Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6481

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
C/15/273733 / HA ZA 18-314
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geschil tussen VVE en parkbeheerder en verhuurorganisatie bungalowpark. Geen onvoorziene omstandigheden ex art. 6:258 BW. Niet te hoge parkkosten in rekening gebracht. Geen grondslag voor naheffing parkkosten. Geen plicht te allen tijde aanwezig op park.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/273733 / HA ZA 18-314

Vonnis van 19 augustus 2020

in de zaak van

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VERENIGING VAN EIGENAREN RECREATIEPARK [naam park]

gevestigd te [vestigingsplaats]

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

2 [gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

6. [gedaagde sub 6],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

7. [gedaagde sub 7],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

8. [gedaagde sub 8],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

9 [gedaagde sub 9] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

10. [gedaagde sub 10],

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

11. [gedaagde sub 11],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

12. [gedaagde sub 12],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

13. [gedaagde sub 13],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

14. [gedaagde sub 14],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

15. [gedaagde sub 15],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

16. [gedaagde sub 16],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

17. [gedaagde sub 17],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

18. [gedaagde sub 18],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

19. [gedaagde sub 19],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo Ov,

20. [gedaagde sub 20],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in reconventie,

niet verschenen.

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NOORD HOLLAND RECREATIE SERVICE B.V.,

gevestigd te Sint Maartensvlotbrug, gemeente Schagen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RECREATIE BEHEER B.V.,

gevestigd te Sint Maartensvlotbrug, gemeente Schagen,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. W.J.T. Ursem te Alkmaar.

Eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1 zal hierna de VVE genoemd worden. Verweerders in reconventie sub 2 t/m 20 zullen hierna gezamenlijk “de eigenaren”, en ieder voor zich bij hun achternaam genoemd worden.

Gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie zullen hierna “NHRS” en “Recreatie Beheer” genoemd worden. Gezamenlijk zullen gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie “NHRS c.s.” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 19 april 2018 met producties 1 t/m 23,

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping van derden ex artikel 118 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv),

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident,

  • -

    het vonnis in het incident van 27 juni 2018,

  • -

    het exploot van oproeping van 28 augustus 2018 met producties 1 t/m 8,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met producties 1 t/m 18,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie aan de zijde van eiseres in conventie, verweerster in reconventie met producties 1 t/m 28,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie aan de zijde van verweerders in reconventie met producties 1 t/m 3,

  • -

    het vonnis van 20 februari 2019,

  • -

    de conclusie van repliek in conventie met productie 29 t/m 39,

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie in de hoofdzaak, tevens houdende akte vermindering eis in reconventie in de hoofdzaak met producties 19 t/m 21,

  • -

    de akte overlegging producties tevens houdende akte vermeerdering eis in het incident jegens de leden van de VVE met producties 9 t/m 17,

  • -

    de akte overlegging producties met producties 40 en 41 aan de zijde van eiseres in conventie en verweerders in reconventie,

  • -

    de akte houdende bezwaar wijziging van eis van de VVE c.s.,

  • -

    het betekeningsexploot van de gewijzigde eis aan (de niet verschenen) gedaagde partij in reconventie sub 20,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 juni 2020 en de daarin genoemde comparitie-aantekeningen van mr. Nijkamp en mr. Ursem,

  • -

    de brief van 30 juni 2020 van NHRS c.s. met opmerkingen over het proces-verbaal,

  • -

    de brief van 9 juli 2020 van de VVE met akte wijziging eis en

  • -

    de brief van 10 juli 2020 van NHRS c.s. inhoudende bezwaar tegen voornoemde akte wijziging eis.

1.2.

Op de rol van 29 juli 2020 heeft de rechtbank beslist dat de akte wijziging eis van 9 juli 2020 van de VVE in dit stadium van de procedure niet wordt toegelaten vanwege strijd met de goede procesorde.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Recreatie Beheer is beheerder van vakantiebungalowcomplex “ [naam park] ” te [vestigingsplaats] (hierna: het bungalowpark). In het bungalowpark staan op eigen grond bungalows van individuele eigenaren. De eigenaren hebben hun bungalow gekocht van Recreatie Beheer of van de heer [naam] (hierna: [naam] ), op wiens initiatief het bungalowpark is gebouwd. [naam] is bestuurder van Recreatie Beheer en (indirect, namelijk via [naam park] Beheer B.V.) van NHRS. NHRS is een vennootschap die zich – kort gezegd – bezig houdt met de bemiddeling bij de verhuur van vakantiewoningen.

2.2.

De VVE is opgericht in 2008. Van de VVE kunnen uitsluitend lid zijn eigenaren van een bungalow in het bungalowpark. Het doel van de VVE is volgens haar statuten het (in elk opzicht) bevorderen en steunen van de (belangen van de) leden in het bungalowpark alsmede het waarnemen en doen gelden van de belangen van de leden jegens derden.

2.3.

