Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6491

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
8316335
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

aanneming van werk, nakoming overeenkomst, herstel gebreken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8316335 / CV EXPL 20-582

Uitspraakdatum: 2 september 2020 (bij vervroeging)

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. J. Gijsbers

tegen

[gedaagde] h.o.d.n. Klusbedrijf [naam]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. M.C. Dirks

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 31 januari 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

Op 12 augustus 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben in maart 2018 een overeenkomst gesloten tot aanneming van werk.
[gedaagde] heeft in dat kader diverse verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd in de woning van [eiseres] aan de [adres] te [plaats] . Partijen zijn hierbij een aanneemsom overeengekomen van € 27.279,83. Daarnaast is meerwerk overeengekomen (plaatsing van twee daklichten) tot een bedrag van € 2.508,51. [gedaagde] heeft de werkzaamheden uitgevoerd in de periode van maart 2018 tot november 2018.

2.2.

[eiseres] heeft op 5 april 2018 een bedrag van € 13.600,00 betaald op de aanneemsom.

2.3.

Ook heeft [eiseres] de factuur terzake van het meerwerk € 2.508,51 voldaan. Daarnaast heeft [eiseres] betalingen gedaan van € 5.000,-, € 1.497,19 en € 1.000,-.

2.4.

Bij e-mailbericht van 29 juli 2018 heeft [eiseres] het volgende aan [gedaagde] medegedeeld.
Hierbij stuur ik u een brief omdat ik niet tevreden ben met de afwerking van de gedane werkzaamheden.

2.5.

Bij e-mailbericht van 5 oktober 2018 heeft [eiseres] het volgende aan [gedaagde] medegedeeld.
We hebben besloten dat we je nog 1000 euro aanbetalen, maar dit is echt het laatste wat je krijgt, we willen echt de bonnen zien en dat je het werk af hebt, voordat je het resterende bedrag uitbetaald krijgt.

2.6.

Bij e-mailbericht van 28 oktober 2018 heeft [eiseres] aan [gedaagde] medegedeeld:
Hier is een lijst met de mankementen die nog verbeterd/gedaan moeten worden.

2.7.

[gedaagde] heeft op 19 november 2018 een eindafrekening opgesteld, waarbij hij een bedrag van € 7.149,02 in rekening brengt.

2.8.

In een sms bericht van 21 november 2018 heeft [eiseres] het volgende aan [gedaagde] laten weten.
Hi [voornaam]
Over de kleine dingetjes afmaken waarover je had,
laat maar zitten…ik vind het goed zoals het is.
Gooi de rekening maar in de brievenbus met de bonnen
groetjes [voornaam] .

2.9.

Bij brief van 20 december 2018 heeft [gedaagde] [eiseres] tot betaling van de eindafrekening gesommeerd.

2.10.

Bij brief van 10 januari 2019 heeft [eiseres] de eindafrekening deels betwist en heeft zij de betaling van de eindafrekening, voor zover erkend tot een bedrag van € 6.182,64, opgeschort. In de brief is onder meer vermeld:
Cliënte heeft u er diverse malen van op de hoogte gebracht dat de werkzaamheden onder meer slordig zijn uitgevoerd en dat de afwerking op diverse punten niet correct is. Cliënte heeft u meerdere malen verzocht om de gebreken te herstellen. In dit verband verwijs ik u naar de e-mailberichten van cliënte van 29 juli 2018 en 28 oktober 2018. Omdat herstel is uitgebleven, bent u reeds in “verzuim”.
Ingebrekestelling
Ondanks voornoemde berichten van cliënte zijn de gebreken tot op heden niet hersteld. Hierop wend ik mij nu namens cliënte tot u. Hoewel u reeds in verzuim bent, stel ik u namens cliënte nogmaals in de gelegenheid om de gebreken te herstellen.
Namens cliënte verzoek ik u (en voor zover nodig sommeer ik u) om binnen 4 weken na heden de volgende gebreken te herstellen:
Badkamer boven
-De vloer is ongelijk, het water loopt niet naar de put toe;
-De ruimte tussen de vloertegels is niet gelijk;
-De kitranden zijn slecht afgewerkt;
-De muurtegels zijn scheef of slecht geplakt.
Wc beneden en badkamer
-De kitranden van de wc en badkamer zijn slecht afgewerkt;
-Tegels zijn gescheurd;
-Een tegel in het gangetje is hol;
-De wc zit te dicht bij de deur.
Plafond boven balkon en boeideel van de schuur
-Het boeideel is niet netjes;
-De regenpijp is niet goed afgewerkt;
-Plafond boven het balkon is niet in orde gemaakt.
Mocht u aan het voorgaande niet binnen 4 weken na heden hebben voldaan, dan behoudt cliënte zich het recht voor om verdere rechtsmaatregelen te treffen. Cliënte behoudt zich daarbij het recht voor om de (herstel)werkzaamheden door een derde te laten verrichten en de kosten op u te verhalen.

