Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6324

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 81
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW. Beroep ongegrond. Verweerder heeft terecht geen bijzondere bijstand toegekend voor tandartskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/81

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A. van Deuzen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder - voor zover hier van belang - de aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand voor tandartskosten op grond van de Participatiewet (PW) afgewezen.

Bij besluit van 28 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het

onderzoek ter zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek heden

gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 26 juli 2019 bijzondere bijstand aangevraagd voor tandartskosten tot een bedrag van € 720,60. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen, dat na bezwaar is gehandhaafd.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat voor tandartskosten de Zorgverzekeringswet (Zvw) geldt als een passende en toereikende voorliggende voorziening. Voor tandartskosten wordt dan ook geen bijzondere bijstand verleend, ook niet als deze kosten niet of slechts gedeeltelijk door de zorgverzekeraar worden vergoed. Volgens verweerder is geen sprake van een acute noodsituatie op grond waarvan een uitzondering voor eiseres kan worden gemaakt.

3. Eiser voert in beroep aan dat de kosten voor de tandarts noodzakelijk waren om zijn gebit te behouden. Verder waren de financiële reserves van eiser ten tijde van de aanvraag geheel uitgeput, omdat hij in diezelfde periode ook kosten heeft gemaakt voor rechtsbijstand en de verlenging van zijn verblijfsvergunning. Door diezelfde slechte financiële situatie was eiser ook niet in staat een aanvullende zorgverzekering af te sluiten. Verweerder geeft volgens eiser een te beperkte uitleg van de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over bijzondere bijstand voor medische kosten.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Op grond van de wet heeft eiser geen recht op bijzondere bijstand, als hij aanspraak kan maken op een zogenoemde ‘voorliggende voorziening’. Dit blijkt uit artikel 15, eerste lid, van de PW. Eiser heeft, anders gezegd, geen recht op bijzondere bijstand, als de tandartskosten op een andere manier, vanuit een andere voorziening, kunnen worden betaald.

4.2

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moeten de Zvw en het daarop gebaseerde Besluit zorgverzekering als een dergelijke voorliggende voorziening worden gezien (ECLI:NL:CRVB:2017:307). In deze regelgeving is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van kosten van tandheelkundige behandelingen, zodat aanvullende bijzondere bijstandsverlening voor die kosten niet aan de orde is, ook niet in het geval de kosten niet (volledig) door de voorliggende voorziening worden vergoed. Om deze reden heeft eiser in principe geen recht op bijzondere bijstand voor tandheelkundige zorg. Het enkele feit dat eiser niet aanvullend verzekerd is en om die reden de kosten niet (deels) vergoed zou krijgen, maakt niet dat geen sprake is van een voorliggende voorziening (zie rechtsoverweging 4.4 ECLI:NL:CRVB:2015:640).

4.3

Verweerder kan op grond van artikel 16 van de PW toch de tandartskosten vergoeden als daar zeer dringende redenen voor zijn. Voor het kunnen aannemen van zeer dringende redenen moet vaststaan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2362), kan van een acute noodsituatie worden gesproken indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben, waarbij ernstig letsel zowel psychisch als lichamelijk letsel kan omvatten. In wat eiser heeft aangevoerd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen acute noodsituatie als hiervoor bedoeld hoeven zien. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat wanneer de tandartskosten niet worden vergoed, er een situatie zal ontstaan die voor eiser levensbedreigend is of die blijvend ernstig lichamelijk of psychisch letsel of invaliditeit tot gevolg zal hebben. Verweerder heeft dan ook kunnen concluderen dat van zeer dringende redenen in het geval van eiser geen sprake is. Ook de omstandigheid dat de financiële reserves van eiser uitgeput zijn, maakt niet dat sprake is van dringende redenen om alsnog de tandartskosten te vergoeden. Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat verweerder een te beperkte uitleg van de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft gegeven over bijzondere bijstand voor medische kosten.

5. Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 20 augustus 2020 door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van I.M. Wijnker-Duiven, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.