Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6302

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
C/15/304706 / KG ZA 20-381
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

art. 5:56 BW meewerken aan veldonderzoek? misbruik van bevoegdheid? stikstofdepositie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0205
M en R 2020/91 met annotatie van F.C.S. Warendorf
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/304706 / KG ZA 20-381

Vonnis in kort geding van 11 augustus 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLIDAY INVESTMENTS B.V.,

statutair gevestigd te Beekbergen,

eiseres,

advocaat eerst jhr. mr. B.W.J.M. de Roy van Zuidewijn en vervolgens mr. T. Hekman te Amsterdam,

tegen

de stichting

STICHTING LANDSCHAP NOORD-HOLLAND,

statutair gevestigd en kantoor houdende te Heiloo,

gedaagde,

advocaat mr. J.C. Binnerts te Haarlem.

Partijen zullen hierna HI en LNH genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 juli 2020, met tien producties (genummerd 1 tot en met 9b);

  • -

    een bericht gedateerd 23 juli 2020 van mr. Binnerts voornoemd, met drie producties (genummerd G1 tot en met G3);

  • -

    een bericht van 24 juli 2020 met een aanvullende productie (genummerd 10) van de kant van HI;

  • -

    de mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 28 juli 2020;

  • -

    de pleitnota van HI;

  • -

    de pleitnota van LNH.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

HI exploiteert, onder de handelsnaam Droomparken, een onderneming gericht op het realiseren en exploiteren van vakantieparken in Nederland.

2.2.

LNH heeft natuurgebieden in de provincie Noord-Holland in erfpacht en beheert deze. Artikel 2 lid 1 van de statuten van LNH luidt als volgt:

Doelstelling
Artikel 2
1. De stichting stelt zich als specifiek Noord-Hollandse organisatie ten doel met, door en voor de Noord-Hollandse bevolking natuur, landschap en de daarmee samenhangende cultuurhistorie in de hele provincie duurzaam te behouden en verder te ontwikkelen, vanuit de overtuiging dat dit in het belang is voor het welzijn van mens en natuur.”

2.3.

LNH heeft onder meer een gebied in Callantsoog, gemeente Schagen, in erfpacht en beheer. In de buurt daarvan wenst HI een vakantiepark, Boskerpark, te realiseren op 24 hectare grond. In 2017 heeft zij daartoe een aantal percelen grond gekocht van private partijen. HI heeft het recht gekregen deze percelen, die thans nog in gebruik zijn als agrarische grond, te ontwikkelen en te exploiteren.

2.4.

De gemeente Schagen wenst op de aangrenzende grond 17 hectare nieuwe natuur te ontwikkelen. Zij heeft LNH naar voren geschoven als gebiedspartner ten behoeve van de realisatie en het beheer van de 17 hectare nieuwe natuur.

2.5.

De realisatie van het vakantiepark en de ontwikkeling van nieuwe natuur (hierna: het project) is planologisch mogelijk gemaakt door het vigerende en onherroepelijke bestemmingsplan Boskerpark uit 2013.

2.6.

Om de aangekochte percelen te kunnen ontwikkelen en exploiteren heeft HI verschillende vergunningen aangevraagd en gekregen. Bij besluit van 23 augustus 2018 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan HI een vergunning verleend op grond van de Wet Natuurbescherming (Wnb) voor de aanleg en gebruik van recreatiepark Boskerpark aan de Voorweg oostzijde te Groote Keeten.

2.7.

De vereniging [naam vereniging] heeft beroep ingesteld tegen voormeld besluit.

2.8.

Bij uitspraak buiten zitting van 3 september 2019 heeft deze rechtbank, locatie Haarlem, sector bestuursrecht, dit beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Deze uitspraak luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)
2. Verweerder [het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland; vzr]heeft bij het bestreden besluit vergunning verleend op grond van de Wnb omdat de aanleg en het gebruik van recreatiepark Boskerpark aan de Voorweg oostzijde te Groote Keeten (hierna: de aangevraagde activiteit) stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Het college heeft daarbij toepassing gegeven aan het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (hierna: PAS) en de daarbij behorende regelgeving die vanaf 1 juli 2015 van kracht is. De vergunning kan volgens het college worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is opgesteld. Met de toepassing en de uitvoering van het PAS is volgens het college gewaarborgd dat de stikstofdepositie die de aangevraagde activiteit zal veroorzaken niet zal leiden tot een aantasting van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.
(…)
4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn voortvloeien.