2.11.

Bij e-mailbericht van 28 februari 2019 heeft [eiseres] aan [gedaagde] nogmaals een termijn van 2 weken gesteld, om de gebreken te herstellen. Bij e-mailbericht van 22 maart 2019 heeft [eiseres] [gedaagde] verzocht om voor 5 juni 2019 het herstelwerk uit te voeren.

2.12.

Bij e-mailberichten van 14 maart, 7 april en 21 april 2019 heeft [gedaagde] zich bereid verklaard om met [eiseres] een afspraak te maken, om de door haar geconstateerde gebreken te herstellen.

2.13.

Op 31 mei 2019 is [gedaagde] bij [eiseres] geweest, om de gebreken te onderzoeken en te bekijken. [gedaagde] heeft daarbij foto’s van de gebreken gemaakt.
Bij e-mailbericht van 6 juni 2019 bevestigt de gemachtigde van [eiseres] het volgende aan de gemachtigde van [gedaagde] .
Uw cliënt verzocht opnieuw om een overzicht van de gebreken. Hoewel dit overzicht diverse malen is verstrekt, zend ik u hierbij nogmaals het overzicht van de te herstellen gebreken.
Partijen spraken af dat uw cliënt deze lijst zal uitprinten en ondertekend retour zou sturen voor akkoord. Daarna zal een plan van aanpak worden opgesteld.
De ondertekende lijst ontvang ik graag binnen een week retour, uiteraard voorzien van een concreet plan van aanpak en redelijke tijdsplanning voor herstel van de gebreken. De ingebrekestelling dateert al van 10 januari. We zijn inmiddels 5 maanden verder zonder dat een aanvang is gemaakt met herstelwerk. Cliënte verwacht dan ook dat de herstelwerkzaamheden in juni 2019 afgerond zijn.

2.14.

In reactie hierop, stuurt [gedaagde] op 1 juli 2019 aan [eiseres] het volgende e-mailbericht.
Op vrijdag 31-05-2019 ben ik bij u geweest en hebben besproken wat er volgens u en mij verbeterd moet worden.
Bij dit gesprek was uw schoonzuster aanwezig.
Er zijn toen ook door mij foto’s gemaakt, die ik nog moet afdrukken.
We hebben ook afgesproken dat u mij een mail zou sturen met de punten die wij hadden besproken.
Wanneer ik die mail kreeg, zou ik hem lezen, en als het gelijk was aan wat wij overeen gekomen waren in het gesprek, ik hem af zou drukken en hem getekend bij u zou brengen.
Helaas heb ik die mail nooit ontvangen.
Nu wil ik u vriendelijk vragen om mij per mail te laten weten, wanneer ik bij u terecht kan om aan de herstel werkzaamheden te beginnen.
Dat moet wel in overleg zodat het zowel voor u als voor mij uitkomt.

2.15.

Bij e-mailbericht van 9 juli 2019 reageert [gedaagde] op de door [eiseres] geconstateerde gebreken en verzoekt hij om een datum, wanneer hij kan starten met herstelwerkzaamheden.

