Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6496

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
7741208 CV EXPL 19-5840
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. Beroep op (doorwerking) buitengewone omstandigheden slaagt niet. Luchtvaartmaatschappij heeft onvoldoende met stukken aangetoond dat de voorafgaande vlucht was vertraagd vanwege winterse weersomstandigheden. Beroep op halveringsmogelijkheid van artikel 7 lid 2 Verordening slaagt evenmin, niet is gebleken dat de passagier zijn eindbestemming met een vertraging van minder dan 4 uur heeft bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 7741208 \ CV EXPL 19-5840

Uitspraakdatum: 19 augustus 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[de passagier]

wonende te [woonplaats] , Verenigde Staten

eiser

hierna te noemen: de passagier

gemachtigde: mr. D.E. Lof, mr. E.J. Hoekstra

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

British Airways Plc.

gevestigd te Harmondsworth (Verenigd Koninkrijk)

gedaagde

hierna te noemen: British Airways

gemachtigde: mr. J.W.A. Lameijer

1 Het procesverloop

1.1.

De passagier heeft bij dagvaarding van 18 maart 2019 een vordering tegen British Airways ingesteld. British Airways heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna British Airways een schriftelijke reactie heeft gegeven waarbij zij nog verschillende producties heeft overgelegd. Hoewel de passagier daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft hij niet meer gereageerd op de door British Airways overgelegde producties.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met British Airways een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan British Airways de passagier op 26 en 27 februari 2018 diende te vervoeren van Houston (Verenigde Staten), via Londen Heathrow (Verenigd Koninkrijk) naar Amsterdam-Schiphol met vluchten BA 194 en BA 430.

2.2.

Volgens het schema zou het toestel als vlucht BA 194 (hierna: de vlucht) om 15:55 uur lokale tijd op 26 februari 2018 vertrekken uit Houston en zou het toestel op 27 februari 2018 om 6:55 uur lokale tijd in Londen arriveren. Vervolgens zou de passagier met vlucht BA 430 om 8:15 uur lokale tijd verder vliegen naar Amsterdam, alwaar hij op 27 februari 2018 om 10:40 uur lokale tijd zou arriveren.

2.3.

De vlucht van Houston naar Londen Heathrow is met vertraging uitgevoerd waardoor de passagier zijn aansluitende vlucht heeft gemist. De passagier is omgeboekt naar een andere vlucht, met vluchtnummer KL 1010, op 27 februari 2018.

2.4.

AirHelp heeft namens de passagier compensatie van British Airways gevorderd in verband met de voornoemde vertraging. British Airways heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

2.5.

Namens AirHelp heeft de gemachtigde op 3 december 2018 British Airways schriftelijk aangemaand tot betaling over te gaan uiterlijk twee weken later, aan welke aanmaning British Airways geen gevolg heeft gegeven.

3 De vordering

3.1.

De passagier vordert dat British Airways bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat British Airways vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de passagier te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00.

4 Het verweer

4.1.

British Airways betwist de vordering en doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Zij voert aan dat de voorafgaande vlucht (BA 195) van Londen naar Houston met vertraging is uitgevoerd vanwege weersomstandigheden (sneeuw) op de luchthaven van Londen. De luchtverkeersleiding beperkte daardoor het aantal opstijgende vliegtuigen, zodat er vertraging bij het taxiën ontstond. De voorafgaande vlucht BA 195 kwam met 36 minuten vertraging aan in Houston. Omdat British Airways 20 minuten meer dan de standaard omdraaitijd van 105 minuten op Houston had ingepland, werd 16 minuten vertraging vanwege de te late aankomst van het toestel te Houston opgenomen bij het vertrek van de onderhavige vlucht van Houston naar Londen. Vervolgens liep het toestel nog een aanvullende vertraging van 166 minuten op vanwege de vervanging van een wiel dat tijdens de uitvoering van de voorafgaande vlucht beschadigd was geraakt. Het toestel kwam uiteindelijk met een vertraging van 195 minuten aan in Londen, waarvan een vertraging van 16 minuten het gevolg was van buitengewone omstandigheden te Londen Heathrow. Gelet op het Pešková-arrest van 4 mei 2017 van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet deze tijd in mindering worden gebracht op de totale aankomstvertraging, zodat er een aankomstvertraging te Londen van 2 uur en 59 minuten overblijft. De passagier heeft daarom geen recht op compensatie.

4.2.

Subsidiair doet British Airways een beroep op de halveringsregel van artikel 7 lid 2 van de Verordening. Zij voert daartoe aan dat de passagier nadat hij zijn aansluitende vlucht in Londen heeft gemist, is omgeboekt naar vlucht KL 1010 waarmee hij met minder dan vier uur vertraging op zijn eindbestemming te Amsterdam is gearriveerd.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

Niet in geschil is dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op zijn eindbestemming te Amsterdam is gearriveerd, zodat er in beginsel een compensatieplicht rust op British Airways. Dit is anders indien British Airways kan aantonen dat de vertraging het gevolg was van een buitengewone omstandigheid die zij ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet kon voorkomen, zoals bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening.

5.3.