5. Dit betekent dat verweerder de vergunning voor de aangevraagde activiteit niet kon verlenen onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.8. van de Wnb. (…)”

2.9.

Op 26 mei 2020 heeft HI opnieuw een Wnb-vergunning aangevraagd bij de Omgevingsdienst, die namens het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland de vergunningverlening verzocht. Deze aanvraag is nog in behandeling.

2.10.

Bij e-mailbericht van 15 juni 2020 heeft HI het volgende, voor zover relevant, aan LNH meegedeeld:

“Graag stem ik met u af over een voorgenomen veldkarteringsonderzoek in verband met een aanvraag Wnb-vergunning met betrekking tot de ontwikkeling van Boskerpark in Groote Keeten, bestaande uit de realisatie van een verblijfsrecreatieterrein van 24 ha door ons en 17 ha nieuwe natuur door u als Landschap Noord-Holland. (…)

Een WNB-vergunning stikstof is aangevraagd – er is geen toename van stikstof op N2000
Voor de aanleg en het gebruik van deze ontwikkeling is een aanvraag voor een Wnb-vergunning stikstof ingediend (…). Doordat gebruik kan worden gemaakt van interne saldering (het agrarisch gebruik wordt immers gestaakt) vindt in realisatiefase en in de gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie op Natura 2000 plaats.

Het is in het kader van deze procedure van groot belang dat de actuele situatie van de gevoelige habitattypen in kaart wordt gebracht. Uit eerdere berekeningen is namelijk gebleken dat een stukje van circa 2,2 ha Grijze Duinen Kalkarm (H2130B) en Witte Duinen (H2120) nabij de aansluiting van de Helmweg op de Duinweg (bij Groote Keeten) als eerste als hexagoon met een grote toename naar voren komt. (…)

De ervaring van onze adviseurs is dat dat de kartering zoals opgenomen in het wettelijk rekenmodel voor stikstof (Aerius) al lang niet meer overal actueel is. Bovendien laat de kwaliteit van de kartering op sommige punten te wensen over. (…)
Om een duidelijk en actueel beeld van de aanwezigheid van de betreffende habitattypen en de staat waarin zij verkeren, te krijgen, zijn wij geadviseerd in genoemde 2,2 ha van het door u beheerde duingebied een nieuwe vegetatiekartering te laten uitvoeren.
(…)

Toestemming van Landschap Noord-Holland
Omdat u beheerder van het terrein bent, kan kartering uiteraard niet zonder uw toestemming tot betreding van het terrein plaatsvinden.
(…)”

2.11.

Bij e-mail van 15 juni 2020 heeft (een medewerker van) LNH onder meer het navolgende aan (een medewerker van) HI bericht:

“Hierbij reageer ik op uw mail van vanochtend. Zoals u weet houdt de stikstofcrisis vele sectoren in onze maatschappij danig bezig. Wij, als natuurorganisatie, zijn blij dat de problemen die de overmatige stikstofuitstoot opleveren voor de natuur nu eindelijk serieus genomen worden. (…)

Afgesproken is dat er per provincie gebiedsgerichte stikstoftafels worden ingericht en gebiedsanalyses worden gemaakt in de nabijheid van N2000-gebieden. In deze trajecten wordt in beeld gebracht hoe de natuur ervoor staat, waar de stikstofuitstoot vandaan komt, waar uitstoot kan worden verminderd en welke ontwikkelplannen dan weer in beweging gebracht kunnen worden. Wij steunen deze gebiedsgerichte aanpak. De provincie verzaakt echter deze voortvarend te starten. Daarmee is er lokaal weinig mogelijk. Onze inzet is het om de provincie in beweging te krijgen.

Landschap Noord-Holland zal alleen in deze bredere benadering, zoals afgesproken aan de provinciale stikstoftafel o.l.v. de Commissaris van de Koning, de verkenning aangaan over mogelijkheden voor bouwprojecten. We gaan deze niet per project aan omdat daardoor niet de fundamentele vraag wordt geadresseerd en (hopelijk) opgelost.