2.16.

Bij e-mailbericht van 28 augustus 2019 heeft [eiseres] haar vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding ex artikel 6:87 BW. [eiseres] heeft daarbij nogmaals haar betalingsverplichting jegens [gedaagde] opgeschort.

2.17.

[eiseres] heeft een expertise onderzoek uit laten voeren door Expertise Bureau Noord (hierna: EBN). Dit onderzoek vond plaats op 12 september 2019, in aanwezigheid van [eiseres] en [gedaagde] . Van dit onderzoek heeft EBN op 16 oktober 2019 een rapport opgesteld. EBN heeft in haar rapport geconstateerd dat sprake is van omstreeks 30 gebreken. EBN heeft geconcludeerd dat het door [gedaagde] geleverde werk qua uitvoering en esthetisch niet voldoet aan de norm van goed en deugdelijk werk. Het tegelwerk voldoet niet aan de norm van het SKG-IKOB. EBN heeft de kosten van herstel geraamd op € 28.198,38 inclusief btw.

2.18.

Bij brief van 29 oktober 2019 heeft [eiseres] [gedaagde] in gebreke gesteld ten aanzien van de in het expertiserapport opgesomde gebreken.

2.19.

[eiseres] heeft bij brief van 2 december 2019 vervangende schadevergoeding gevorderd van [gedaagde] , voor een bedrag van € 23.104,74.

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert primair, dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 23.104,87 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2019, dan wel vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling. Daarnaast vordert [eiseres] een bedrag van € 1.217,32 aan buitengerechtelijke incassokosten.
Subsidiair vordert [eiseres] , dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om binnen twee maanden na betekening van het vonnis de gebreken te herstellen op de door de deskundige bepaalde manier, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft.
Zowel primair als subsidiair vordert [eiseres] een veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Zij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst tot aanneming van werk. Het door [gedaagde] uitgevoerde werk vertoont een groot aantal gebreken. [eiseres] verwijst in dit verband naar het expertise rapport van EBN, d.d. 16 oktober 2019. [eiseres] vordert bij wijze van vervangende schadevergoeding om vergoeding van de kosten van herstel van de gebreken.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat hij, gelet op het telefoonbericht van [eiseres] d.d. 21 november 2018, in de veronderstelling verkeerde dat hij zijn werkzaamheden naar tevredenheid van [eiseres] had uitgevoerd. [eiseres] heeft hiermee dan ook het geleverde werk geaccepteerd. Naar aanleiding van de brieven van de gemachtigde van [eiseres] van 10 januari en 22 maart 2019, is hij bij [eiseres] gaan kijken.
[gedaagde] was bereid om eventuele gebreken te verhelpen. Hij heeft diverse malen geprobeerd om [eiseres] telefonisch te bereiken voor het maken van een afspraak om de herstelwerkzaamheden uit te voeren, maar kon [eiseres] niet bereiken. Voorts heeft [gedaagde] verweer gevoerd tegen het expertise rapport van EBN en heeft hij de daarin opgenomen begroting van de herstelkosten betwist. [gedaagde] betwist niet dat nog enkele afwerkpunten afgemaakt moesten worden. Ten aanzien van deze punten is [gedaagde] bereid om herstelwerkzaamheden uit te voeren, dan wel herstelkosten op zijn eindafrekening in mindering te brengen. Het gaat hierbij om kitwerk en voegwerk. Eventuele herstelkosten hiervan worden door Van de Berkt begroot op € 1.000,- tot € 1.500,-.

4.2.

