Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6346

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
22-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2663
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaard het beroep ongegrond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser de gemaakte specifieke zorgkosten niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-10-2020
FutD 2020-3136
V-N Vandaag 2020/2556
V-N 2020/57.31.8
NTFR 2020/3187
NLF 2020/2391 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2663 tot en met HAA 19/2666

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2020 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 tot en met 2014 met dagtekening 21 oktober 2017, navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd en voor het jaar 2015 met dagtekening 24 februari 2017 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.237 (2012),

€ 14.431 (2013), € 14.564 (2014) en € 14.685 (2015). Voorts is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 89 (2012), € 91 (2013), € 60 (2014) en € 19 (2015).

Verweerder heeft op 15 november 2017 bezwaarschriften van eiser ontvangen tegen de navorderingsaanslagen ib/pvv 2012 tot en met 2014 en op 14 juli 2017 een bezwaarschrift tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering inzake de aanslag ib/pvv 2015.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslagen ib/pvv 2012 tot en met 2014 gehandhaafd, alsook de aanslag ib/pvv 2015.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020 te Haarlem.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde J.A. Klaver. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is geboren op [#] , had geen fiscaal partner en is woonachtig op het adres [C] te [Z] .

2. De zus van eiser, [D] , geboren op [#] (hierna: zus), woonde in het onderhavige jaar op het adres [E] . Op dit adres is de antroposofische zorginstelling [F] gevestigd, een instelling voor mensen met een geestelijke handicap. Uit de Basisadministratie persoonsgegevens blijkt dat de zus van eiser niet op de [C] te [Z] woonachtig is geweest.

2012 (HAA 19/2663)

3. Eiser heeft op 31 maart 2013 digitaal aangifte over het jaar 2012 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.564. De aangifte bestaat uit een inkomen uit vroegere dienstbetrekking ter hoogte van € 15.237, waarop een bedrag van

€ 1.673 als specifieke zorgkosten in aftrek is gebracht.

4. Verweerder heeft met dagtekening 1 juni 2013 een voorlopige aanslag ib/pvv 2012 aan eiser opgelegd. Voorts heeft verweerder met dagtekening 27 september 2013 de definitieve aanslag ib/pvv 2012 aan eiser opgelegd. Beide aanslagen zijn conform de ingediende aangifte opgelegd.

2013 (HAA 19/2664)

5. Eiser heeft op 19 maart 2014 digitaal aangifte over het jaar 2013 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.545. De aangifte bestaat uit een inkomen uit vroegere dienstbetrekking ter hoogte van € 14.431, waarop een bedrag van

€ 1.886 als ‘Uitgaven specifieke zorgkosten’ in aftrek is gebracht.

6. Verweerder heeft met dagtekening 14 juni 2014 de definitieve aanslag ib/pvv 2013 aan eiser opgelegd, conform de ingediende aangifte.

2014 (HAA 19/2665)

7. Eiser heeft op 28 april 2015 digitaal aangifte over het jaar 2014 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.769. De aangifte bestaat uit een inkomen uit vroegere dienstbetrekking ter hoogte van € 14.564, waarop een bedrag van € 1.795 als ‘Uitgaven specifieke zorgkosten’ in aftrek is gebracht.

8. Verweerder heeft met dagtekening 4 september 2015 de definitieve aanslag ib/pvv 2014 aan eiser opgelegd, conform de ingediende aangifte.

Alle navorderingsaanslagen

9. Verweerder heeft eiser bij brieven met dagtekening 14 maart 2017 om informatie verzocht over de aangifte ib/pvv 2012 tot en met 2014. Eiser heeft bij brief van 20 maart 2017, ontvangen door verweerder 21 maart 2017, verzocht om uitstel voor de beantwoording van de vragen, welk uitstel is verleend door verweerder tot 1 juni 2017. Eiser heeft hierna niet meer op het verzoek om informatie gereageerd.

10. Verweerder heeft eiser bij brieven met dagtekening 5 september 2017 geïnformeerd over zijn voornemen om navorderingsaanslagen over de jaren 2012 tot en met 2014 op te leggen. Hierop heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 15 september 2017 gereageerd.