In de akte van levering van de bungalow van [gedaagde sub 6] is onder meer het volgende opgenomen:

Bewoning
Artikel 19
Indien de op de verkochte grond gestichte recreatiewoning buiten verhuurbemiddeling van Noord-Holland Recreatie Service te Sint Maartenszee door anderen dan de juridische of economische eigenaar (…)in gebruik wordt genomen, is die eigenaar aan Noord-Holland Recreatie Service voornoemd een vergoeding van driehonderdtien gulden (ƒ. 310,--) per week, (…) verschuldigd (…)
Voormeld bedrag zal worden geïndexeerd op de wijze als hierna onder artikel 23 vermeld.
(…)
Gebruik/Onderhoud
Artikel 21
a. De verkrijger is verplicht de op de verkochte grond gestichte recreatiewoning gedurende een periode van tenminste 12 weken per kalenderjaar via een verhuurorganisatie te verhuren en derhalve gedurende die periode niet voor eigen gebruik te bestemmen of aan te wenden.
(…)
Algemene voorzieningen
Artikel 22
De in het [naam park] gelegen wegen, paden, groenstroken, waterpartijen en dergelijke met de daarop aangebrachte voorzieningen, zoals verlichting en dergelijke, zijn en blijven eigendom van de ondernemer die verplicht is een en ander in goede staat van onderhoud te houden.
Verkrijger verbindt zich jegens de ondernemer en is jegens de ondernemer gehouden om bij te dragen in de parkkosten/lasten van onderhoud/vervanging, instandhouding en exploitatie van deze algemene voorzieningen.
Deze parkkosten betreffen ondermeer, doch niet uitsluitend:
- de onderhoudskosten van-, de afschrijvingen van -, de instandhouding en exploitatie van:
- openbare wegen en parkeerplaatsen
- openbare groenvoorzieningen
- openbare waterpartijen

- verlichting, verbruik daaronder begrepen
- civiel-technische werken zoals riolering en dergelijke

- toegangscontrole, exploitatie daaronder begrepen;
- de dienstverlening, verband houdende met respectievelijk voortvloeiende uit:
- algemene bewoners service
- toezichthoudende werkzaamheden in het park
- bewaking van de onroerende zaak;
- de verzekeringen, onroerende zaak belasting, alsmede heffing van gemeente/provincie/rijksoverheid/waterstaat, in verband staande met respectievelijk voortvloeiende uit (het gebruik van) de algemene voorzieningen.
Kosten voorzieningen terzake alternatieve energie/algemene voorzieningen
Artikel 23
a. De verkrijger verbindt zich jegens de ondernemer en is jegens de ondernemer gehouden om bij te dragen in de lasten van onderhoud, vervanging, reparatie, controle en beheer (…) van de in, op, onder, of aan elke bungalow (…) aan te brengen/aangebrachte voorzieningen met betrekking tot alternatieve energie-opwekking/geleiding.
Voormelde bijdrage bedraagt per jaar ƒ. 200,--, welk bedrag jaarlijks op gelijke wijze wordt aangepast als de in lid b vermelde vergoedingen.
b. De kosten van vastrecht van bewakings-, beveiligings-, intercom-, datacommunicatiesysteem bedragen per jaar achthonderd gulden (ƒ. 800,--) exclusief omzetbelasting, (…)
De vergoeding gemeld in artikel 22 is voor het jaar negentienhonderd achtennegentig vastgesteld op tweeduizend driehonderd gulden (ƒ. 2.300,--), exclusief omzetbelasting per woning.
De vergoeding wordt geïndexeerd voor het eerst op een januari negentienhonderdnegenennegentig en vervolgens jaarlijks aan de hand van de stijging respectievelijk daling van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie (…) zoals gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek.

(…)

Indien de werkelijke kosten als hiervoor bedoeld structureel hoger respectievelijk lager blijken te zijn dan de in rekening gebrachte vergoeding, is de ondernemer gerechtigd respectievelijk verplicht om het jaarlijkse om het jaarlijkse bedrag te verhogen respectievelijk te verlagen en aan te passen aan de hand van de daadwerkelijke kosten.
(…)
De voornoemde bijdrage(n) is/zijn voor het eerst pro rato (vast te stellen door de ondernemer) verschuldigd op de datum van oplevering van de recreatiewoning en vervolgens telkens binnen één maand na opgave door de ondernemer van de voor het jaar verschuldigde bijdrage.
Ieder beroep op compensatie of korting is uitgesloten.
Bij niet-tijdige betaling van de bijdrage of een gedeelte daarvan is de verkrijger over de bijdrage een rente verschuldigd gelijk aan één procent per maand waarbij een gedeelte van een maand geldt als een volle maand.
Tevens komen de buitengerechtelijke incassokosten met een minimum van eenhonderd gulden
(ƒ. 100,--) voor rekening van de verkrijger.”

2.4.

In de aktes van levering van de bungalows van de andere eigenaren (hierna: de akte) is voornoemde geciteerde tekst ook opgenomen. In bepaalde aktes is de nummering van de artikelen anders, maar hierna wordt voor de leesbaarheid één nummering aangehouden. Bovendien verschillen de in de akte van [gedaagde sub 6] genoemde bedragen van de in de aktes van de andere eigenaren opgenomen bedragen, omdat deze afhankelijk zijn van het jaar waarin de akte is ondertekend.

2.5.

Voor een deel van de eigenaren bepaalt een kettingbeding in de akte dat verhuur op straffe van een boete dient plaats te vinden door bemiddeling van NHRS (o.a. in de leveringsakte van [gedaagde sub 7] ). Voor andere eigenaren (o.a. in de leveringsaktes van [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 13] ) geldt geen verplichting om te verhuren via NHRS. Voor alle eigenaren geldt dat zij op grond van de akte bij verhuur buiten NHRS om, een vergoeding van thans € 246,64 inclusief btw per week aan NHRS moeten betalen (hierna: de verhuurvergoeding).