[gedaagde] vordert bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter [eiseres] veroordeelt tot betaling van € 7.149,02 aan hoofdsom, € 205,57 aan wettelijke rente en
€ 732,45 aan buitengerechtelijke incassokosten, onder veroordeeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. Hij legt aan de tegenvordering ten grondslag – kort weergegeven – dat het bedrag van € 7.149,02 de eindafrekening betreft, die [eiseres] nog moet voldoen.
heeft erkend dat zij terzake van de eindafrekening in ieder geval nog een bedrag van € 6.182,64 moet voldoen. [eiseres] heeft de post materiaalkosten ad € 691,38 en de kosten van de stucadoor ad € 275,00 betwist. [gedaagde] stelt in dit verband dat er mondeling wel degelijk opdracht is gegeven voor het aanschaffen van extra materiaal en dat partijen mondeling hebben afgesproken dat zij de kosten van de stukadoor zouden delen. [gedaagde] wijst er in dit verband nog op dat bij het opstellen van de offerte het plaatsen van het balkonhek niet is meegenomen, terwijl [eiseres] [gedaagde] wel heeft verzocht om een balkonhek te plaatsen, hetgeen hij ook heeft gedaan.

5 Het verweer tegen de tegenvordering

5.1.

[eiseres] betwist de tegenvordering en stelt dat niet alle materiaalkosten aan haar kunnen worden doorberekend. De kosten van de stukadoor ad € 275,- betwist zij eveneens, nu zij zelf een bedrag van € 400,00 aan de stukadoor heeft betaald.

5.2.

[eiseres] heeft de tegenvordering tot een bedrag van € 6.182,64 erkend. Voor dit bedrag beroept zij zich op verrekening en heeft zij dit bedrag op haar vordering in mindering gebracht.

6 De beoordeling

de vordering en de tegenvordering

6.1.

De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

de vordering

6.2.

Partijen twisten primair over de vraag of [gedaagde] gehouden is tot betaling van een vervangende schadevergoeding aan [eiseres] .

6.3.

Tussen partijen staat vast dat zij een overeenkomst van aanneming van werk in de zin van artikel 7:750 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben gesloten. In dat kader moet allereerst worden beoordeeld of het werk is opgeleverd. [gedaagde] stelt dat dit het geval is en kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan het sms-bericht dat [eiseres] op 21 november 2018 aan [gedaagde] heeft toegezonden. In dit sms-bericht geeft [eiseres] aan: “ik vind het goed zoals het is, gooi de rekening maar in de brievenbus met bijbehorende bonnen”. [eiseres] heeft hierover aangevoerd dat zij slechts doelde op een aantal kleine punten die [gedaagde] nog wilde verbeteren, te weten het badkamerraam en een plint, maar dat zij hiermee niet heeft aangegeven dat zij het werk als afgerond heeft beschouwd.
Zij wijst in dit verband op de e-mailberichten van 29 juli, 5 oktober en 28 oktober 2018, waarin zij aangeeft dat er nog verbeterpunten zijn. De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op deze eerdere e-mail berichten, uit het sms-bericht van 21 november 2018 niet zonder meer kan worden opgemaakt dat [eiseres] alle verrichte werkzaamheden heeft geaccepteerd. Van een oplevering in de zin van artikel 7:758 BW was dan ook nog geen sprake.

6.4.

In artikel 6:74 lid 1 BW is bepaald, dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Op grond van het bepaalde in het tweede lid van dat artikel vindt, in het geval nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, lid 1 slechts toepassing als de schuldenaar in verzuim is. In dit verband is van belang dat in artikel 7:759 lid 1 BW is bepaald dat de opdrachtgever aan de aannemer de gelegenheid moet geven de gebreken binnen een redelijke termijn weg te nemen, tenzij dat in verband met de omstandigheden niet van de opdrachtgever kan worden gevergd.

6.5.