11. Verweerder heeft met dagtekening 21 oktober 2017 de navorderingsaanslagen ib/pvv 2012 tot en met 2014 aan eiser opgelegd. Daarbij heeft verweerder de door eiser geclaimde aftrek specifieke zorgkosten volledig gecorrigeerd.

12. Verweerder heeft op 15 november 2017 de bezwaarschriften van eiser tegen de navorderingsaanslagen ontvangen, welke eiser bij brief, ontvangen door verweerder op

2 januari 2018, nader heeft gemotiveerd.

2015 (HAA 19/2666)

13. Eiser heeft op 31 maart 2016 digitaal aangifte over het jaar 2015 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.938. De aangifte bestaat uit een inkomen uit vroegere dienstbetrekking ter hoogte van € 14.686, waarop een bedrag van

€ 1.748 als ‘Uitgaven specifieke zorgkosten’ in aftrek is gebracht.

14. Verweerder heeft met dagtekening 10 juni 2016 een voorlopige aanslag ib/pvv 2015 aan eiser opgelegd, conform de ingediende aangifte.

15. Verweerder heeft eiser bij brief met dagtekening 22 september 2016 geïnformeerd over zijn voornemen om de aftrek specifieke zorgkosten te verminderen tot nihil.

16. Bij brief van 18 oktober 2016 heeft de gemachtigde van eiser gereageerd op verweerder en meerdere stukken aan verweerder toegestuurd.

17. Verweerder heeft met dagtekening 24 februari 2017 de aanslag ib/pvv 2015 aan eiser opgelegd. Daarbij heeft verweerder de door eiser geclaimde aftrek specifieke zorgkosten volledig gecorrigeerd.

18. Verweerder heeft op 14 juli 2017 een bezwaarschrift van eiser tegen de aanslag ib/pvv 2015 ontvangen.

19. Verweerder heeft bij brieven van 23 oktober 2017 en 8 november 2017 nogmaals om informatie verzocht ten aanzien van de aftrek specifieke zorgkosten. Hierop heeft eiser bij brief, ontvangen door verweerder op 17 november 2017, gereageerd.

20. Verweerder heeft met dagtekening 24 november 2017 een vooraankondiging uitspraak op het bezwaarschrift aan eiser verstuurd. Tevens heeft de inspecteur aangegeven, nu het bezwaar niet binnen de termijn is ingediend, het bezwaar niet-ontvankelijk te zullen verklaren. Derhalve zal het bezwaarschrift behandeld worden als een verzoek om ambtshalve vermindering ingevolge artikel 9.6 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

21. Verweerder heeft met dagtekening 20 december 2017 de beschikking ambtshalve vermindering aan eiser verstuurd. Verweerder heeft het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.

22. Verweerder heeft op 16 januari 2018 een bezwaarschrift van eiser tegen de beschikking ambtshalve vermindering ontvangen.

Alle navorderingsaanslagen en aanslag 2015

23. Verweerder heeft bij brieven met dagtekening 14 maart 2018 een vooraankondiging op alle bezwaarschriften aan eiser verstuurd.

24. Op 28 juni 2018 heeft een hoorgesprek met de gemachtigde van eiser plaatsgevonden. Tijdens het hoorgesprek heeft de gemachtigde van eiser twee verklaringen – ondertekend op 17 januari 2018 door een casemanager van GGZ – overgelegd, waarin wordt verklaard dat eiser lijdt aan angstzweet. Van het hoorgesprek is een verslag gemaakt.

25. Verweerder het met dagtekening 7 mei 2019 uitspraken op bezwaar gedaan. Het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen ib/pvv 2012 tot en met 2014 is ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de beschikking ambtshalve vermindering ter zake van het jaar 2015 is afgewezen.

Geschil

26.
In geschil is of verweerder terecht en voor de juiste bedragen de navorderingsaanslagen ib/pvv 2012 tot en met 2014 en de aanslag ib/pvv 2015 aan eiser heeft opgelegd.

27. Eiser stelt dat ten onrechte de aftrek specifieke zorgkosten is geweigerd. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen en vermindering van de aanslag ib/pvv 2015.

28. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een ambtelijk verzuim en dat de opgelegde navorderingsaanslagen en de aanslag ib/pvv 2015 naar een juist bedrag zijn vastgesteld. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

29. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

30. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, juncto het tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) komen voor aftrek in aanmerking de op eiser drukkende uitgaven voor specifieke zorgkosten, te weten uitgaven wegens ziekte of invaliditeit, zoals die limitatief zijn opgesomd in artikel 6.17 van de Wet IB 2001 en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.

31. Artikel 6.17 van de Wet IB 2001 luidde in de onderhavige jaren – voor zover van belang – als volgt:

“1. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:

[…]

g. extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.

h. reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de bezoeker bij aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde, indien de afstand tussen de woning of verblijfplaats van de bezoeker en de plaats waar de verpleging plaatsvindt, gemeten langs de meest gebruikelijke weg meer beloopt dan 10 kilometer.”

Kleding en beddengoed

32. Eiser claimt aftrek voor extra kleding en beddengoed. Eiser heeft ook nadat verweerder hem daar om heeft verzocht, geen verklaring van een arts, overgelegd, waaruit blijkt dat sprake is van uitgaven voor extra kleding en beddengoed. Eiser heeft twee verklaringen van een casemanager van de GGZ overgelegd. De casemanager is geen arts of paramedicus, waardoor de verklaring niet aan de gestelde eisen van de wet voldoet om de kosten in aftrek te kunnen brengen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de aftrek terecht heeft geweigerd.

Reiskosten ziekenbezoek zus

33. Eiser claimt een aftrek van aan reiskosten wegens bezoeken aan zijn zus. De zus van eiser woont in een woonhuis van de instelling [G] . Uit de Basisadministratie persoonsgegevens blijkt niet dat eiser en zijn zus bij aanvang van de ziekte of invaliditeit op hetzelfde woonadres waren ingeschreven. Eiser heeft dienaangaande ook niets gesteld. Gelet hierop hoeven de overige met deze aftrekpost samenhangende punten geen verdere behandeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aftrek daarom terecht geweigerd.

34. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

35. Ter zitting heeft eiser een verzoek tot vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2015, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Wanneer sprake is van samenhangende zaken wordt per fase van de procedure voor alle zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd (vgl. Hoge Raad 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2016:252).

36. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de beschikking ambtshalve vermindering 2015 op 14 juli 2017 en het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslagen 2012 tot en met 2014 ontvangen op 15 november 2017. Verweerder heeft uitspraak op het bezwaar voor het jaar 2015 gedaan op 20 december 2017 en voor de jaren 2012 tot en met 2014 op 7 mei 2019. Vanaf de datum van ontvangst van het eerste bezwaarschrift, 14 juli 2017, tot aan de uitspraak van de rechtbank van 21 augustus 2020 is meer dan twee jaar verstreken. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

37. Op grond van de arresten van de Hoge Raad van 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666 en 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:199 is een termijn van zes maanden voor de behandeling van een bezwaar redelijk en voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar. De rechtbank zal de toerekening van de overschrijding van de redelijke termijn bepalen met inachtneming van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Gelet op het feit dat de termijn op 14 juli 2017 is aangevangen en de rechtbank uitspraak doet op 21 augustus 2020, is de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn (afgerond) 39 maanden. De redelijke termijn is derhalve overschreden met (afgerond) 15 maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.500. Van het tijdsverloop in eerste aanleg dient de periode van veertien maanden te worden toegerekend aan de bezwaarfase.

Verweerder dient daarom de schadevergoeding van € 1.500 te betalen.

38. Nu sprake is van samenhangende zaken stelt de rechtbank de totale vergoeding voor eiser voor de jaren 2012 tot en met 2015 vast op € 1.500. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.500 voor de overschrijding van de redelijke termijn in de eerste fase.

Proceskosten

39. Aangezien aan eiser een immateriële schadevergoeding wordt toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn is er aanleiding verweerder op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eiser. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525 en een factor 0,5 voor het gewicht van de zaak nu de proceskostenveroordeling enkel wordt toegekend omdat aan eiser immateriële schadevergoeding wordt toegekend, zie Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660).

Beslissing

De rechtbank verklaart:

- de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder in betaling van immateriële schadevergoeding tot een bedrag van

€ 1.500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, op 21 augustus 2020, in aanwezigheid van mr. M. van Doesburg, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.