British Airways heeft aangevoerd dat voorafgaand aan de onderhavige vlucht van Houston naar Londen het toestel tijdens de uitvoering van de vlucht van Londen naar Houston vertraging opgelopen heeft vanwege sneeuw te Londen. Het toestel heeft daardoor langer dan normaal moeten taxiën. Hierdoor kwam de voorafgaande vlucht uiteindelijk met een vertraging van 36 minuten aan in Houston. Omdat British Airways een buffer van 20 minuten bovenop haar standaard omdraaitijd van 105 minuten te Houston had ingepland, werden er 16 minuten vertraging vanwege de omstandigheden te Londen bij het vertrek van de onderhavige vlucht van Houston naar Londen opgenomen, aldus British Airways. Ter onderbouwing verwijst British Airways in dit kader naar een verklaring, weergegevens en een “LHR Disruption Log”. Nog daargelaten dat onduidelijk is van wie de, als productie 1 bij antwoord, overgelegde verklaring afkomstig is, immers een bronvermelding ontbreekt, worden de overige overgelegde producties niet toegelicht. De passagier betwist dat de voorafgaande vlucht met 36 minuten vertraging te Houston is gearriveerd, tevens heeft hij erop gewezen dat British Airways niet heeft onderbouwd dat zij 20 minuten bovenop de standaard omdraaitijd van 105 minuten op Houston had ingepland. Deze gegevens volgen niet uit de overgelegde producties van British Airways. Gezien de betwisting van de passagier had het op de weg van British Airways gelegen om haar standpunt nader met stukken te onderbouwen. Nu onder meer het vluchtrapport van de voorafgaande vlucht van Londen naar Houston ontbreekt, is de vertraging van de voorafgaande vlucht niet komen vast te staan.

5.4.

Voorts heeft British Airways aangevoerd dat de totale aankomstvertraging van 195 minuten te Londen dient te worden verminderd met de 16 minuten vertraging als gevolg van de weersomstandigheden op de voorafgaande vlucht, zodat er een totale aankomstvertraging te Londen van 2 uur en 59 minuten overblijft. British Airways is daarbij uitgegaan van de aankomsttijd van het toestel aan de gate. Dat standpunt is echter onjuist. Uit het Germanwings-arrest van 4 september 2014 (ECLI:EU:C:2014:2141) heeft het Hof overwogen dat voor de aankomsttijd in de zin van de Verordening uit dient te worden gegaan van het moment dat tenminste een vliegtuigdeur wordt geopend:
25. Uit het vooroverwogene volgt dat de artikelen 2, 5 en 7 van verordening nr. 261/2004 aldus moeten worden uitgelegd dat het begrip „aankomsttijd”, dat is gebruikt tot bepaling van de omvang van de door luchtreizigers geleden vertraging, overeenkomt met het tijdstip waarop ten minste een vliegtuigdeur opent met dien verstande dat de passagiers op dat tijdstip het toestel mogen verlaten.”

5.5.

Blijkens het door haarzelf overgelegde “OPNL Legs Report” van de onderhavige vlucht (productie A4 bij antwoord), zijn de deuren van het toestel om 10:13 uur lokale tijd, 3 uur en 18 minuten later dan oorspronkelijk gepland, geopend, zodat ook indien er vanuit wordt gegaan dat 16 minuten vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden en de totale aankomstvertraging dus met 16 minuten verminderd dient te worden in lijn met het Pešková-arrest van 4 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:342), zal er te Londen een aankomstvertraging overblijven van meer dan drie uur.

5.6.

Gelet op het voorgaande moet de conclusie daarom zijn dat British Airways onvoldoende met stukken heeft aangetoond dat de voorafgaande vlucht van Londen naar Houston was vertraagd vanwege de winterse weersomstandigheden te Londen, waardoor eveneens de onderhavige vlucht van Houston naar Londen met vertraging is uitgevoerd. Het beroep op (doorwerking van) buitengewone omstandigheden houdt daarom geen stand, zodat de 16 minuten vertraging als gevolg van de weersomstandigheden niet afgetrokken kunnen worden van de totale duur van de vertraging.

5.7.

Subsidiair doet British Airways een beroep op de halveringsmogelijkheid van artikel 7 lid 2 van de Verordening. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de passagier is omgeboekt naar vlucht KL 1010 op 27 februari 2018. Volgens het schema zou die vlucht om 11:45 uur lokale tijd vertrekken uit Londen en om 14:05 uur lokale tijd in Amsterdam arriveren, 3 uur en 25 minuten later dan oorspronkelijk gepland. Ter onderbouwing heeft British Airways een overzicht uit haar reserveringssysteem en een vluchtrapport van vlucht KL 1010 overgelegd. Het overgelegde vluchtrapport vermeldt echter alleen de schematische vluchttijden van de vlucht. De daadwerkelijke vluchttijden en meer specifiek het tijdstip van het openen van de deuren ontbreken. Evenmin heeft British Airways het daadwerkelijke moment van aankomst van vlucht KL 1010 te Amsterdam genoemd in haar conclusie. Zonder die informatie kan er niet zomaar vanuit worden gegaan dat vlucht KL 1010 ook volgens schema om 14:05 uur lokale tijd in Amsterdam is gearriveerd, zodat niet gebleken is dat de passagier zijn eindbestemming met een vertraging van minder dan 4 uur heeft bereikt. Het beroep op de halveringsmogelijkheid van artikel 7 lid 2 van de Verordening houdt daarom eveneens geen stand.

5.8.

Gelet op het voorgaande zal de vordering tot betaling van de hoofdsom, gelet op de duur van de vertraging van de vlucht worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.

5.9.

De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. British Airways heeft deze vordering gemotiveerd betwist. De passagier heeft hiertegenover onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen.

5.10.

De proceskosten komen voor rekening van British Airways, omdat deze grotendeels ongelijk krijgt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt British Airways tot betaling aan de passagier van € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 februari 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;

6.2.

veroordeelt British Airways tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 104,39;
griffierecht € 231,00;
salaris gemachtigde € 240,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

6.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter