 20:15:48 uur

Verschijnt verdachte 1 in beeld aan de bestuurderszijde van het voertuig. Hij draagt in zijn handen meerdere tassen.

Tijdstip: 20:16:17 uur

Verdachte 1 opent weer de achterklep

Tijdstip: 20:16:29 uur

Verdachte 2 verschijnt weer in beeld en gaat naast verdachte 1 staan bij de geopende achterklep, verdachte 2 is nu ook druk bezig met de inhoud van de kofferbak van de Citroen 2CV.

Tijdstip: 20:17:30 uur

Verdachte 2 sluit de achterklep van de kofferbak.

Tijdstip: 20:17:56 uur

Verdachte 1 en verdachte 2 lopen weg bij de Citroen 2CV en blijven op een afstand van circa 3 meter rechts van de 2CV staan waarbij verdachte 1 links uit beeld verdwijnt.

Tijdstip: 20:18:10 uur

Verdachte 2 tracht een klein zwart voorwerp op te vangen, welke uit de richting komt alwaar verdachte 1 uit beeld is verdwenen. Het voorwerp valt op de grond, waarna verdachte 2 het voorwerp van de grond op raapt.

Tijdstip: 20:18:19 uur

Verdachte 2 loopt weer naar de achterzijde van de 2CV en opent de achterklep en rommelt vervolgens wat in de kofferbak.

Tijdstip: 20:19:20 uur

Verdachte 1 komt aan de linkerzijde weer in beeld en blijft bij de voorzijde van de 2CV staan. Verdachte 2 rommelt nog steeds in de kofferbak en sluit deze half, waarna beiden verdachten weg lopen bij de Citroen 2CV en het trappenhuis in lopen aan de rechterzijde in beeld, te zien is dat verdachte 1 meerdere tassen bij zich draagt waaronder eerder genoemde oranje tas.

Tijdstip: 20:20:08 uur

Een beginnend brandje is te zien in de half geopende kofferbak, alsmede een rookkolom.

Tijdstip: 20:21:00 uur

De achterzijde van de Citroen 2CV staat in lichterlaaie.

Tijdstip: 20:22:40 uur

Door de hevige rookontwikkeling op het parkeerdek zijn er geen duidelijke beelden meer aanwezig.

Camera 2, RAA-1-06

Tijdstip: 20:20:12 uur

Verschijnen verdachte 1 en verdachte 2 in beeld welke via het parkeerdek het trappenhuis in komen lopen. Verdachte 1 heeft meerdere tassen in zijn hand en draagt een donker/licht gekleurde rugzak over zijn schouder. Verdachte 2 heeft een lichtkleurige schoudertas om waarbij de draagband diagonaal over zijn schouder gedragen wordt.

Camera 3, RAA- BG-01

Tijdstip: 20:20:56 uur

Te zien is dat verdachte 1 en verdachte 2 gezamenlijk uit de lift stappen en rechtsaf het Hortusplein op lopen.

Verdachten voldoen aan het volgende signalement:

Verdachte 1

-Blanke huidskleur

-Leeftijd circa 40 a 45 jaar

-Lengte tussen de 1.80 en 1.90 meter

-Normaal tot slank postuur

-Lichte base-ball pet met ietwat donkere accenten aan de zijkant.

-Drie kwart jas met lichte mouwen en body, waarbij de schouders/kraag en zijkanten van de jas donker van kleur zijn.

-Jas geopend waardoor donker shirt/trui te zien is met opvallend wit vlakje op borstzijde

-Half donker gekleurde schoenen

-Licht/donker gekleurd rugzakje over schouder

Verdachte 2

-Blanke huidskleur

-Leeftijd circa 40 jaar

-Lengte circa 1.75 meter. Kop kleiner dan verdachte 1

-Donkere broek

-Donkere schoenen

-Donkere lange jas, tot aan de knieën. Oversized voor de verdachte

-Licht gekleurde heuptas, waarbij de draagband diagonaal over de schouder gedragen wordt.

-Donkere schoenen

Een proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2020 (pagina’s 83 t/m 84). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van een verbalisant:

Ik, [verbalisant] , was belast met het onderzoek naar de brand in parkeergarage de Raaks, aan de Zijlvest 45 in Haarlem. Ik heb de beelden bekeken, welke beschikbaar waren gesteld, van de parkeergarage. Op de beelden zie je twee mannen bij een voertuig staan, zie hiervoor foto 1 op de fotobijlage. De twee mannen zijn bezig in en om het voertuig. Dit betreft een oude eend. Een van de twee mannen is langer dan de andere man.

Signalement van de kortere man:

- Blank

- Slank/ normaal postuur

- Donkerkleurige driekwartsjas, welke te groot lijkt te zijn.

- lichtkleurig schoudertasje

- Kort donker haar

- Donkerkleurige broek

- Donkerkleurige schoenen

Daarna lopen de mannen weg bij de auto, zie hiervoor foto 2, op de fotobijlage.

De mannen lopen vervolgens de liftruimte in, zie hiervoor foto 3, op de fotobijlage.

Op deze beelden zie je dus twee mannelijke personen. Ik herken de personen ambtshalve

als zijnde:

De kortere man betreft:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats]

Ik herken deze personen ambtshalve aan hun postuur, uiterlijke kenmerken, manier van

lopen en hun gezicht.

Ik heb [verdachte] eerder deze dag, omstreeks 18:15 uur, staande gehouden naar aanleiding

van een melding van overlast/ bedreiging met een ijzeren staaf bij de opvanglocatie

HVO QUERIDO. Dit is een opvanglocatie voor dak- en thuislozen. Hier komen beiden personen en beiden personen verblijven hier met enige regelmaat. Tevens heb ik beide personen meerdere malen staande gehouden en of gesproken op straat.

Daarbij komt dat ik nadat de melding van de brand in de parkeergarage binnenkomt ik

bij de afzetting stond bij de toegang naar de parkeergarage toe. Hierbij kwam betrokkene [verdachte] meerdere malen naar mij toegelopen om te vragen wat er aan de hand was. [verdachte] had op dat moment dezelfde kleding aan als op de camerabeelden.