Uit de tussen partijen gevoerde correspondentie blijkt dat [eiseres] in de periode van januari 2019 tot juni 2019 [gedaagde] bij herhaling in de gelegenheid heeft gesteld om de onderdelen van het werk waarover zij niet tevreden was, te herstellen. Daarbij is, nadat meerdere termijnen waren verstreken, bij brief van de gemachtigde van [eiseres] van 6 juni 2019, een laatste termijn gesteld tot 1 juli 2019. Deze termijn heeft [gedaagde] eveneens laten verstrijken. Weliswaar heeft [gedaagde] bij e-mail berichten van 1 juli 2019 en
9 juli 2019 aan [eiseres] gevraagd wanneer hij met de herstelwerkzaamheden kan starten, maar dit moet gelet op alle eerdere gestelde termijnen als te laat worden beschouwd.
De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking dat [gedaagde] in zijn e-mail bericht van
1 juli 2019 weliswaar stelt dat hij de lijst met gebreken niet zou hebben ontvangen, dit komt echter niet aannemelijk voor. Uit het e-mail bericht van 28 augustus 2019 van de gemachtigde van [eiseres] blijkt immers, dat zij op 20 juni 2019 telefonisch contact heeft opgenomen met de gemachtigde van [gedaagde] en dat in dit telefoongesprek bleek dat de gemachtigde van [gedaagde] de lijst reeds op 6 juni 2019 aan [gedaagde] had toegestuurd en dat zij nog in afwachting was van zijn reactie.

6.6.

De kantonrechter concludeert dan ook dat [eiseres] [gedaagde] op duidelijke wijze en in niet mis te verstane bewoordingen in de gelegenheid heeft gesteld om eventuele gebreken in de uitgevoerde werkzaamheden weg te nemen. Door ook niet binnen de laatst gestelde termijn de gestelde gebreken weg te nemen, is [gedaagde] per 1 juli 2019 in verzuim komen te verkeren.

6.7.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Gelet op de bevindingen zoals vermeld in het expertise rapport van EBN is voldoende vast komen te staan dat [gedaagde] het werk niet naar behoren heeft verricht. Weliswaar heeft [gedaagde] de in dit rapport genoemde gebreken (deels) betwist, maar hij heeft geen contra-expertise laten verrichten. Ook anderszins heeft hij zijn standpunt dat hij niet is tekortgeschoten, zoals door [eiseres] gemotiveerd toegelicht, onvoldoende onderbouwd.
De kantonrechter merkt in dit verband op, dat voor zover [gedaagde] heeft betoogd dat [eiseres] zelf akkoord is gegaan met bepaalde oplossingen en bepaalde materialen (zoals tegels) zelf heeft uitgezocht, het op grond van artikel 7:754 BW op de weg [gedaagde] lag, om [eiseres] te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht of ongeschiktheid van materialen. Dat [eiseres] , mogelijk uit kostenoverwegingen, bepaalde keuzes heeft gemaakt, ontslaat [gedaagde] dan ook niet van de verplichting om [eiseres] erop te wijzen dat deze keuzes zouden kunnen lijden tot gebreken in het werk. De stelling dat het rapport gebreken vermeldt waarover [eiseres] niet zou hebben geklaagd, leidt evenmin tot een ander oordeel.
Bij brief van 29 oktober 2019 heeft [eiseres] [gedaagde] immers in gebreke gesteld ten aanzien van alle in het expertise rapport opgesomde gebreken, waarbij opnieuw een termijn voor herstel is gegeven. Ook ten aanzien van de in het rapport geconstateerde gebreken, voor zover hierover niet al eerder zou zijn geklaagd, verkeert [gedaagde] dan ook in verzuim.

6.8.

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de door EBN geconstateerde gebreken onvoldoende heeft weersproken en zal uitgaan van de juistheid van de bevindingen van EBN. Niet is gebleken dat de tekortkoming niet aan [gedaagde] kan worden toegerekend.

6.9.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord in hoeverre de door [eiseres] (ex artikel 6:87 BW) gevorderde vervangende schadevergoeding, bestaande uit de kosten van door derden verrichte herstelwerkzaamheden, toewijsbaar is. Nu de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal deze conform het bepaalde in artikel 6:97 BW worden begroot.

6.10.

De kantonrechter acht het bedrag van in totaal € 23.104,87 toewijsbaar, Dit bedrag is gebaseerd op de bevindingen van EBN en de als bijlage bij dit rapport overgelegde kostenraming, die door de deskundige wordt gevolgd. Daarmee is het bedrag voldoende onderbouwd. De conclusie is dan ook dat de kantonrechter de vordering van [gedaagde] , ten aanzien van het primair gevorderde, zal toewijzen.