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De VVE vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart

1. dat in alle leveringsaktes van de eigenaren van een of meerdere bungalows in het vakantiebungalow complex “ [naam park] ”, althans in de aktes van de eigenaren die lid zijn van de VVE, de eerste zin van het artikel met als titel “Bewoning”, in de leveringsakte van [gedaagde sub 6] d.d. 5 juli 2004 aan te treffen als artikel 19 en in de leveringsakte van [gedaagde sub 7] d.d. 29 november 2004 aan te treffen als artikel 24, wordt gewijzigd en aangevuld met de woorden: “mits in overleg tussen NHRS en de VVE een verhuurbemiddelingsovereenkomst is tot stand gekomen”,

2. dat in alle leveringsaktes van de eigenaren van een of meerdere bungalows in het vakantiebungalow complex “ [naam park] ”, althans in de aktes van de eigenaren die lid zijn van de VVE, het artikel met als titel “Bewoning”, in de leveringsakte van [gedaagde sub 6] d.d. 5 juli 2004 aan te treffen als artikel 19 en in de leveringsakte van [gedaagde sub 7] d.d. 29 november 2004 aan te treffen als artikel 24, wordt gewijzigd en aangevuld met een slotzin met de woorden: “De eigenaar is deze vergoeding niet verschuldigd in het geval het hier bedoelde in gebruik geven buiten verhuurbemiddeling van NHRS heeft plaatsgevonden nadat de eigenaar dit verzoek tot verhuurbemiddeling schriftelijk had gedaan maar NHRS niet binnen 72 uur zowel haar bereidheid daartoe schriftelijk aan de eigenaar heeft bevestigd als aan de eigenaar schriftelijk heeft bevestigd dat de woning gereserveerd is”,

3. dat in alle leveringsaktes van de eigenaren van een of meerdere bungalows in het vakantiebungalow complex “ [naam park] ”, althans in de aktes van de eigenaren die lid zijn van de VVE en verplicht zijn de verhuur gedurende 12 weken per jaar te laten geschieden via NHRS, de eerste zin van het artikel met als titel “Gebruik/Onderhoud”, in de leveringsakte van [gedaagde sub 7] d.d. 29 november 2004 aan te treffen als artikel 26a, wordt gewijzigd en aangevuld met de woorden: “mits in overleg tussen NHRS en de VVE een verhuurbemiddelingsovereenkomst is tot stand gekomen”,

II. NHRS veroordeelt voor eigen rekening mee te werken aan wijziging van de betreffende leveringsaktes en inschrijvingen in het kadaster binnen 30 dagen na betekening van het vonnis,

III. voor recht verklaart dat Recreatie Beheer aan de leden van de VVE te hoge parkkosten in rekening heeft gebracht, namelijk

- over 2010 € 1.334,00 exclusief btw per woning;

- over 2011 € 1.234,00 exclusief btw per woning;

- over 2012 € 1.268,00 exclusief btw per woning;

- over 2013 € 1.312,00 exclusief btw per woning;

- over 2014 € 1.282,00 exclusief btw per woning;

- over 2015 € 1.377,00 exclusief btw per woning;

- over 2016 € 1.821,00 exclusief btw per woning;

- over 2017 € 1.817,00 exclusief btw per woning;

- over 2018 € 1.817,00 exclusief btw per woning;

IV. Recreatie Beheer veroordeelt tot betaling aan de VVE, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 319.849,00 inclusief btw,

V. NHRS c.s. veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2.

NHRS c.s. concludeert tot afwijzing van de vordering en veroordeling van de VVE in de kosten van de procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

In het incident heeft NHRS c.s. – kort gezegd – gevorderd dat zij de eigenaren in het geding mag oproepen teneinde voort te procederen als (mede)gedaagden in reconventie. De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis van 27 juni 2018 toegewezen, waarna NHRS c.s. de eigenaren bij exploot heeft opgeroepen. Vervolgens heeft NHRS c.s. haar vordering in reconventie jegens de (opgeroepen) eigenaren steeds aangeduid als ‘het incident’ en haar vordering in reconventie jegens de VVE als ‘de hoofdzaak’. De rechtbank zal dit onderscheid niet aanhouden (aan de behandeling van het incident is immers door genoemd vonnis van 27 juni 2018 een einde gekomen), maar beide vorderingen hierna behandelen als eis in reconventie, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen de vorderingen jegens de VVE enerzijds en de eigenaren anderzijds.

De VVE

3.5.

NHRS c.s. vordert na eiswijziging – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat Recreatie Beheer niet gehouden is om te allen tijde op het bungalowpark [naam park] te [vestigingsplaats] aanwezig te zijn, doch slechts dat Recreatie Beheer ten gunste van de door de huiseigenaren aangemelde gasten/bezoekers/leveranciers verplicht en gehouden is om hen zo spoedig mogelijk toegang te verlenen tot het bungalowpark [naam park] te [vestigingsplaats] ;

II. de VVE veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanzegging van die proceskosten tot de dag der algehele voldoening;

III. de VVE veroordeelt in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanzegging van die nakosten tot de dag der algehele voldoening.

De eigenaren

3.6.

NHRS c.s. vordert na eiswijziging – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 10] en [gedaagde sub 20] veroordeelt tot betaling aan Recreatie Beheer van een bedrag van € 10.777,88 inclusief btw en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de contractueel verschuldigde rente van 1% over dit bedrag vanaf 1 februari 2018, althans de vervaldata van de facturen, tot aan de dag van betaling,

II. [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 8] , [gedaagde sub 9] , [gedaagde sub 12] , [gedaagde sub 13] en [gedaagde sub 14] , ieder voor zich, veroordeelt tot betaling aan Recreatie Beheer van een bedrag van € 7.993,89 inclusief btw en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de contractueel verschuldigde rente van 1% over dit bedrag vanaf 1 februari 2018, althans de vervaldata van de facturen, tot aan de dag van betaling,

III. [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 11] en [gedaagde sub 15] veroordeelt tot betaling aan Recreatie Beheer van een bedrag van € 8.028,54 inclusief btw en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de contractueel verschuldigde rente van 1% over dit bedrag vanaf 1 februari 2018, althans de vervaldata van de facturen, tot aan de dag van betaling,

IV. [gedaagde sub 6] veroordeelt tot betaling aan Recreatie Beheer van een bedrag van € 13.493,95 inclusief btw en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de contractueel verschuldigde rente van 1% over dit bedrag vanaf 1 februari 2018, althans de vervaldata van de facturen, tot aan de dag van betaling,

V. [gedaagde sub 16] veroordeelt tot betaling aan Recreatie Beheer van een bedrag van € 10.148,54 inclusief btw en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de contractueel verschuldigde rente van 1% over dit bedrag vanaf 1 februari 2018, althans de vervaldata van de facturen, tot aan de dag van betaling,

VI. [gedaagde sub 17] veroordeelt tot betaling aan Recreatie Beheer van een bedrag van € 19.533,89 inclusief btw en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de contractueel verschuldigde rente van 1% over dit bedrag vanaf 1 februari 2018, althans de vervaldata van de facturen, tot aan de dag van betaling,

VII. [gedaagde sub 18] veroordeelt tot betaling aan Recreatie Beheer van een bedrag van € 9.458,88 inclusief btw en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de contractueel verschuldigde rente van 1% over dit bedrag vanaf 1 februari 2018, althans de vervaldata van de facturen, tot aan de dag van betaling,

VIII. [gedaagde sub 19] veroordeelt tot betaling aan Recreatie Beheer van een bedrag van € 2.896,20 inclusief btw en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de contractueel verschuldigde rente van 1% over dit bedrag vanaf 1 februari 2018, althans de vervaldata van de facturen, tot aan de dag van betaling,

IX. [gedaagde sub 10] veroordeelt tot betaling aan NHRS van een bedrag van € 3.509,00 inclusief btw, te vermeerderen met wettelijke handelsrente over dit bedrag, althans de vervaldatum van de factuur, tot aan de dag van betaling,

X. [gedaagde sub 12] veroordeelt tot betaling aan NHRS van een bedrag van € 1.725,90 inclusief btw, te vermeerderen met wettelijke handelsrente over dit bedrag, althans de vervaldatum van de factuur, tot aan de dag van betaling,

XI. alle gedaagden, ieder voor zich, verplicht om uiterlijk binnen drie weken voorafgaand aan de betreffende huurperiode aan NHRS kenbaar te maken dat, wanneer en welke huurders er verwacht worden in het huisje van de betreffende eigenaar, door uiterlijk binnen deze termijn aan NHRS een verhuurbevestiging te overleggen,

XII. alle gedaagden, ieder voor zich, verplicht om uiterlijk één week (zeven dagen) voor ingang van de betreffende huurperiode de door die huiseigenaar verschuldigde huurvergoeding aan NHRS te voldoen,

XIII. bepaalt dat indien één van de gedaagden, één van de geboden als benoemd onder V. en VI. (de rechtbank begrijpt: XI. en XII.) overtreedt, die betreffende gedaagde een dwangsom verbeurt van € 250,00 per overtreding en € 250,00 per dag dat de overtreding voortduurt met een maximum voor ieder van de gedaagden van € 25.000,00,

XIV. bepaalt dat wanneer het voor één van de gedaagden in de gegeven omstandigheden onmogelijk is om aan één van de V. en VI. (de rechtbank begrijpt: XI. en XII.) benoemde termijnen te voldoen, bijvoorbeeld wanneer de huurovereenkomst last minute én binnen de drie wekentermijn wordt gesloten, de gedaagden, ieder voor zich, in ieder geval gehouden zijn om NHRS uiterlijk binnen 24 uur na het sluiten van de huurovereenkomst, op de hoogte te brengen van het feit dat, wanneer en welke huurders er verwacht worden in het huisje van de betreffende eigenaar én bepaalt dat alle gedaagden, ieder voor zich, dan gehouden zijn om de verhuurvergoeding uiterlijk 24 uur voor ingang van de huurperiode moeten hebben bijgeschreven op de bankrekening van NHRS,

XV. bepaalt dat indien één van de gedaagden, de geboden als benoemd onder VIII. (de rechtbank begrijpt: XIV.) overtreedt, die betreffende gedaagde een dwangsom verbeurt van € 250,00 per overtreding en € 250,00 per dag dat de overtreding voortduurt met een maximum voor ieder van de gedaagden van € 25.000,00,

XVI. alle gedaagden, ieder voor zich en hoofdelijk, veroordeelt tot betaling van de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening,

XVII. alle gedaagden, ieder voor zich en hoofdelijk, veroordeelt om NHRS en Recreatie Beheer tegen kwijting te voldoen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling niet plaatsvindt binnen de termijn van veertien dagen na aanschrijving.

3.7.

De VVE en de eigenaren voeren verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De rechtbank beoordeelt allereerst de onderdelen I. en II. waarin – kort gezegd – wijziging c.q. aanvulling van de akten van levering is gevorderd. Vervolgens beoordeelt de rechtbank de onderdelen III. en IV., die zien op de gevorderde geldbedragen.

Onderdelen I. en II.

4.2.

De VVE stelt dat NHRS de individuele eigenaren (en dus ook haar leden) dwingt om ofwel een niet acceptabele verhuurbemiddelingsovereenkomst te tekenen ofwel te laten verhuren via derden en in dat kader de verhuurvergoeding aan NHRS te betalen. In beide gevallen worden de eigenaren door toedoen van NHRS geconfronteerd met onnodige en onredelijke kosten. Een deel van de eigenaren is niet alleen verplicht om minimaal twaalf weken per jaar te verhuren, maar heeft ook de verplichting om te verhuren via NHRS (en niet via derden). De inhoud van de door NHRS opgestelde verhuurbemiddelingsovereenkomst is niet redelijk. De eigenaren hebben bij ondertekening van de koopovereenkomst en/of akte van levering niet voorzien dat het voorgaande de feitelijke uitwerking zou zijn van de artikelen 19 en 21 van de akte. Er is sprake van zodanig onvoorziene omstandigheden dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van die overeenkomsten niet verwacht mag worden (artikel 6:258 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De artikelen in de akte moeten aangevuld c.q. gewijzigd worden, zodat de inhoud daarvan beantwoordt aan de bij ondertekening door de eigenaren beoogde strekking daarvan.

4.3.

NHRS c.s. betwist dat sprake is van een onredelijke verhuurbemiddelingsovereenkomst. Daar komt bij dat de VVE erkent dat de contractuele bepalingen zoals deze zijn opgenomen in de overeenkomsten van de eigenaren, bij een goede toepassing daarvan, geen problemen opleveren. Gelet op de tekst van de akte, was ten tijde van de levering voor de eigenaren al duidelijk wat de gevolgen zouden zijn van de in de akte overeengekomen bepalingen.

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Van onvoorziene omstandigheden in de zin van art. 6:258 BW kan alleen sprake zijn voor zover het betreft omstandigheden die op het ogenblik van tot stand komen van de overeenkomst nog in de toekomst lagen. Voor toepassing van art. 6:258 BW is alleen plaats wanneer de onvoorziene omstandigheden van dien aard zijn dat de wederpartij van degene die herziening van de overeenkomst verlangt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Aan dit vereiste zal niet spoedig zijn voldaan; redelijkheid en billijkheid verlangen immers in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord en laten afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering toe (vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 969). Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechter terughoudendheid moet betrachten ten aanzien van de aanvaarding van een beroep op onvoorziene omstandigheden (vgl. Hoge Raad 27 april 1984, NJ 1984, 679, rov. 3.2 en Hoge Raad 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2587, rov. 4.3.2). Of de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorzienbaar waren, is niet beslissend. Het komt er slechts op aan, van welke veronderstellingen partijen zijn uitgegaan: of zij in de mogelijkheid van het optreden van de onvoorziene omstandigheden hebben willen voorzien of althans stilzwijgend die mogelijkheid hebben verdisconteerd (TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 968; MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 973).

4.5.

De vraag is dus of er in deze zaak sprake is van onvoorziene omstandigheden in de hiervoor omschreven zin. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Zowel uit de processtukken als uit het ter zitting besprokene, blijkt dat de VVE zich kan vinden in de bepaling dat de bungalows twaalf weken per jaar moeten worden verhuurd (al dan niet via NHRS) en dat indien niet via NHRS wordt verhuurd, een verhuurvergoeding betaald moet worden. Dat op die manier verplichtingen in het leven werden geroepen, was dan ook een gegeven waar de koper bij het ondertekenen van de akte vanuit ging. Partijen hebben aldus een aantal aspecten van de verhuur via NHRS (bijvoorbeeld in de vorm van een verhuurbemiddelingsovereenkomst) willen regelen in de akte. Kortom: gelet op de bepalingen in de akte hadden de individuele eigenaren moeten en kunnen begrijpen wat de gevolgen hiervan waren of konden zijn. De VVE heeft gelet op het voorgaande onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat sprake is van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW. Dit geldt temeer nu de VVE stelt geen bezwaar te hebben tegen de tekst zelf van de akte, maar alleen tegen de wijze waarop die in een (veel) later stadium is uitgewerkt en toegepast. Gelet op het voorgaande zullen deze onderdelen van de vordering worden afgewezen. Overigens is de vraag of het toevoegen van de woorden ‘in overleg’ aan de akte in praktische zin wat op zou leveren voor de VVE, omdat partijen er nu juist al jarenlang niet in slagen om in overleg zaken te regelen. Aan een inhoudelijke beoordeling van dit punt komt de rechtbank gelet op het voorgaande echter niet toe.

Onderdelen III. en IV.

4.6.

De VVE stelt dat Recreatie Beheer ten onrechte forse bedragen ter zake ‘parkkosten’ aan de eigenaren in rekening heeft gebracht. De bedoelde bedragen vallen buiten het bereik van de artikelen 22 en 23 van de akte. De VVE en haar leden vorderen een verklaring voor recht en restitutie van de teveel betaalde bedragen vanaf 2010 door Recreatie Beheer.

