Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6364

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
22-10-2020
Zaaknummer
HAA 19/2162
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaard het beroep ongegrond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres de gemaakte specifieke zorgkosten niet aannemelijk gemaakt. Tevens kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de aanslag is herzien wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid en heeft verweerder dan ook terecht geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-10-2020
FutD 2020-3136
V-N Vandaag 2020/2558
V-N 2020/57.31.26
NTFR 2020/3192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2162

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2020 in de zaak tussen

[X] wonende te [Z] , eiseres,

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2016 met dagtekening 27 oktober 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.391. Voorts is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 8.

Verweerder heeft op 29 november 2017 een bezwaarschrift van eiseres ontvangen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag ib/pvv 2016 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.959, met dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020 te Haarlem.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde J.A. Klaver. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden [A] en

mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is geboren op [#] en had geen fiscaal partner.

2. Een van de kinderen van eiseres, [C] , geboren op [#] (hierna: de dochter), woonde in het onderhavige jaar op het adres [D] . Op dit adres is de antroposofische zorginstelling [E] gevestigd, een instelling van [F] voor mensen met een geestelijke handicap.

3. Eiseres heeft op 29 maart 2017 de papieren aangifte over 2016 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.885. De aangifte bestaat uit een inkomen uit vroegere dienstbetrekking van € 17.393, waarop een bedrag van € 740 als specifieke zorgkosten en € 1.768 als uitgaven weekendbezoek gehandicapte kinderen in aftrek is gebracht.

4. Verweerder heeft op 18 april 2017 de papieren aangifte digitaal verwerkt. In de digitale verwerking zijn de bedragen van de in de papieren aangifte vermelde looninkomsten tot het juiste bedrag berekend: € 17.391 in plaats van € 17.393. Het verzamelinkomen bedraagt € 14.883. De voorlopige aanslag ib/pvv 2016 is met dagtekening 23 juni 2017 door verweerder aan eiseres opgelegd.

5. Verweerder heeft eiseres bij brief met dagtekening 24 juni 2017 om informatie verzocht over de aangifte ib/pvv 2016. Eiseres heeft op 24 augustus 2017, ontvangen door verweerder 28 augustus 2017, hierop gereageerd.

6. Verweerder heeft bij brief met dagtekening 21 september 2017 eiseres bericht voornemens te zijn om bij het opleggen van de aanslag af te wijken van de aangifte. Eiseres heeft op 2 oktober 2017, ontvangen door verweerder op 5 oktober 2017, hierop gereageerd.

7. Verweerder heeft met dagtekening 27 oktober 2017 de aanslag ib/pvv 2016 aan eiseres opgelegd. Daarbij heeft verweerder de door eiseres geclaimde aftrek specifieke zorgkosten en uitgaven weekendbezoek gehandicapte kinderen verlaagd naar nihil.

9. Verweerder heeft op 1 december 2017 het bezwaarschrift van eiseres tegen de aanslag ib/pvv 2016 ontvangen.

10. Verweerder heeft bij brief met dagtekening 5 juni 2018 een vooraankondiging op het bezwaarschrift aan eiseres verstuurd.

11. Eiseres heeft op 17 oktober 2018, ontvangen door verweerder op 19 oktober 2018, meerdere stukken ingezonden ter onderbouwing van de aftrekposten. Tevens stelt eiseres dat het bedrag van de specifieke zorgkosten en uitgaven weekendbezoek gehandicapte kinderen verhoogd dient te worden van nihil naar € 1.985.

12. Op 29 oktober 2018 heeft een hoorgesprek met de gemachtigde van eiseres plaatsgevonden. Van het hoorgesprek is een verslag gemaakt.

13. Naar aanleiding van het hoorgesprek heeft eiseres op 20 november 2018, ontvangen door verweerder op 23 november 2018, twee verklaringen toegestuurd ter onderbouwing van de aftrekposten.