6.11.

De kosten van het deskundigenonderzoek van EBN van € 1.089,00 zullen -als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onderdeel b BW- worden toegewezen. Deze kosten zijn reeds opgenomen in het bedrag van € 23.104,87.

6.12.

De buitengerechtelijke incassokosten zijn toewijsbaar conform het tarief zoals opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

6.13.

De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 1 juli 2019, zijnde de datum waarop [gedaagde] in verzuim is geraakt ten aanzien van het herstel van de gebreken.

6.14.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt. Daarbij wordt [gedaagde] ook veroordeeld tot betaling van maximaal € 105,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiseres] worden gemaakt.

de tegenvordering

6.15.

[eiseres] heeft de tegenvordering erkend tot een bedrag van € 6.182,64. Dit bedrag heeft zij verrekend met haar vordering terzake van de vergoeding van kosten van herstel.
De kantonrechter is van oordeel dat het beroep op verrekening slaagt. Hiermee is het bedrag van € 6.182,64 dan ook voldaan. Ter zitting heeft [gedaagde] aangegeven dat hij de tegenvordering voor zover deze ziet op de kosten van de stukadoor, niet handhaaft. Partijen twisten dan nog over twee posten van de eindafrekening: de kosten voor extra materiaal ad
€ 553,38 en kosten voor hout ad € 120,00. [gedaagde] heeft in dit verband aangevoerd dat [eiseres] , buiten de geoffreerde werkzaamheden om, nog opdracht heeft gegeven voor het plaatsen van een balkonhek. Daarop zien de kosten voor extra materiaal. [eiseres] heeft hiertegen aangevoerd, dat [gedaagde] zelf had aangeboden om een balkonhek te maken en dat zij had begrepen dat dit in de aanneemsom was inbegrepen.

6.16.

De kantonrechter neemt hierbij tot uitgangspunt dat onbetwist is, dat [gedaagde] een balkonhek heeft geplaatst en dat dit niet tot de geoffreerde werkzaamheden behoorde. Onbetwist is ook dat [gedaagde] hiervoor materiaal heeft moeten aanschaffen. Dat [eiseres] hiervoor niet zou hoeven te betalen is door [gedaagde] betwist en door [eiseres] niet nader onderbouwd. De materiaalkosten ad € 553,38 komen dan ook voor toewijzing in aanmerking. Ten aanzien van de kosten voor hout heeft [gedaagde] aangevoerd, dat hij van dit hout een kozijn heeft gemaakt in het toilet. [eiseres] heeft hiertegen bij wijze van verweer aangevoerd dat het extra kozijn niet nodig was geweest, als het toilet op een juiste manier was gemaakt. De kantonrechter begrijpt het verweer aldus, dat niet wordt betwist dat deze kosten op zich zijn gemaakt. Deze post komt dan ook voor toewijzing in aanmerking. De vraag of de werkzaamheden deugdelijk zijn verricht, kan hierbij buiten beschouwing blijven. Hierover is immers al geoordeeld in de overwegingen ten aanzien van de vordering.

6.17.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [gedaagde] zal toewijzen tot een bedrag van € 673,38. De gevorderde wettelijke rente komt, als onbetwist, eveneens voor toewijzing in aanmerking.

6.18.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

7 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

7.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 23.104,78, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juli 2019 tot aan de dag van de gehele betaling;

7.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van
€ 1.217,32;

7.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiseres] tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 112,74
griffierecht € 499,00
salaris gemachtigde € 960,00;

7.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van maximaal € 105,00 aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiseres] worden gemaakt;

7.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

7.6.

wijst de vordering voor het overige af.

de tegenvordering

7.7.

veroordeelt [eiseres] tot betaling aan [gedaagde] van € 673,38 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 8 mei 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

7.8.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

7.9.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

7.10.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.S. Kiliç en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter