Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6459

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
C/15/298168 / HA ZA 20-28
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Burenrecht. 1. Moet kadastrale erfgrens in overeenstemming gebracht worden met feitelijke erfgrens? Bezit strook grond ex art. 3:107 e.v. BW. Geen verkrijgende verjaring ex artikel 3:99 BW, want bezit niet te goeder trouw. Bezit door bevrijdende verjaring ex artikel 3:105 en 3:306 BW? Bewijsopdracht dat eiser strook grond 20 jaar in bezit heeft gehad. 2. Vordering verwijdering ramen die uitzicht geven op erf ex artikel 5:50 BW. Onderbroken verjaring vanwege aan- en afwezigheid haag voor ramen? Bewijsopdracht voor eigenaar erf dat vóór 2003 geen uitzicht bestond op zijn erf door aanwezigheid haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/298168 / HA ZA 20-28

Vonnis van 19 augustus 2020

in de zaak van

1 [eiser] ,

2. [eiseres],

beiden wonende te [woonplaats]

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. S.N. Peijnenburg te Purmerend,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.P. Groen te Hoorn NH.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 december 2019 met producties 1 t/m 5,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met producties 1 t/m 9,

  • -

    het vonnis van 4 maart 2020,

  • -

    het rolbericht van 2 juni 2020 van [gedaagden] met productie 10,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte overlegging producties van 9 juni 2020 met producties 6 t/m 11,

  • -

    de gewijzigde conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte overlegging producties van 12 juni 2020,

  • -

    de akte overlegging producties van [gedaagden] met producties 11 t/m 18,

  • -

    het proces-verbaal van de descente van 6 juli 2020,

  • -

    de tijdens de mondelinge behandeling van 6 juli 2020 overgelegde comparitie-aantekeningen van mr. Groen en twee foto’s (één van [eisers] en één van [gedaagden] ) en

  • -

    de brief van 17 juli 2020 van [gedaagden] met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn buren van elkaar. [eisers] is sinds 1978 eigenaar van het perceel aan de [adres] 628 te [plaats] . [gedaagden] is sinds 2019 eigenaar van het perceel aan de [adres] 630 te [plaats] . [gedaagden] heeft het perceel gekocht van mevrouw [naam] , die op haar beurt het perceel had gekocht in 2006.

2.2.

De kadastrale grens tussen de percelen van partijen bevindt zich, in elk geval sinds 1980, op de plaats zoals weergegeven in het relaas van bevindingen van het Kadaster van 8 mei 2020, zie hieronder:

2.3.

In de zijgevel van de woning van [eisers] (hierna: de woning) bevinden zich, binnen twee meter van de erfgrens, zeven ramen die uitzicht geven op het erf van [gedaagden]

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de juridische erfgrens (inmiddels) is gelegen op 80 cm vanuit de gevel van het opstal van eisers,

II. gedaagden verbiedt de erfgrens aan te tasten, het aanbrengen van wijzigingen daaronder begrepen, op straffe van een dwangsom van € 50.000,- per overtreding te vermeerderen met € 1.000,- per dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt, dan een in goede justitie te bepalen dwangsom, zulks met de bepaling dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor deze dwangsom,

III. gedaagden veroordeelt om binnen twee weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis mee te werken aan de wijziging van de kadastrale erfgrens, zulks met de bepaling dat onderhavig vonnis in de plaats treedt van deze medewerking indien gedaagden met de medewerking in gebreke blijven,

IV. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten van dit geding, waaronder (na)salaris advocaat.

3.2.

[gedaagden] concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagden] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

in onvoorwaardelijke reconventie:

[eisers] veroordeelt de zeven ramen in zijn zijgevel die uitzicht geven op het erf van [gedaagden] , te verwijderen, althans deze volgens de eisen van artikel 5:51 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vaststaand en ondoorzichtig te maken, althans [eisers] in dit kader veroordeelt tot iedere voorziening die de rechtbank geraden voorkomt, op straffe van het verbeuren van een dwangsom ineens van € 5.000,- en € 100,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 25.000,-,

in voorwaardelijke reconventie:

[eisers] veroordeelt de strook grond waarvan in conventie eventueel vast komt te staan dat deze geheel of gedeeltelijk door verjaring eigendom is geworden van [eisers] , bij wijze van schadevergoeding in natura terug over te dragen aan [gedaagden] , op straffe van het verbeuren van een dwangsom ineens van € 5.000,- en € 100,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 25.000,- en bepaalt dat het vonnis in reconventie zo nodig in de plaats van de daartoe mede namens [eisers] op te maken akte van levering treedt, althans in dit kader iedere voorziening treft die de rechtbank geraden voorkomt,

in voorwaardelijke en onvoorwaardelijke reconventie:

[eisers] veroordeelt in de kosten van de procedure, met bepaling dat [eisers] daarover de wettelijke rente verschuldigd is als hij deze kosten niet binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis in deze zaak voldoet.