Hiermee geef ik dus ook antwoord op uw vraag: wij kunnen niet meegaan in uw wens om gerelateerd aan 1 project een N2000/stikstof-onderzoek te (laten) doen. (…)”
2.12. Bij brief van 19 juni 2020 heeft de (voormalige) advocaat van HI aan LNH verzocht haar weigering te heroverwegen.
2.13. Bij brief van 24 juni 2020 heeft mr. Binnerts voornoemd, het volgende voor zover van belang, aan de toenmalige advocaat van HI meegedeeld:

“(…)
Het onderzoek zou moeten dienen, zo begrijpt LNH, om aan te tonen dat de stikstofdepositie door het project op het gebied, geen significante gevolgen heeft voor de instandhouding van de bewuste habitattypes. Een goede beoordeling daarvan is echter niet te maken op basis van een momentopname, waartoe een onderzoek zoals door uw cliënte voorgenomen beperkt zal blijven. Bovendien is een dergelijke beoordeling niet goed te maken, als men zich niet tevens rekenschap geeft van andere voorgenomen projecten en de cumulatieve effecten daarvan op het betreffende gebied. Om die reden wenst LNH te komen tot een integrale benadering via de provinciale stikstoftafel, alvorens mee te werken aan projecten met gevolgen voor de stikstofdepositie in de door haar beheerde gebieden, waaronder dit gebied.

Tenslotte geldt dat de op dit moment goede stand van het gebied het resultaat is van intensieve en kostbare beheersmaatregelen in het gebied, die LNH heeft getroffen en nog uitvoert. Ook ter voorkoming van het illusoir worden van die inspanningen c.q. het vermijden van de noodzaak om aanvullende maatregelen te treffen, heeft LNH recht en belang om aanvullende stikstofbelasting van het gebied te vorkomen en is zij dus niet gehouden mee te werken aan onderzoeken, die een toename daarvan juist mogelijk zouden moeten maken.
(…)”

3 Het geschil

3.1.

HI vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad;

a. HI zal machtigen tot het laten uitvoeren van een veldonderzoek door [naam 1] binnen het Gebied bij Groote Keeten zoals beschreven onder randnummer 14 van deze dagvaarding voor de duur van één dag van 7.00 uur tot en met 19.00 uur in de periode juli/augustus 2020;

b. LNH zal veroordelen om dit veldonderzoek te gehengen en gedogen en daaraan waar nodig haar medewerking te verlenen, waaronder mede begrepen het verschaffen van toegang tot het Gebied aan de ecologen van [naam 1] die hiertoe opdracht van HI hebben verkregen, met machtiging aan HI, indien LNH in gebreke blijft om HI tot het Gebied en tot het verrichten van het veldonderzoek toe te laten, zich toegang tot het Gebied te verschaffen, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van LNH in de proces- en nakosten.

3.2.

Daartoe heeft HI het volgende gesteld. De afgifte van de aangevraagde Wnb-vergunning wordt uiterlijk in week 42 verwacht. Als HI een Wnb-vergunning krijgt, zal [naam vereniging] hiertegen beroep instellen bij de bestuursrechter en een verzoek om een voorlopige voorziening indienen om de werking van het betreffende besluit te doen schorsen. Het is van belang dat duidelijk is welke gevolgen een bepaald project heeft op de stikstofdepositie in de betreffende regio. Om nader te onderbouwen dat het project geen
significante gevolgen heeft voor de kwetsbare en beschermde natuur in de omliggende gebieden, wenst HI veldonderzoek te laten uitvoeren. Zij heeft LNH tevergeefs verzocht om een aantal hooggekwalificeerde ecologen van het onderzoeks- en adviesbureau [naam 1] toe te laten op een relatief klein stuk natuurgebied in de nabijheid van het gebied waar het project gerealiseerd zal gaan worden. Gezien haar statutaire doel heeft LNH geen belang bij haar weigering. Het project brengt geen nadelige gevolgen voor de flora en fauna in het gebied. Integendeel, er wordt juist nieuwe natuur ontwikkeld. HI heeft een groot en spoedeisend belang bij het laten uitvoeren van veldonderzoek, dat slechts in de zomermaanden (mei/juni tot en met augustus) kan worden uitgevoerd. Zij heeft zeer aanzienlijke investeringen gedaan. Door medewerking te weigeren, maakt LNH misbruik van haar bevoegdheid als erfpachter en handelt zij onrechtmatig jegens HI.
Ter zitting heeft HI gesteld dat LNH (ook) op grond van artikel 5:56 Burgerlijk Wetboek (BW) gehouden is mee te werken aan het door haar gewenste veldonderzoek.

3.3.

LNH voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als daarbij een spoedeisend belang bestaat. Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat de feiten en omstandigheden die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, voldoende aannemelijk zijn. Ook moet in voldoende mate waarschijnlijk zijn dat de vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

4.2.