4.7.

NHRS c.s. betwist het voorgaande. De eigenaren hebben zich verplicht tot betaling van de jaarlijkse parkkosten, lasten van onderhoud en kosten voor vervanging. In alle leveringsaktes zijn hiertoe artikelen opgenomen, waarvan de inhoud voor alle eigenaren gelijk is. In de artikelen is geen limitatieve opsomming opgenomen. De VVE is in de gelegenheid geweest om de administratie van Recreatie Beheer en de daarin verwerkte kosten te controleren. Daaruit is niet gebleken dat onterecht, onjuist of ongerechtvaardigd, kosten zijn berekend aan de eigenaren. Het overzicht dat de VVE aanbiedt als onderbouwing van haar vordering, is bovendien niet opgesteld door de VVE. Het overzicht is opgesteld door/namens Recreatie Beheer en onderbouwt de stellingen van de VVE niet.

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat de VVE, tegenover de gemotiveerde betwisting van NHRS c.s., het gevorderde bedrag van € 319.849,00 aan onterecht betaalde parkkosten onvoldoende heeft onderbouwd. De VVE heeft ter onderbouwing van deze vordering slechts de producties 18 en 23 overgelegd bij dagvaarding. Productie 18 is een overzicht dat is opgesteld door de accountant van Recreatie Beheer. Niet valt in te zien op welke wijze dit overzicht de vordering van de VVE onderbouwt, aangezien het een verantwoording is van de in rekening gebrachte kosten door Recreatie Beheer. Productie 23 is een overzicht waarvan ter zitting niet duidelijk is geworden wie dit heeft opgesteld. Bovendien is onduidelijk gebleven wat de reden is geweest voor het opstellen van dit overzicht. Daar tegenover heeft Recreatie Beheer aan de VVE en haar accountant Bouwhuis inzage gegeven in haar administratie en voornoemd overzicht overgelegd ter onderbouwing van haar facturen. Gelet op het voorgaande en de hoogte van het gevorderde bedrag heeft de VVE haar vorderingen onvoldoende onderbouwd. Dit geldt temeer nu Recreatie Beheer de niet onderbouwde stellingen van de VVE per kostenpost gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank zal deze onderdelen van de vordering dan ook afwijzen.

in reconventie

4.9.

Het bezwaar van de eigenaren tegen een gedeelte van de vermeerdering van eis van NHRS c.s. is ter zitting reeds gegrond bevonden door de rechtbank, omdat die wijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank zal dit gedeelte van de wijziging (zoals omschreven bij randnummers 3.15 t/m 3.17 akte vermeerdering eis en hiervoor in 3.6 onder IX. en X.) daarom buiten beschouwing laten.

4.10.

De rechtbank beoordeelt eerst de onderdelen van de vordering die strekken tot betaling van bedragen aan c.q. verplichtingen van Recreatie Beheer. Vervolgens beoordeelt de rechtbank de onderdelen die zien op verplichtingen van de eigenaren jegens NHRS.

Recreatie Beheer

A. Naheffing

4.11.

De rechtbank beoordeelt hierna de onderdelen genoemd onder I. t/m VIII. van het petitum, voor zover deze zien op naheffing van de parkkosten over de jaren 2010 t/m 2016.

4.12.

NHRS c.s. stelt dat zij met de eigenaren is overeengekomen dat de parkkosten jaarlijks geïndexeerd worden en dat Recreatie Beheer gerechtigd, dan wel verplicht is de jaarlijkse kosten aan te passen aan de daadwerkelijke kosten van het voorgaande jaar. Uit onderzoek is gebleken dat de daadwerkelijke parkkosten over de jaren 2010 t/m 2016 structureel hebben afgeweken van de jaarlijkse parkkosten die over die jaren door de eigenaren zijn voldaan. Op 14 januari 2018 heeft Recreatie Beheer aan de eigenaren een brief gestuurd met het verzoek om betaling van deze achterstallige/aanvullende parkkosten.

4.13.

De eigenaren betwisten, kort gezegd, dat er een grond bestaat voor naheffing van de parkkosten. De daadwerkelijke kosten zijn namelijk lager dan de in rekening gebrachte kosten. Bovendien mag Recreatie Beheer alleen de parkkosten doorberekenen die specifiek genoemd zijn in de artikelen 22 en 23 van de akte.

4.14.

De rechtbank overweegt als volgt. In het artikel met als titel: ‘Kosten voorzieningen ter zake alternatieve energie/algemene voorzieningen’ in de akte staat, onder andere, het volgende:

“(…)

Indien de werkelijke kosten als hiervoor bedoeld structureel hoger respectievelijk lager blijken te zijn dan de in rekening gebrachte vergoeding, is de ondernemer gerechtigd respectievelijk verplicht om het jaarlijkse bedrag te verhogen respectievelijk te verlagen en aan te passen aan de hand van de daadwerkelijke kosten.
(…)”

4.15.

Kern van het geschil is op welke wijze voornoemde bepaling uitgelegd moet worden. Ter zitting is aan de orde geweest of op grond van deze bepaling het verhogen dan wel verlagen van de vergoeding mogelijk is met terugwerkende kracht. NHRS c.s. heeft daarop, overigens ongemotiveerd, aangegeven dat de naheffing gegrond is op de hiervoor geciteerde bepaling en dat deze ongelimiteerde, terugwerkende kracht heeft. Ook heeft NHRS c.s. aangegeven dat de mogelijkheid tot naheffing blijkt uit het feit dat de parkkosten steeds als voorschotten in rekening worden gebracht.

4.16.

De rechtbank is van oordeel dat de tekst van de bepaling in de akte geen deugdelijke grondslag biedt voor naheffing. Naheffing ziet namelijk uit de aard der zaak op een situatie in het verleden, terwijl de tekst van de bepaling: ‘jaarlijkse bedrag te verhogen’, ziet op een situatie in de toekomst. Uit de bepaling blijkt bovendien dat van ‘structureel’ hogere kosten sprake moet zijn, voordat de jaarlijks te betalen parkkosten kunnen worden verhoogd. Dit duidt erop dat een bepaalde tijd moet zijn verstreken voordat tot verhoging kan worden overgegaan. De strekking van de bepaling in de akte is dat eerst gekeken moet worden of de werkelijke kosten wijzigen en zo ja of ze structureel wijzigen, en dat daarna de jaarlijkse vergoeding pas kan worden aangepast voor de toekomst. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank NHRS c.s. dan ook niet in haar standpunt dat de mogelijkheid tot naheffing bestaat op grond van het feit dat steeds voorschotnota’s zijn gestuurd.

4.17.

Daar komt nog bij dat de door NHRS c.s. gevorderde bedragen niet voldoende zijn onderbouwd. NHRS c.s. heeft namelijk slechts verwezen naar de brief van 14 januari 2018 (productie 3 bij haar dagvaarding). Gelet op de gemotiveerde betwisting door de eigenaren had het op de weg van NHRS c.s. gelegen om, gelet op haar stelplicht, de bedragen nader de onderbouwen c.q. te verduidelijken. De bedragen vermeld in voornoemde brief sluiten namelijk niet aan op de bedragen zoals opgenomen in het petitum. Ook op grond hiervan wordt deze vordering afgewezen.

B. Voorschotnota’s 2019 en 2020

4.18.

NHRS c.s. heeft bij de onderdelen I. t/m VIII. van het petitum (akte overlegging producties tevens houdende akte vermeerdering eis) betaling gevorderd van de reguliere voorschotnota’s van 2019 en 2020, vermeerderd met rente. Kort gezegd stelt zij dat een aantal eigenaren ( [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 18] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 20] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 10] , [gedaagde sub 16] , [gedaagde sub 17] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 11] en [gedaagde sub 15] ) de voorschotnota’s met betrekking tot de parkkosten 2019 en 2020 gedeeltelijk of in het geheel niet heeft voldaan. NHRS c.s. heeft ter onderbouwing van deze vordering de betreffende voorschotnota’s overgelegd.

4.19.

De eigenaren hebben deze vordering niet betwist. Zij hebben slechts aangegeven dat de meeste vermeerderingen van eis een feitelijke update betreffen van de actualiteit ten aanzien van de reeds voorgelegde geschilpunten. Tegen die vermeerderingen is geen bezwaar, aldus de eigenaren.

4.20.

Nu de vordering inhoudelijk niet wordt betwist en de vordering de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal deze worden toegewezen behoudens het navolgende. De verschuldigde rente zal worden toegewezen vanaf het moment van de vervaldata van de facturen. Gesteld noch gebleken is dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt om tot incasso van die nota’s over te gaan. Voor zover dergelijke kosten zijn gevorderd, worden deze afgewezen.

C. Aanwezigheid Recreatie Beheer

4.21.

Recreatie Beheer stelt dat op haar geen enkele verplichting rust om aanwezig c.q. bereikbaar te zijn tijdens kantooruren. De rechtbank en het gerechtshof hebben in een andere procedure (bij wijze van voorlopige voorziening) ten onrechte geoordeeld dat er tijdens kantooruren iemand namens Recreatie Beheer fysiek aanwezig moet zijn, dan wel bereikbaar is met het doel binnen 30 minuten fysiek aanwezig te kunnen zijn. Ook wordt betwist dat aanwezigheid tijdens kantooruren verwacht kan worden, omdat de openingstijden van de receptie afhankelijk zijn van de bezetting op het bungalowpark. Van Recreatie Beheer kan niet gevergd worden dat iemand tijdens kantooruren te allen tijde, dan wel binnen een uur nadat iemand contact heeft opgenomen, op het bungalowpark aanwezig is, zeker niet op een dag dat niemand zich heeft aangemeld en geen van de bungalows verhuurd wordt.

4.22.

De VVE en de eigenaren betwisten het voorgaande. Zij voeren aan dat Recreatie Beheer reeds meerdere malen personen heeft verhinderd, en waarschijnlijk ook zal blijven verhinderen, om toegang te krijgen tot het bungalowpark. Daarnaast is gebleken dat Recreatie Beheer lang niet altijd bereikbaar is tijdens kantooruren. Het in stand laten van de beslissingen van de rechtbank en het gerechtshof is daarom noodzakelijk.

4.23.