3.5.

[eisers] concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Kern van het geschil is of [eisers] de strook grond gelegen tussen de kadastrale/juridische erfgrens en de feitelijke erfgrens (hierna: de strook grond) door bevrijdende verjaring in eigendom heeft verkregen.

4.2.

[eisers] stelt – kort gezegd – dat de kadastrale erfgrens in het kader van ruilverkaveling in 1980 onjuist is bepaald. De feitelijke erfgrens lag in 1978 – en ligt nu nog – op 80 centimeter, gemeten vanaf de gevel van de woning. De kadastrale erfgrens is echter bepaald op 20 centimeter ter hoogte van de hoek aan de straatzijde van de woning, oplopend tot 45 centimeter op de hoek aan de tuinkant van de woning. Partijen en hun rechtsvoorgangers hebben nooit uitvoering gegeven aan deze kadastrale grens. De feitelijke erfgrens wordt aangeduid door een laag muurtje (hierna: het lage muurtje) dat tegen de 80 centimeter grens aan ligt, al sinds 1978 aanwezig is en nooit is vervangen. [eisers] heeft het grindpad tussen het muurtje en de woning aangelegd en altijd onderhouden. Hij is bezitter van de strook grond sinds 1978. [naam] en [eisers] hebben afgesproken dat, indien de kadastrale grens zou afwijken van de feitelijke grens, zij de kadastrale registratie zouden laten aanpassen aan de feitelijke situatie, zodat hierover nooit meer discussie zou kunnen ontstaan. [eisers] heeft de strook grond door bevrijdende verjaring in eigendom verkregen. De strook grond is hieronder in geel schematisch weergegeven.

4.3.

[gedaagden] betwist het voorgaande en voert – kort gezegd – het volgende aan. De kadastrale erfgrens ligt in elk geval sinds 1897 al op de plaats zoals het Kadaster in 2020 heeft ingemeten. [eisers] heeft geen bezitsdaden gepleegd. Daardoor is er geen verjaringstermijn gaan lopen. Als [eisers] al bezitter zou zijn en er een verjaringstermijn zou zijn aangevangen, is [eisers] niet te goeder trouw, omdat hij erkent te weten dat de kadastrale/juridische erfgrens verschilt van de thans feitelijke erfgrens.

[naam] beschouwde de strook grond als haar eigendom en zij heeft niet met [eisers] afgesproken de kadastrale erfgrens aan te passen. In de koopovereenkomst tussen [naam] en [gedaagden] staat dan ook opgenomen dat [eisers] de strook grond in ‘gebruik’ heeft (en niet in bezit).

Bezit

4.4.

De vraag of sprake is van bezit dient te worden beantwoord aan de hand van wat bepaald is in de artikelen 3:107 en verder BW. Artikel 3:107 BW omschrijft bezit als het houden van een goed voor zichzelf. Daaronder wordt verstaan het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Artikel 3:108 BW bepaalt dat de vraag of iemand een goed voor zichzelf houdt, wordt beoordeeld naar verkeersopvattingen, met inachtneming van de regels die in artikel 3:108 BW en volgende artikelen worden gegeven en overigens op grond van uiterlijke feiten. De (niet naar buiten blijkende) interne wil om als rechthebbende op te treden, is voor het zijn van bezitter niet van belang. Het komt aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. De bezitter zal zich zo moeten gedragen dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Van verjaring kan dus pas sprake zijn als de werkelijk rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, uit de gedragingen van degene die zich op verjaring wil beroepen, duidelijk kan opmaken dat deze pretendeert rechthebbende te zijn, zodat hij tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen.

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat [eisers] het grindpad op de strook grond heeft aangelegd, altijd heeft onderhouden en dat de strook grond, in elk geval sinds 2000, niet voor [gedaagden] of zijn rechtsvoorgangers toegankelijk is geweest. [gedaagden] heeft dit weliswaar betwist, maar niet gemotiveerd. Het feit dat de strook grond technisch gezien (al dan niet door middel van een deur in een hek) toegankelijk was voor [gedaagden] en zijn rechtsvoorgangers, maakt dit niet anders. Nergens blijkt namelijk uit dat zij zich ook daadwerkelijk toegang hebben verschaft. In die zin heeft [eisers] dan ook feitelijke macht uitgeoefend over de strook grond.