HI heeft onbetwist gesteld dat het beoogde veldonderzoek uiterlijk in de maand augustus moet plaatsvinden om een optimaal resultaat te kunnen behalen. Als HI niet in de gelegenheid wordt gesteld om dit onderzoek in augustus 2020 te laten uitvoeren, kan dit pas weer worden verricht in de zomer van 2021. Dit kan onoverkomelijke gevolgen hebben voor haar mogelijkheden om bewijs te leveren in de bestuursrechtelijke procedure die zal volgen wanneer aan HI een Wnb-vergunning is verleend. Gelet hierop is het spoedeisend belang bij het gevorderde gegeven.

4.3.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft HI primair artikel 5:56 BW aan haar vorderingen ten grondslag gelegd. LNH heeft hiertegen aangevoerd dat dit artikel toepassing mist, omdat de percelen van HI en het gebied waar het veldonderzoek zou moeten plaatsvinden, waarvan LNH erfpachter is, niet naburig zijn. Onder verwijzing naar kaarten van de situatie ter plaatse (overgelegd als productie 4 bij de dagvaarding) is ter zitting namens LNH betoogd dat het gebied op aanzienlijke afstand ligt van de betreffende percelen.

4.4.

Artikel 5:56 BW is opgenomen in titel 4 van boek 5 BW, die over en weer de verplichtingen en bevoegdheden van eigenaars van naburige erven regelt. Onder de inleidende opmerkingen sub 3 is het begrip “naburigheid” als volgt toegelicht. Naburigheid moet niet aldus worden opgevat dat de erven aan elkaar grenzen, al gaan sommige bepalingen daar wel vanuit. Voldoende is evenwel dat de handelingen of situaties ten aanzien van het ene erf invloed uitoefenen op het andere. Een zékere naburigheid wordt daarbij wel verondersteld.

4.5.

Op grond van artikel 5:56 BW kan een tijdelijke voorziening worden getroffen wanneer het voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een onroerende zaak noodzakelijk is dat van een andere onroerende zaak gebruik wordt gemaakt. De eigenaar van de andere onroerende zaak dient dit, na behoorlijke kennisgeving en tegen schadeloosstelling toe te staan, tenzij er voor deze eigenaar gewichtige redenen bestaan dit gebruik te weigeren of tot een later tijdstip te doen uitstellen. De toepassing van artikel 5:56 BW hangt vooral af van een afweging van de belangen van de beide eigenaars.

4.6.

De voorzieningenrechter is, gelet op wat partijen over en weer ter zitting naar voren hebben gebracht en de onderbouwing daarvan, van oordeel dat niet aannemelijk is dat de bodemrechter de vorderingen van HI op grond van artikel 5:56 BW zal toewijzen. De erven liggen op een ruime afstand van elkaar en worden gescheiden door een woonwijk. Nog afgezien van de vraag of de onderhavige onroerende zaken aldus wel voldoende naburig zijn, geldt het volgende. HI verwacht dat wanneer aan haar een Wnb-vergunning wordt verleend [naam vereniging] tegen dit besluit beroep zal instellen bij de bestuursrechter. Zodra HI gaat beginnen met de bouw van het recreatiepark, zal [naam vereniging] hoogstwaarschijnlijk ook een voorlopige voorziening aanhangig maken om de bouw te staken. Voor de uitkomst van die bestuursrechtelijke procedure is de actuele staat van de natuur ter plaatse van doorslaggevend belang volgens HI. Om die reden wil HI op voorhand gegevens verzamelen, waaruit zou moeten blijken dat het project geen significante gevolgen heeft voor de kwetsbare en beschermde natuur in de omliggende gebieden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter valt het op deze wijze verzamelen van gegevens niet onder het begrip ‘werkzaamheden’ zoals bedoeld in artikel 5:56 BW.

4.7.

HI kan zich in dit kader niet succesvol beroepen op het door haar aangehaalde arrest van het gerechtshof te Den Bosch van 13 september 2016 (ECLI:NL: GHSHE:2016:4106) en het genoemde vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Bosch van 5 juni 2008 (ECLI:NL:RBSHE:2008:BD3280), omdat in deze zaken wel sprake was van het verrichten van werkzaamheden in de zin van artikel 5:56 BW. In de eerste zaak diende het aangrenzende perceel te worden gebruikt voor het vervoer van noodzakelijke materialen en voertuigen ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een woonark. In de tweede zaak diende de gemeente gebruik te maken van aan een derde toebehorende onroerende zaken in verband met het voor de bebouwing van een plangebied noodzakelijke bouwverkeer (tijdelijke bouwweg).

