Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6295

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1701
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Beroep gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen. Eiseres heeft voldoende draagkracht om de kosten van rechtsbijstand te voldoen. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om op grond van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van de Beleidsregels.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/1701

einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2020 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K. Walburg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder

(gemachtigde: mr. S.E. Bogaarts).

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 14 februari 2020 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder

in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het

gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de

tussenuitspraak.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak op 17 maart 2020 een aanvullende motivering ingediend. Eiseres heeft op 29 april 2020 een schriftelijke zienswijze gegeven. Verweerder heeft hier op 13 mei 2020 op gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder bij de beoordeling van het beroep op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de mobiliteitskosten en de kosten die eiseres periodiek maakt voor de aanschaf van Fluimicil niet kunnen leiden tot de conclusie dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van de Beleidsregels bijzondere bijstand 2018 (de Beleidsregels) onevenredig zijn in verhouding tot de met de Beleidsregels te dienen doelen.

3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder een aanvullende motivering ingediend. Volgens verweerder staat niet vast of het gebruik van een auto voor eiseres noodzakelijk is, omdat hier recent geen medisch onderzoek naar is gedaan. Voor de beoordeling in onderhavige zaak maakt dit volgens verweerder echter geen verschil, omdat indien uit onderzoek zou blijken dat het gebruik van een auto medisch noodzakelijk is voor eiseres, er dan een voorliggende voorziening is waar zij zich toe kan wenden, namelijk de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Verder is verweerder van mening dat iedereen in Nederland vervoerskosten heeft. In die zin is de situatie van eiseres niet bijzonder en ziet verweerder geen reden om af te wijken van de Beleidsregels. Voor regiovervoer, gewoon openbaar vervoer of een auto geldt dat daar kosten aan verbonden zijn. Volgens het Nibud staat hiervoor gemiddeld € 71,- per maand voor een éénpersoonshuishouden. Voor het meerdere kan gebruik worden gemaakt van de belastingaftrek. Verweerder heeft evengoed gekeken naar de situatie hoe het zou zijn als de meerkosten van de auto meegenomen moeten worden als bijzondere omstandigheid. Verweerder komt dan uit op het volgende. Eiseres heeft in 2018 € 931,98 aan autokosten gehad. Deze kosten zijn iets boven het gemiddelde van € 872,- (12 x € 71,-). De meerkosten die eiseres heeft op jaarbasis zijn € 79,98. Zelfs als dit bedrag van de draagkracht van eiseres wordt afgehaald, blijft er volgens verweerder nog voldoende draagkracht over om de kosten van rechtsbijstand zelf te betalen.

Dat geldt volgens verweerder ook voor de kosten die eiseres kwijt is aan Fluimicil. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder bij besluit van 12 maart 2020 besloten het besluit van 2 november 2018 te herzien en aan eiseres alsnog een vergoeding te verstrekken van € 240,- voor de aanschaf van Fluimicil. Omdat eiseres heeft aangegeven dat zij jaarlijks € 359,64 uitgeeft aan Fluimicil, heeft verweerder een bedrag van € 119,64 (€ 359,64 minus € 240,-) van de draagkracht afgehaald. Ook dan blijft er voldoende draagkracht over om de kosten van rechtsbijstand zelf te betalen, aldus verweerder.

4. Eiseres stelt in haar zienswijze – kort samengevat - dat verweerder het gebrek niet heeft hersteld. Haar besteedbaar inkomen is onvoldoende toereikend om de kosten van rechtsbijstand te voldoen. Gezien haar specifieke en unieke omstandigheden dient zij voor bijzondere bijstand in aanmerking te komen.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de in de tussenuitspraak vermelde gebreken heeft hersteld. Dit oordeel wordt als volgt gemotiveerd.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder het besluit van 12 maart 2020 genomen, waarbij op grond van de compensatieregeling WTCG alsnog een bedrag van € 240,- aan eiseres is toegekend voor de aanschaf van Fluimicil.
Verweerder heeft vervolgens voldoende gemotiveerd dat eiseres na het betalen van de kosten van Fluimicil nog voldoende draagkracht overhoudt om de kosten van rechtsbijstand te voldoen (€ 814,08 minus € 119,64 = € 694,44).

Voor wat betreft de vervoerskosten kan de rechtbank verweerder volgen dat los van de vraag of het gebruik van een auto voor eiseres medisch gezien noodzakelijk is, de Wmo een voorliggende voorziening is op de bijzondere bijstand. De omstandigheid dat eiseres bij de Wmo nul op haar rekest heeft gekregen en dat zij daar geen besluiten heeft ontvangen waartegen zij bezwaar kon maken, maakt niet dat dit dan afgewenteld moet worden op de bijzondere bijstand. Verder kan de rechtbank verweerder volgen dat iedereen in Nederland vervoerskosten heeft en dat in die zin de situatie van eiseres niet bijzonder is. Verder heeft verweerder rekening gehouden met de meerkosten van de vervoerskosten (€ 79,98) en deze van de draagkracht afgehaald. De rechtbank kan verweerder volgen dat eiseres ook dan voldoende draagkracht overhoudt om de kosten van rechtsbijstand te voldoen. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om op grond van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van de Beleidsregels.

6. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Nu verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak de gebreken heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de zienswijze na de bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 47,- te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.3125,50.

Deze uitspraak is gedaan op 20 augustus 2020 door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van I.M. Wijnker-Duiven. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.