De rechtbank leest in de gevorderde verklaring voor recht dat deze, kort gezegd, alleen betrekking heeft op een volgens Recreatie Beheer bestaande plicht voor haar om aanwezig te zijn op het bungalowpark. Er is echter niet gesteld of gebleken dat een dergelijke plicht voor Recreatie Beheer op dit moment bestaat, noch op grond van een uitspraak van een rechter noch anderszins. In de kort geding-procedure is door de voorzieningenrechter weliswaar geoordeeld over het aanwezig en bereikbaar zijn van Recreatie Beheer, maar daaruit volgt geen plicht voor Recreatie Beheer om te allen tijde aanwezig te zijn op het bungalowpark. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij vonnis van 10 april 2017 namelijk, onder andere, het volgende beslist:

“5.1 beveelt Recreatie Beheer onmiddellijk na betekening van dit vonnis alle van tevoren door eigenaren aangekondigde bezoekers van huurders of eigenaren, leveranciers en/of opdrachtnemers van eigenaren toegang tot het park te verlenen (…)

5.2

beveelt Recreatie Beheer onmiddellijk na betekening van dit vonnis zorg te dragen dat te allen tijde tijdens gebruikelijke kantooruren iemand aanwezig dan wel bereikbaar is teneinde huurders en/of leveranciers toe te laten op het bungalowpark (…)”

Deze beslissing is toegelicht in rechtsoverweging 4.10 van genoemd vonnis. Het gerechtshof heeft bij arrest van 7 augustus 2018 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en daarnaast Recreatie Beheer – kort gezegd – bevolen om: “ervoor zorg te dragen te allen tijde in elk geval bereikbaar te zijn in geval van noodsituaties”. Uit geen van voornoemde beslissingen volgt een plicht voor Recreatie Beheer om ‘te allen tijden op het bungalowpark aanwezig te zijn’. Dat op een andere grond een plicht bestaat om permanent aanwezig te zijn is niet gesteld. Gelet op het voorgaande heeft Recreatie Beheer geen belang bij de vordering, die kennelijk berust op een onjuiste lezing van de uitspraken in kort geding. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

NHRS

4.24.

NHRS c.s. stelt, kort gezegd, dat de eigenaren verplicht moeten worden om binnen een bepaalde termijn voor de betreffende huurperiode aan te geven wanneer welke huurders worden verwacht en om binnen een bepaalde termijn voor die huurperiode de verhuurvergoeding te betalen. NHRS legt hieraan ten grondslag dat een aantal eigenaren niet, althans pas op het allerlaatste moment, aan haar meldt dat er een huurder komt. Het is van belang dat huurders tijdig worden aangemeld, zodat NHRS inzichtelijk kan krijgen welke eigenaar op welk moment een verhuurvergoeding verschuldigd is, zodat zij deze vergoeding tijdig in rekening kan brengen en deze voor aanvang van de huurperiode betaald kan worden.

4.25.

De eigenaren verzetten zich tegen voornoemde vorderingen en voeren hiertoe, kort gezegd, het volgende aan. Er is geen juridische grondslag voor het gevorderde en er is geen redelijk argument aangedragen door NHRS c.s. De eigenaren erkennen dat is afgesproken dat verhuur per e-mail gemeld zal worden aan NHRS, maar noch aan die melding noch aan de betaling van de verhuurvergoeding is een termijn verbonden. Bovendien moeten, bij het ontbreken van overeengekomen termijnen, redelijke termijnen worden gehanteerd en dat gebeurt in de praktijk al door de eigenaren.

4.26.

De rechtbank is met de eigenaren van oordeel dat er voor het stellen van een termijn voor voornoemde mededeling dan wel betaling geen, contractuele of andere, grondslag is. Het had op de weg gelegen van NHRS c.s. om deze te stellen en bij betwisting nader te onderbouwen. Nu zij dit niet heeft gedaan, slaagt het verweer en zal deze vordering worden afgewezen.

4.27.

Nu de vorderingen die betrekking hebben op NHRS worden afgewezen, worden de daarmee samenhangende gevorderde dwangsommen eveneens afgewezen.

in conventie en in reconventie

4.28.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 18] , ieder voor zich, om aan Recreatie Beheer te betalen een bedrag van € 5.500,08, te vermeerderen met de contractueel verschuldigde rente van 1% over dit bedrag vanaf de vervaldata van de facturen tot aan de dag van algehele betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 20] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 10] , ieder voor zich, om aan Recreatie Beheer te betalen een bedrag van € 2.783,99, te vermeerderen met de contractueel verschuldigde rente van 1% over dit bedrag vanaf de vervaldatum van de factuur tot aan de dag van algehele betaling,

5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 16] om aan Recreatie Beheer te betalen een bedrag van € 2.154,65, te vermeerderen met de contractueel verschuldigde rente van 1% over dit bedrag vanaf de vervaldatum van de factuur tot aan de dag van algehele betaling,

5.6.

veroordeelt [gedaagde sub 17] om aan Recreatie Beheer te betalen een bedrag van € 5.637,28, te vermeerderen met de contractueel verschuldigde rente van 1% over dit bedrag vanaf de vervaldata van de facturen tot aan de dag van algehele betaling,

5.7.

veroordeelt [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 11] en [gedaagde sub 15] , ieder voor zich, om aan Recreatie Beheer te betalen een bedrag van € 34,65, te vermeerderen met de contractueel verschuldigde rente van 1% over dit bedrag vanaf de vervaldatum van de factuur tot aan de dag van algehele betaling,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst de overige vorderingen af,

5.10.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate, mr. I.H. Lips en mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2020.1

1 type: IV coll: AH