Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6500

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3187
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Registratie in BRP ambtshalve aangepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/3187

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, verweerder

(gemachtigden: A. Wester en B. Schellingerhout).

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeker per 3 maart 2020 in de Basisregistratie Personen (BRP) geregistreerd als ‘vertrokken naar Duitsland’. Daarnaast heeft verweerder verzoeker op grond van de BRP een boete opgelegd van € 200,-.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2020. Verzoeker is zoals vooraf bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1.

Verzoeker heeft vanaf 14 juni 1985 een woning gehuurd op de [adres 1] . Hij heeft als gevolg van een verkeersongeluk een arbeidsongeschiktheidsuitkering van rond de € 1.000,- per maand. Van de uitgekeerde letselschade vergoeding heeft hij in 2011 een huisje in West-Friesland (Duitsland) gekocht. Hij heeft voorts daar verbleven, in België en ook in [woonplaats] . Op 6 november 2018 heeft verzoeker een verzoek bij de woningstichting gedaan om een Pools gezin bij hem in te laten wonen op zijn adres in [woonplaats] . Dit verzoek is ingewilligd en deze toestemming is verlengd tot 1 maart 2020. Vanwege gezondheidsproblemen (hartklachten, een noodzakelijke operatie in januari 2019 en revalidatie) heeft hij voornamelijk in Duitsland verbleven.

2.2.

De woningstichting heeft bij de kantonrechter (in kort geding) ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd omdat verzoeker tekort gekomen is in de nakoming van zijn verplichtingen door zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde te hebben en de woning illegaal onder te verhuren en daarmee winst te maken, terwijl het om een sociale huurwoning gaat. Daarnaast is ontruiming van de woning gevorderd ten aanzien van het Poolse gezin, nu zij zonder recht of titel in de woning verblijven. De gevorderde voorziening tot ontruiming van de woning is door de kantonrechter toegewezen. Er is sprake geweest van onderhuur. Van inwoning is geen sprake nu verzoeker zijn hoofdverblijf niet in [woonplaats] heeft gehad. De verwachting is dan ook dat de bodemrechter de ontbinding van de huurovereenkomst met ontruiming van de woning zal toewijzen, ook tegen het Poolse gezin.

2.3.

Verzoeker heeft vervolgens op 7 januari 2020 een adreswijziging aan verweerder doorgegeven. Aangegeven is dat hij binnen [woonplaats] is verhuisd van de [adres 1] naar [adres 2] Hij heeft op het formulier aangegeven dat hij zelfstandig gaat wonen op het nieuwe adres. Een verklaring van toestemming van inwoning van [naam 1] , verhuurder is overgelegd.

2.4.

Verweerder is een onderzoek gestart naar de bewoning van het adres [adres 2] Dit onderzoek heeft bestaan uit het opvragen en verkrijgen van informatie van de bewoners van het adres, een huisbezoek en het opvragen en verkrijgen van informatie van verzoeker.

2.5.

Uit het onderzoek is gebleken dat [naam 2] samen met haar dochter op het adres verblijft. Verzoeker is tijdens het huisbezoek niet aangetroffen en door [naam 2] is verklaard dat verzoeker daar ook (nog) niet heeft verbleven. Nadien is door [naam 2] verklaard dat verzoeker er nog steeds niet verblijft, maar dat er wel een kamer is ingericht zodat het lijkt dat hiervan wel sprake is. Hiervan zijn foto’s overgelegd. Verzoeker heeft voorts schriftelijk verklaard dat hij op het adres woont, maar dat de medebewoners hiervan nog niet op de hoogte waren. Verzoeker heeft daarnaast aangegeven niet op gesprek te kunnen verschijnen. Hij heeft scans van zijn bankafschriften overgelegd en poststukken van de gemeente die naar zijn nieuwe adres zijn verstuurd. Hieruit blijkt volgens verzoeker genoegzaam dat hij op het nieuwe adres verblijft.

2.6.

Verweerder heeft verzoeker op 3 maart 2020 het voornemen gestuurd tot ambtshalve uitschrijving van het adres waarop hij in de BRP staat ingeschreven omdat uit onderzoek is gebleken dat hij niet woonachtig is op het adres. Verzoeker is verzocht zich met spoed op het adres in te schrijven waar hij woonachtig is. Hij kan binnen vijf dagen zijn verhuizing doorgeven. Anders zal verzoeker per 3 maart 2020 worden uitgeschreven naar onbekend. Verzoeker is er op gewezen dat indien hij niets doet of onvoldoende informatie verstrekt een boete kan worden opgelegd.

2.7.