Ook op grond van uiterlijke feiten kan [eisers] als bezitter van de strook grond worden aangemerkt. Tijdens de descente is geconstateerd dat het voor personen die langs de percelen van partijen lopen, door het muurtje en hek daarbovenop, lijkt alsof de strook grond met grind behoort tot het perceel van [eisers]

Gelet op het voorgaande konden [gedaagden] en zijn rechtsvoorgangers uit de gedragingen van [eisers] duidelijk opmaken dat [eisers] pretendeerde rechthebbende te zijn.

Dat in de koopovereenkomst tussen [naam] en [gedaagden] staat: ‘buren [adres] 628 gebruiken gedeelte van onze grond’ en niet wordt gesproken over “bezit”, maakt het voorgaande niet anders. Bij de beoordeling of sprake is van bezit wordt het toetsingskader gebruikt zoals hiervoor onder 4.4 is genoemd. Het gaat dus niet alleen om de bewoordingen van één van de betrokken partijen of hun rechtsvoorgangers.

De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagden] als bezitter van de strook grond kan worden aangemerkt.

Verkrijgende verjaring

4.6.

De vraag is vervolgens of [eisers] de strook grond als bezitter heeft verkregen door verjaring. Uit artikel 3:99 lid 1 BW volgt dat een goed door een bezitter te goeder trouw kan worden verkregen door een onafgebroken bezit van tien jaren.

Naar het oordeel van de rechtbank kan [eisers] niet beschouwd worden als bezitter te goede trouw. Het staat namelijk tussen partijen onweersproken vast dat uit het Kadaster kenbaar is hoe, in ieder geval vanaf 1980, de erfgrens tussen de percelen loopt en dat de feitelijke erfgrens daarvan afwijkt. [eisers] wist dan ook dat de strook grond eigendom was van [gedaagden] dan wel zijn rechtsvoorgangers.

Overigens volgt de rechtbank [eisers] niet in zijn standpunt dat de kadastrale erfgrens met de ruilverkaveling in 1979/1980 onjuist is neergelegd. [gedaagden] heeft dit namelijk voldoende gemotiveerd betwist door kadastrale kaarten over te leggen van vóór die tijd, zelfs daterend uit 1897. Het staat dan ook vast dat de huidige kadastrale erfgrens zich op dezelfde plaats bevindt sinds 1897. Het beroep op verkrijgende verjaring wordt verworpen.

Bevrijdende verjaring

4.7.

Op grond van artikel 3:105 lid 1 BW verkrijgt hij die een goed bezit dat goed op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De in artikel 3:105 BW bedoelde verjaringstermijn is twintig jaar (artikel 3:306 BW). Voor het intreden van de verjaring is niet van belang wie de onrechtmatige toestand in het leven heeft geroepen en of er wisseling heeft plaatsgevonden in de persoon tegen wie de vordering tot opheffing van die toestand moet worden gericht. Voor verkrijging uit hoofde van artikel 3:105 BW is slechts vereist dat degene die zich op die verkrijging beroept ( [eisers] ) het bezit heeft op het moment waarop de extinctieve verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid.

4.8.

De vraag is of de verjaringstermijn van twintig jaar is verstreken op 21 oktober 2019 (de datum van de brief waarin de advocaat van [eisers] zich voor het eerst beroept op verjaring). De rechtbank overweegt dat niet is komen vast te staan dat het lage muurtje, dat volgens [eisers] de feitelijke erfgrens aangeeft, al twintig jaar of meer op diezelfde plaats staat. [gedaagden] heeft dit standpunt van [eisers] namelijk voldoende gemotiveerd betwist door aan te voeren dat het lage muurtje op productie 6 (overgelegd door [eisers] ) op een andere plaats staat dan nu. Deze foto uit – zoals [eisers] stelt – eind jaren ‘70 (foto links) is naar het oordeel van de rechtbank geen nadere onderbouwing van de stelling van [eisers] op dit punt. De rechtbank is met [gedaagden] van oordeel dat uit een vergelijking tussen deze foto en de foto die genomen is tijdens de descente (foto rechts) volgt dat het muurtje eind jaren ’70 dichterbij de woning lag dan nu en het dus niet dezelfde situatie betreft.