14. Verweerder heeft met dagtekening 26 maart 2019 uitspraak op bezwaar gedaan. Aan het bezwaar van eiseres tegen de aanslag ib/pvv 2016 is deels tegemoet gekomen, waarbij de aftrek specifieke zorgkosten wordt vastgesteld op € 436. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is derhalve € 16.959. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar tevens beslist op het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding van eiseres. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen, omdat hij van oordeel is dat de aanslag niet is herzien wegens een onrechtmatigheid die aan de Belastingdienst is te wijten, maar omdat de aanslag is herzien op grond van gegevens die eiseres pas laat in de bezwaarfase heeft verstrekt.

Geschil

15.
In geschil is of verweerder terecht en voor het juiste bedrag de aanslag ib/pvv 2016 aan eiseres heeft opgelegd.

16. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte de aftrek van de specifieke zorgkosten en weekenduitgaven voor gehandicapten heeft geweigerd. Teven stelt eiseres dat ten onrechte geen proceskostenvergoeding aan eiseres is toegekend in de bezwaarfase. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag.

17. Verweerder stelt dat de aanslag tot een juist bedrag aan eiseres is opgelegd. Eiseres heeft de specifieke zorgkosten en de weekenduitgaven voor gehandicapten niet aannemelijk gemaakt. Voorts stelt verweerder dat terecht de proceskostenvergoeding niet aan eiseres is toegekend, nu aan verweerder niet een onrechtmatigheid is te wijten, waardoor het bestreden besluit (de aanslag) werd herroepen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

18. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Aftrek specifieke zorgkosten

19. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, juncto het tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) komen voor aftrek in aanmerking de op eiseres drukkende uitgaven voor specifieke zorgkosten, te weten uitgaven wegens ziekte of invaliditeit, zoals die limitatief zijn opgesomd in artikel 6.17 van de Wet IB 2001 en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.

20. Artikel 6.17 van de Wet IB 2001 luidde in het onderhavige jaar – voor zover van belang – als volgt:

“1. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:

a. genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandelingen ter vervanging van bril of contactlenzen;

b. vervoer;

c. farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts;

[…]

g. extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.

h. reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de bezoeker bij aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde, indien de afstand tussen de woning of verblijfplaats van de bezoeker en de plaats waar de verpleging plaatsvindt, gemeten langs de meest gebruikelijke weg meer beloopt dan 10 kilometer.

[…]

6. De uitgaven bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, worden in aanmerking genomen indien wordt gereisd:

a. per auto anders dan per taxi: voor € 0,19 per kilometer;

b. op andere wijze: voor de werkelijke kosten.

[…]

9. voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt onder genees- en heelkundige hulp verstaan:

a. een behandeling door een arts;

b. een behandeling op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus;

c. een behandeling door een bij ministeriële regeling aan te wijzen paramedicus, mits voor de behandeling een verklaring door de paramedicus is afgegeven die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.”

Tandartskosten

21. Eiseres heeft voor bezoeken aan de tandarts kosten in aftrek gebracht voor een bedrag van € 151. Verweerder heeft, naar aanleiding van het verstrekte overzicht van de zorgverzekeraar door eiseres, € 76 in aftrek verleend. Eiseres heeft voor het meerdere niet aannemelijk gemaakt dat een hoger bedrag aan tandartskosten in aftrek moet worden toegelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aftrek terecht verleend voor € 76.

Homeopathisch arts

22. Eiseres heeft voor bezoeken aan [G] € 75 in aftrek gebracht. Eiseres heeft, tegenover de betwisting van verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat aan de voorwaarden wordt voldaan om de kosten in aftrek te kunnen brengen voor genees- en heelkundige hulp conform artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a juncto artikel 6.17, negende lid van de Wet IB 2001. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aftrek terecht geweigerd.