In reactie hierop heeft de zwager van verzoeker contact opgenomen met verweerder en aangegeven dat verzoeker sinds 2019 in Duitsland verblijft en nooit op het adres heeft gewoond, en verzocht wat nu moet worden gedaan. Verweerder heeft aangegeven dat als verzoeker zich inschrijft in Duitsland de boete komt te vervallen. Zo niet dan wordt hij uitgeschreven naar onbekend. Verzoeker heeft gereageerd op het voornemen van verweerder. Verweerder heeft verzoeker nogmaals de gelegenheid geboden om stukken te overleggen waaruit volgt dat hij woonachtig is op [adres 2] Per e-mail van 15 april 2020 is verzoeker erop gewezen dat er nog geen stukken zijn ontvangen. Verzocht is om dit binnen 14 dagen te doen of zich in te schrijven op het adres waar hij wel woonachtig is. Indien verzoeker geen gehoor geeft aan dit verzoek zal verzoeker per 3 maart 2020 worden uitgeschreven van zijn inschrijfadres.

2.8.

Op 16 april 2020 is met verweerder gesproken en op 18 april 2020 heeft verzoeker een polisblad, een bankafschrift, een bericht van verhuisservice en een afschrift van ‘mijn overheid’ overgelegd waarop steeds het adres [adres 2] is vermeld. Verweerder heeft op 20 april 2020 aangegeven dat uit deze documenten onvoldoende blijkt dat verzoeker woonachtig is op het adres. Verzocht is om binnen 10 dagen de bankafschriften van het laatste jaar te mailen.

2.9.

Verzoeker heeft in reactie hierop – onder meer – aangeven dat [naam 2] 1 van de 3 huurders is en niet de hoofdbewoner. Zij weigert verzoeker al vanaf het begin de toegang tot het pand. De huur wordt wel door hem betaald. Verzoeker heeft daarnaast gewezen op jurisprudentie en aangegeven dat er geen verplichting is tot hoofdverblijf als dat niet in het huurcontract staat. Verzoeker heeft aangegeven dat hij bezig is te herstellen van een zware hartoperatie en dat hij niet meer per mail benadert wil worden. De post kan naar [adres 2] . Hij heeft een overzicht van de betaalrekening van 2019/2020 overgelegd.

2.10.

Verweerder heeft vervolgens op 4 mei 2020 het primaire besluit genomen. Verweerder heeft geconstateerd dat verzoeker niet (meer) woont op het adres [adres 2] en dat hij geen aangifte van verhuizing of vertrek heeft gedaan. Er is geen ander adres van verzoeker bekend geworden tijdens het onderzoek. Daarom is besloten om verzoeker per 3 maart 2020 in de BRP te registreren als ‘vertrokken naar Duitsland’. Aangezien verzoeker ondanks herhaaldelijke oproepen niet heeft doorgegeven dat hij verhuisd is, niet de informatie heeft verstrekt om vast te stellen wat zijn woonadres is en er geen persoonlijke omstandigheden bekend zijn waardoor verzoeker dit niet had kunnen doen heeft verweerder verzoeker een boete opgelegd van € 200,-. Hiertegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

1. Verzoeker heeft zich in bezwaar – samengevat – op het standpunt gesteld dat hij per 2 januari 2020 noodgedwongen moest verhuizen van de [adres 1] naar de [adres 2] Daar woont hij nu. Hij heeft per 2 januari 2020 een huurovereenkomst gesloten met [naam 1] van kinderdagverblijf [naam 3] , waarvan hij een kamer huurt. Dit is op 7 januari 2020 aan verweerder doorgegeven met daarbij behorende stukken. Verzoeker meent te hebben aangetoond dat hij daar woont door middel van verschillende poststukken die hij op dat adres ontvangt. Hij pint niet veel omdat hij veel contant betaalt. Vanwege zijn operatie met veel complicaties en de maatregelen omtrent corona heeft hij nog geen tijd en mogelijkheid gehad om op het nieuwe adres aanwezig te zijn. Hij maakt verder bezwaar tegen de stopzetting van zijn uitkering van het UWV. Verzoeker heeft thans geen inkomen meer en weet niet waarvan hij moet leven. Hij is ook nog uitgeschreven uit de zorgverzekering. Hij verzoekt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.

4. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het besluit in bezwaar stand zal houden. Voor de inschrijving van een woonadres is het van belang dat de persoon daar ook daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft. Verzoeker geeft aan dat hij nog geen tijd heeft gehad om op het adres aanwezig te zijn, maar dat hij daar wel ingeschreven staat. Hij ontvangt post van bedrijven op dat adres. Dat verzoeker daar post ontvangt komt omdat verweerder hem daar heeft ingeschreven. Hieruit volgt echter niet dat hij ook zijn hoofdverblijf op dat adres heeft. Tijdens het huisbezoek heeft de bewoonster van het adres aangegeven dat verzoeker er niet woont. Er is wel een kamer gereed gemaakt. Uit de foto’s van deze kamer volgt dat deze op 14 februari 2020, 25 februari 2020 en 11 maart 2020 precies hetzelfde is. Er is dus geen gebruik gemaakt van deze kamer. Ook uit de afschrijvingen blijkt niet dat verzoeker pinbetalingen verricht in Nederland. Uit de informatie volgt dat verzoeker in Duitsland verblijft. Hij heeft daar een huis en is daar ook geopereerd. Verweerder kan niet anders dan vaststellen dat verzoeker niet woont op het adres [adres 2] Er is ambtshalve besloten verzoeker uit te schrijven met als reden ‘vertrek naar Duitsland’. Gelet op artikel 2.22, tweede lid, van de BRP heeft verweerder verzoeker terecht uitgeschreven met ingang van verzending van het voornemen tot uitschrijving, te weten 3 maart 2020. Er is in wat verzoeker aanvoert volgens verweerder geen aanleiding voor een andere conclusie.

5. Verzoeker heeft desgevraagd bij brief van 8 juli 2020 aangegeven dat zijn situatie sterk is verslechterd. De zorgverzekeraar heeft hem uitgeschreven waardoor hij niet meer verzekerd is voor de ziektekosten. De stress wordt daarmee erger, wat zijn genezing in de weg staat. Ook zijn inkomsten zijn opgeschort. Het is een groot drama voor hem aan het worden. Hij begrijpt niet wat er aan de hand is. Hij vraagt zich af wat er verkeerd gegaan is. Het wordt heel zwaar voor hem en hij vraagt of er snel wat aan kan worden gedaan. In aanvulling op zijn eerdere gronden heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat [naam 2] zich schuldig heeft gemaakt aan huisvredebreuk, inbraak en schending van zijn privilege. Verzoeker heeft er daarnaast nogmaals op gewezen dat hij ingevolge het huurcontract niet verplicht is zijn hoofdverblijf te hebben op het adres wat hij huurt.

6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van verzoeker aldus dat hij als gevolg van de uitschrijving uit het BRP in financiële nood zal geraken nu zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering is opgeschort en hij niet meer verzekerd is voor de ziektekosten. Hoewel de precieze financiële situatie van verzoeker onduidelijk is, zal de voorzieningenrechter een spoedeisend belang als hiervoor bedoeld aannemen.

7. Naast de noodzaak tot het hebben van een spoedeisend belang dient de voorzieningenrechter, alvorens een voorlopige voorziening te treffen, te beoordelen of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen zal hebben. Ten aanzien hiervan overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

8. Tussen partijen is in geschil of verweerder verzoeker terecht ambtshalve heeft uitgeschreven uit het BRP met als reden ‘vertrokken naar Duitsland’.

9. Door gemachtigde van verweerder is ter zitting toegelicht dat aan het primaire besluit artikel 2:22 van de BRP ten grondslag is gelegd. Deze regeling houdt in dat indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van adreswijziging of aangifte van vertrek uit Nederland is ontvangen en na gedegen onderzoek geen gegevens kunnen worden achterhaald betreffende zijn verblijf in Nederland, zijn vertrek uit Nederland, noch zijn volgende verblijf buiten Nederland, het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg draagt voor opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland.

10. Hoewel eraan getwijfeld kan worden of artikel 2:22 van de BRP de juiste grondslag is voor de ambtshalve uitschrijving met als reden ‘vertrokken naar Duitsland’, nu verzoeker wel kan worden bereikt en er gegevens voorhanden zijn over zijn vertrek uit Nederland en zijn volgende verblijf buiten Nederland, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding reeds hierom over te gaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Hiertoe acht de voorzieningenrechter van belang dat dit mogelijke gebrek gedurende de bezwaarprocedure kan worden hersteld.

11. De voorzieningenrechter wijst daarbij op artikel 2.21, tweede lid, van het BRP waarin is bepaald dat indien de ingezetene in gebreke is met het doen van aangifte, het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg draagt voor opneming van gegevens betreffende het vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de ingezetene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

12. Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een ingezetene mag worden geacht naar het buitenland te zijn vertrokken, indien hij naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten Nederland verblijft. Bij het nemen van een besluit krachtens artikel 2.21, tweede lid, van de BRP is aan het college om aannemelijk te maken dat de ingezetene naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven.

13. Bij de huidige stand van zaken ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om ervan uit te gaan dat verweerder hierin niet zal slagen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat vast staat dat verzoeker gedurende geruime tijd in Duitsland heeft verbleven en daar thans nog steeds verblijft en dat hij tot op heden, zoals hij ook zelf heeft verklaard, nimmer op het adres [adres 2] heeft verbleven. Dat verzoeker conform de huurovereenkomst niet verplicht zou zijn zijn hoofdverblijf op het adres te hebben moge zo zijn, echter dit maakt de feitelijke situatie niet anders. De omstandigheid dat verzoeker wel post ontvangt op het adres en een huurovereenkomst heeft leidt evenmin tot een ander oordeel.

14. Er is dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. De uitspraak is gedaan op 4 augustus 2020. In verband met maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet in het openbaar uitgesproken. Zodra dit weer mogelijk is zal deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar worden uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.