Gelet op de onderbouwde stelling van [eisers] en de gemotiveerde betwisting door [gedaagden] op dit punt zal de rechtbank de gelegenheid geven voor bewijslevering. Gelet op de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust de bewijslast op [eisers] wordt in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat het lage muurtje al sinds vóór 1978 tegen de 80 centimeter grens aan ligt (vanuit de gevel van de woning gemeten), nooit is vervangen en dat [eisers] sinds 21 oktober 1999 of reeds daarvoor de strook grond in bezit heeft gehad.

in reconventie

onvoorwaardelijk

4.9.

Kern van het geschil is of [eisers] de ramen in de zijgevel van zijn woning die uitzicht geven op het erf van [gedaagden] dient te verwijderen of vaststaand en ondoorzichtig dient te maken.

4.10.

[gedaagden] stelt, voor het eerst bij brief van 12 oktober 2019, dat de aanwezigheid van zeven ramen in de zijgevel van de woning in strijd is met artikel 5:50 lid 1 of 5:51 BW, omdat hij geen toestemming heeft gegeven voor deze ramen. [eisers] verweert zich met de stelling dat deze vordering verjaard is, omdat de ramen in 1978 al aanwezig waren.

[gedaagden] stelt hier – kort gezegd – tegenover dat [eisers] niet heeft gesteld of aangetoond dat de ramen al meer dan twintig jaar uitzicht bieden op het erf van [gedaagden] Tot 2003 stond er namelijk een taxushaag, waardoor de ramen geen uitzicht gaven op het erf van [gedaagden] De verjaringstermijn van twintig jaar is daarmee niet voltooid, aldus [gedaagden]

[eisers] betwist dat de aanwezigheid van de taxushaag van invloed is op de verjaring, omdat de haag nooit hoger is geweest dan de ramen, waardoor er steeds uitzicht is geweest op het erf van [gedaagden]

4.11.

De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat de ramen op dit moment uitzicht geven op het erf van [gedaagden] De vraag is hoe lang dat al het geval is.

Op grond van artikel 3:314 lid 1 BW begint de termijn van verjaring van een rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand met aanvang van de dag, volgende op die waarop de onmiddellijke opheffing van die toestand gevorderd kan worden. Tussen partijen is niet – langer – in discussie dat de ramen al in 1978 op deze plaats aanwezig waren (tekeningen etc.). Dat is meer dan twintig jaar vóór 12 oktober 2019. Het verstrijken van de verjaringstermijn is daarmee in beginsel gegeven.

[gedaagden] stelt echter dat gedurende een bepaalde periode de aanwezigheid van een taxushaag ervoor zorgde dat de ramen geen uitzicht boden op het perceel van [gedaagden] Het wegnemen van de onrechtmatige toestand, in voorkomend geval dus door de aanwezigheid van een haag die het uitzicht belet, heeft naar het oordeel van de rechtbank tot gevolg dat er ook geen verwijdering van de ramen kon worden gevorderd. De lopende verjaringstermijn is daardoor afgebroken. [gedaagden] zal overeenkomstig zijn bewijsaanbod op dit punt in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat er vóór 2003, toen er volgens hem een hek is neergezet in plaats van de taxushaag, geen uitzicht bestond door de ramen van [eisers] op het erf van [gedaagden]

voorwaardelijk

4.12.

De voorwaarde, het geheel of gedeeltelijk toewijzen van een of meer vorderingen in conventie, is niet ingetreden. Onbekend is of deze voorwaarde later in de procedure nog zal intreden. Daarom zal de beslissing op dit punt worden aangehouden.

in conventie en reconventie

4.13.

Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

4.14.

Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

draagt [eisers] op te bewijzen dat het lage muurtje al sinds vóór 1978 tegen de 80 centimeter grens aan ligt (vanuit de gevel van de woning gemeten), nooit is vervangen en dat [eisers] sinds 21 oktober 1999 of reeds daarvoor de strook grond in bezit heeft gehad,

in reconventie

5.2.

draagt [gedaagden] op te bewijzen dat er vóór 2003 geen uitzicht bestond door de ramen van [eisers] op het erf van [gedaagden] ,

in conventie en reconventie

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 september 2020 voor uitlating door partijen of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.4.

bepaalt dat partijen, indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

5.5.

bepaalt dat partijen, indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober tot en met december 2020 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.6.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. L.J. Saarloos in het gerechtsgebouw te Alkmaar aan Kruseman van Eltenweg 2,

5.7.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk tien dagen voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2020.1

1 type: IEV coll: LJS