Reiskosten

23. Eiseres heeft voor bezoeken aan diverse medische instellingen reiskosten in aftrek gebracht voor een bedrag van € 159. Eiseres heeft, tegenover de betwisting van verweerder, geen stukken overgelegd op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat sprake is van reiskosten conform artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b juncto artikel 6,17, zesde lid van de Wet IB 2001. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aftrek terecht geweigerd.

Medicijnen

24. Eiseres heeft voor de medicijnen voorgeschreven door [G] € 107 in aftrek gebracht. Eiseres heeft, tegenover de betwisting van verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat de medicijnen op voorschrift van een arts zijn verstrekt conform artikel 6.17, eerste lid, onderdeel c van de Wet IB 2001. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aftrek terecht geweigerd.

Reiskosten ziekenbezoek dochter

25. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij recht heeft op aftrek van € 712 ter zake van kosten voor reizen in verband met het regelmatig bezoek van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen. Eiseres heeft gesteld dat haar dochter in een instelling van [F] verbleef en dat zij reiskosten heeft gemaakt om haar dochter te bezoeken. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt een verklaring van de heer [H] overgelegd, waarin hij verklaard dat hij 17 keer eiseres heeft gereden van [Z] naar [I] en vice versa. Verweerder heeft bestreden dat de dochter van eiseres in een instelling verblijft waar zij wordt verpleegd en bovendien heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt voor welk bedrag reiskosten door eiseres zijn gemaakt.

26. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder, geen stukken overgelegd, waaruit blijkt dat de dochter van eiseres in een instelling verblijft waar zij wordt verpleegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aftrek terecht geweigerd. Gelet hierop hoeven de overige met deze aftrekpost samenhangende punten geen verdere behandeling.

Weekendbezoek gehandicapte kinderen

27. Op grond van artikel 6.25, eerste lid, van de Wet IB 2001 zijn weekenduitgaven voor gehandicapten, voor zover hier van belang, de extra uitgaven die door een belastingplichtige worden gedaan om zijn ernstig gehandicapte kind te verzorgen, mits dit kind 21 jaar of ouder is en doorgaans in een inrichting verblijft. Artikel 20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) bepaalt dat iemand voor de toepassing van artikel 6.25 van de Wet IB 2001 als ernstig gehandicapt wordt beschouwd indien hij gelet op zijn beperkingen aanspraak maakt op opname in een bij of krachtens de Wet langdurige zorg geregelde intramurale inrichting.

28. Een persoon kan aanspraak maken op opname in een bij of krachtens de Wet langdurige zorg geregelde intramurale inrichting, indien zij daarvoor een indicatie heeft gekregen van het Centrum indicatiestelling zorg. Deze indicatie wordt afgegeven indien iemand 24 uur per dag toezicht of hulp nodig heeft.

29. Op eiseres rust, bij betwisting door verweerder, de bewijslast aannemelijk te maken dat de dochter van eiseres, overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit, opgenomen is in een intramurale inrichting, zodat eiseres op grond van artikel 6.25, eerste lid, van de Wet IB 2001 recht heeft op aftrek van weekenduitgaven voor gehandicapten.

30. Eiseres heeft, tegenover de betwisting door verweerder, niet onderbouwd dat haar dochter in een intramurale inrichting verblijft. Tevens heeft eiseres geen indicatie van het Centrum indicatiestelling zorg kunnen overleggen, waardoor de rechtbank van oordeel is dat eiseres niet in haar bewijslast is geslaagd. Gelet hierop hoeven de overige met deze aftrekpost samenhangende punten geen verdere behandeling.

Kostenvergoeding bezwaarfase

31. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de in de bezwaarfase gemaakte proceskosten, terwijl verweerder in de uitspraak op bezwaar op het punt van de weekenduitgaven voor gehandicapten deels tegemoet is gekomen aan het bezwaar van eiseres.

32. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanslag niet is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank overweegt het volgende:

33. In de aanslagregelende fase heeft verweerder vragen aan eiseres gesteld. Eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 24 augustus 2017 maar heeft daarbij, ten aanzien van de specifieke zorgkosten en weekenduitgaven voor gehandicapten geen stukken overgelegd. Eiseres heeft verweerder verzocht de bezwaarfase ten aanzien van de aanslag ib/pvv 2015 en de kostenaftrek af te wachten, nu de in aftrek gebrachte kosten in 2015 dezelfde kosten betreffen. Vervolgens heeft verweerder aan eiseres per brief van 21 september 2017 zijn voornemen af te wijken van de aangifte gestuurd, waarbij eiseres in de gelegenheid is gesteld vóór 5 oktober 2017 te reageren. Eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van

2 oktober 2017, maar heeft geen stukken overgelegd. Eiseres geeft in de brief aan dat in het verleden ditzelfde punt van discussie is geweest bij het Gerechtshof Amsterdam en eiseres toen in het gelijk is gesteld en de buitengewone kosten in aftrek zijn geaccepteerd.

34. Met dagtekening 12 oktober 2017 heeft verweerder eiseres bericht zijn voornemen om af te wijken van de aangifte te handhaven. De aanslag ib/pvv 2016 is met dagtekening 27 oktober 2017 aan eiseres opgelegd. In de bezwaarfase, na het indienen van het bezwaarschrift, heeft eiseres meerdere stukken overgelegd ter onderbouwing van de specifieke zorgkosten en weekenduitgaven voor gehandicapten. Tevens heeft eiseres gesteld dat de aftrek specifieke zorgkosten hoger is dan aangegeven in de aangifte, wegens tandartskosten. Op grond van deze stukken heeft verweerder de aftrek van een kunstgebit en de tandartskosten van € 432 verleend.

35. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de aanslag is herzien wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Dat eiseres de aftrek van specifieke zorgkosten en weekenduitgaven voor gehandicapten in haar aangifte heeft opgenomen en dat bezwaar is gemaakt tegen de aanslag ib/pvv 2015, waar het om dezelfde aftrek gaat, doet hieraan niet af. Hiermee is immers niet aannemelijk gemaakt dat eiseres recht heeft op de aftrek en zo ja tot welk bedrag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.

36. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

37. Ter zitting heeft eiser een verzoek tot vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2015, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Wanneer sprake is van samenhangende zaken wordt per fase van de procedure voor alle zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd (vgl. Hoge Raad 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2016:252).

38. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de aanslag ib/pvv 2016 op 1 december 2017 ontvangen. Verweerder heeft uitspraak op het bezwaar gedaan op 26 maart 2019. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, 1 december 2017, tot aan de uitspraak van de rechtbank van 21 augustus 2020 is meer dan twee jaar verstreken. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

39. Op grond van de arresten van de Hoge Raad van 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666 en 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:199 is een termijn van zes maanden voor de behandeling van een bezwaar redelijk en voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar. De rechtbank zal de toerekening van de overschrijding van de redelijke termijn bepalen met inachtneming van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Gelet op het feit dat de termijn op 1 december 2017 is aangevangen en de rechtbank uitspraak doet op 21 augustus 2020, is de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn (afgerond) 33 maanden. De redelijke termijn is derhalve overschreden met (afgerond) 9 maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Van het tijdsverloop in eerste aanleg dient de periode van negen maanden te worden toegerekend aan de bezwaarfase. Verweerder dient daarom de schadevergoeding van € 1.000 te betalen.

Proceskosten

40. Aangezien aan eiser een immateriële schadevergoeding wordt toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn is er aanleiding verweerder op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eiser. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525 en een factor 0,5 voor het gewicht van de zaak nu de proceskostenveroordeling enkel wordt toegekend omdat aan eiseres immateriële schadevergoeding wordt toegekend, zie Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep inzake de aanslag over het jaar 2016 ongegrond;

- veroordeelt verweerder in betaling van immateriële schadevergoeding tot een bedrag van

€ 1.000;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 525;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, op 21 augustus 2020, in aanwezigheid van mr. M. van Doesburg, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.