4.8.

Daarnaast acht de voorzieningenrechter in het kader van voormelde belangenafweging nog van belang dat het gevorderde veldonderzoek niet dient ter onderbouwing van de reeds in behandeling genomen aanvraag tot het verkrijgen van een Wnb-vergunning. HI wenst het onderzoek te doen ter nadere onderbouwing van haar verweer ter gelegenheid van de hiervoor genoemde procedure tot het treffen van een voorlopige voorziening. Niet valt in te zien waarom LNH gedwongen zou moeten worden haar belang bij bescherming van de natuur daarvoor opzij te zetten.

4.9.

HI heeft haar vorderingen mede gebaseerd op artikel 3:13 BW. Een eigenaar/erfpachter mag niet onder alle omstandigheden gebruik maken van hem toegekende bevoegdheden. Hij mag zich niet schuldig maken aan misbruik van bevoegdheid. Hiervan is onder meer sprake als hij zijn bevoegdheid uitoefent met geen ander doel dan een ander te schaden.

4.10.

Ook op deze grond zijn de vorderingen van HI niet toewijsbaar. Daarbij is allereerst in aanmerking genomen dat HI - zoals gemeld - de door haar gewenste gegevens, die zullen voortkomen uit het veldonderzoek, niet nodig heeft in het kader van haar Wnb-aanvraag. Dit terwijl LNH er, als erfpachter van het gebied waar voormeld onderzoek zou moeten plaatsvinden, alleen al gelet op haar doelstelling: natuur behouden en verder ontwikkelen, wel degelijk belang bij heeft om hier niet actief aan mee te werken.
In de (hiervoor onder 2.13 gedeeltelijk weergegeven) brief van 24 juni 2020 en ter zitting heeft de advocaat van LNH aangevoerd dat de vraag of het project (uiteindelijk) schade zal toebrengen aan de natuur alleen zinvol kan worden beantwoord als ook wordt gekeken naar eventuele andere projecten. LNH is van mening dat door middel van een gebiedsgerichte aanpak vanuit de provincie een meer structurele benadering dient te worden toegepast. De door HI voorgestelde aanpak is daarmee in strijd.

4.11.

Bovendien heeft LNH naar voren gebracht dat het in haar belang is om te bereiken dat zij in de door haar beheerde natuurgebieden geen of in ieder geval zo min mogelijk kostbare herstelmaatregelen dient te treffen. LNH heeft zich ter zitting onweersproken op het standpunt gesteld dat de stikstofdepositie in het betreffende gebied op dit moment een factor 2 te hoog is, dat zij daarom kostbare herstelmaatregelen moet uitvoeren en dat het de bedoeling is dat deze factor omlaag gaat.

4.12.

HI heeft haar vorderingen ook gegrond op de redelijkheid en billijkheid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De voorzieningenrechter is van oordeel dat HI, mede bezien in het licht van al het voorgaande, onvoldoende feiten en/of omstandigheden heeft gesteld om aan te nemen dat de weigering van LNH in strijd is met voormelde (rechts)beginselen. De enkele omstandigheid dat LNH een aantal jaar geleden overleg heeft gevoerd met HI omdat zij de in het bestemmingsplan Boskerpark opgenomen 17 hectare nieuwe natuur zou gaan beheren, is in dit kader ontoereikend. Daarbij is in aanmerking genomen dat LNH ter zitting heeft verklaard dat zij niet de juridische positie en/of de financiële middelen had om dit bestemmingsplan succesvol aan te vechten. Omdat de inhoud van dit bestemmingsplan een gegeven was, heeft LNH destijds meegedacht over de verdere invulling hiervan. Dit betekent echter nog niet dat LNH door nu te weigeren haar medewerking te verlenen aan het door HI gewenste veldonderzoek in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of LNH kan worden beschouwd als quasi overheidsorgaan, zoals HI heeft gesteld en LNH heeft betwist.

4.13.

Uit al het voorgaande volgt dat LNH niet onrechtmatig heeft gehandeld door haar medewerking aan het door HI gewenste veldonderzoek te weigeren. De vorderingen van HI zullen worden afgewezen.

4.14.

HI zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van LNH worden begroot op:

- griffierecht € 656,-

- salaris advocaat € 980,-

Totaal € 1.636,-

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt HI in de proceskosten, aan de zijde van LNH tot op heden begroot op € 1.636,-,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. P.L. Ypma op 11 augustus 2020.1

1 type: PY coll: