Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6294

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
C/15/293683 / HA ZA 19-600
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Erfrechtzaak. Berekening legitimaire massa. Giften.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0205
JERF Actueel 2020/283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/293683 / HA ZA 19-600

Vonnis van 19 augustus 2020 (bij vervroeging)

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats 1] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. M.J. Meijer te Haarlem,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagde,

advocaat mr. B. Wernik te Haarlem,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagde,

niet verschenen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GOEDHART BEWIND BV in haar hoedanigheid van bewindvoerder van

[gedaagde 3] ,

gevestigd te Hilversum,

gedaagde,

niet verschenen,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden. Gedaagde sub 1 wordt hierna ook [gedaagde 1] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 20 november 2019, waarbij door de rechtbank aan beide partijen informatie werd gevraagd,

  • -

    de dagbepaling van de zitting (op 9 januari, 21 februari, 1 april en 15 juli 2020), die drie maal moest worden uitgesteld,

  • -

    de akte van [eisers] van 13 januari 2020, met producties 12 t/m 15,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 15 juli 2020 en de daarin genoemde volmachten van eisers sub 1 en 2 aan eiser sub 3.

1.2.

Tijdens de comparitie van partijen heeft mr. Meijer namens eisers de vorderingen tegen de niet verschenen gedaagden 2, 3 en 4 ingetrokken, zodat de rechtbank nog slechts zal beslissen over de vordering ten aanzien van gedaagde [gedaagde 1] .

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[erflater] , geboren [geboortedatum 1] , was vanaf oktober 2014 woonachtig in het St. Pieter Bloklands Gasthuis te Amersfoort, een verzorgingstehuis met kleinschalige woongroepen bedoeld voor mensen die lijden aan dementie en fysieke beperkingen. In de jaren daarvoor heeft de heer [erflater] in een bejaardentehuis op Aruba gewoond. Aldaar werd hij bijgestaan door een van zijn dochters, gedaagde sub 4.

2.2.

Op 15 oktober 2015 heeft [erflater] , een testament opgesteld. Dat luidt, voor zover voor deze zaak relevant, als volgt:

“B. Erfstelling

Ik benoem tot mijn erfgename: mevrouw [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats 1] , [adres] , geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum 2] .

C. Executele

1. Ik benoem voornoemde mevrouw [gedaagde 1] tot executeur.

(…)

4. Boedelbeschrijving

De executeur moet binnen drie maanden na mijn overlijden een boedelbeschrijving, met inbegrip van een voorlopige staat van schulden van de nalatenschap opmaken en de haar bekende schuldeisers oproepen om hun vorderingen bij haar of bij de boedelnotaris in te dienen. Aan de erfgenamen wordt een afschrift van de boedelbeschrijving ter beschikking gesteld.”

2.3.

Ruim een maand later, op [datum overlijden] , is [erflater] (hierna: erflater), vader en grootvader van onder meer de eisers in deze procedure, overleden. Zijn echtgenote, mevrouw [naam echtgenote] , was al eerder overleden. Zij waren daarvoor in gemeenschap van goederen gehuwd. [gedaagde 1] is de stiefdochter van erflater, zo is ter zitting gebleken.

2.4.

[gedaagde 1] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. Zij heeft ook haar benoeming tot executeur-testamentair aanvaard. Op 10 december 2015 heeft [gedaagde 1] bij de rechtbank Midden-Nederland een Voorlopige Boedelbeschrijving gedeponeerd. Deze eindigde met een negatief saldo van € 15.880,63.

2.5.

Bij brief van 28 december 2015 aan [gedaagde 1] heeft eiser sub 3 als zoon van erflater een beroep gedaan op zijn legitieme portie. Ook heeft hij [gedaagde 1] als executeur verzocht om een volledige beschrijving van de bezittingen te maken. Ten slotte verzocht eiser sub 3 om alle bankafschriften in de periode van twee jaar voor het overlijden van erflater.

2.6.

[gedaagde 1] heeft eisers nadere bescheiden doen toekomen, met name bankafschriften van erflater over de periode 25 mei 2015 - 1 januari 2016. Eisers hebben via een andere weg de beschikking verkregen over de relevante bankafschriften over de periode 1 januari 2008 - 25 mei 2015. Al deze bankafschriften zijn in deze procedure in het geding gebracht.

2.7.

Eiser sub 2 en gedaagde sub 2 hebben bij brief van 5 april 2017, gericht aan [gedaagde 1] , een beroep gedaan op hun legitieme portie als kleinkinderen van erflater. Hun vader, [naam 1] (zoon van erflater), was eerder overleden.

2.8.

[gedaagde 3] (hierna: [gedaagde 3] ) is een dochter van erflater. Zij is geestelijk en lichamelijk gehandicapt en leefde vanaf 2011 in de instelling Reinaerde te Woudenberg. [gedaagde 1] en haar echtgenoot, [naam 2] zijn bij beschikking van 18 mei 2011 van de kantonrechter in Amersfoort benoemd tot haar bewindvoerders.

Bij beschikking van 22 april 2016 zijn zij als bewindvoerders ontslagen, met benoeming van gedaagde sub 3 als professionele bewindvoerder.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren,

  1. voor recht zal verklaren dat de legitimaire massa van de opengevallen nalatenschap van de heer [erflater] , overleden te [plaats] op [datum overlijden] een bedrag behelst van € 194.208,34 als gevolg waarvan [eiser 1] en [eiser 3] een vordering op deze nalatenschap hebben van ieder 1/10e deel = € 19.420,83 en [eiser 2] een vordering heeft van 1/20e = € 9.710,41, dan wel in Goede Justitie zelve het bedrag te bepalen van de legitimaire massa van de opengevallen nalatenschap van de heer [erflater] overleden te [plaats] op [datum overlijden] , als gevolg waarvan [eiser 1] en [eiser 3] een vordering op deze nalatenschap heeft van ieder 1/10e deel van dit bedrag en [eiser 2] hiertoe een vordering heeft van 1/20e deel van dit bedrag en

  2. gedaagde sub 1 te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met rente.

3.2.

[gedaagde 1] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering van [eisers] ziet op een nalatenschap. Geen van beide partijen heeft de moeite genomen om de rechtbank in te lichten over de precieze verwantschap van alle betrokken partijen. [eisers] gaan er in hun vordering van uit dat eisers voor 1/10e, 1/20e respectievelijk 1/10e deel legitimaris zijn in de nalatenschap van erflater. Daartegen is geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank daar ook vanuit zal gaan.

4.2.

Volgens artikel 4:63, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW), is de legitieme portie van een legitimaris het gedeelte van de waarde van het vermogen van de erflater, waarop de legitimaris in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen van de erflater aanspraak kan maken. Dus ondanks het feit dat de erflater in zijn testament onder meer eisers heeft ‘onterfd’, hebben zij volgens het Nederlands recht altijd recht op hun ‘wettelijk erfdeel’. Hierop hebben eisers een beroep gedaan.

De legitieme porties worden volgens artikel 4:65 BW berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap. Die waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. De uitkomst hiervan wordt de legitimaire massa genoemd.

Partijen twisten over de omvang van de legitimaire massa. De rechtbank zal hierna per post op de in geschil zijnde onderdelen ingaan.

4.3.

Uitgaven oktober 2014 tot overlijden november 2015

4.3.1.

[eisers] stellen dat uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat [gedaagde 1] in de periode van oktober 2014 tot het overlijden van erflater een bedrag van in totaal € 19.244,77 heeft ontvangen. Daarvan kan € 5.381,95 herleid worden tot specifieke aankopen voor erflater, maar een bedrag van € 13.862,82 niet.

4.3.2.

[gedaagde 1] heeft als verweer aangevoerd dat deze betalingen zien op de verhuizing van erflater van Aruba naar Amersfoort en de inrichting van zijn woning. Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde 1] ter onderbouwing van dit verweer diverse bonnen en facturen overgelegd uit de periode augustus tot en met oktober 2014 voor een totaalbedrag van € 19.024,10.

4.3.3.

Met [eisers] merkt de rechtbank op dat geen van de bonnen voor akkoord zijn getekend door de erflater en dat ook op veel facturen niet het adres van erflater wordt vermeld. Ook de aard van diverse aankopen roept mogelijk twijfels op. Toch geeft de rechtbank [gedaagde 1] op dit punt het voordeel van de twijfel en zullen de uitgaven niet als “gift” worden gekwalificeerd, mede gelet op het feit dat [eisers] naar aanleiding van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 1] hun stellingen niet nader hebben onderbouwd. De aanschafwaarde van deze goederen behoort daarmee dus niet tot de legitimaire massa.

4.3.4.

Iets anders is de waarde van deze goederen ten tijde van het overlijden van erflater. Naar de stellingen van [gedaagde 1] waren deze goederen op dat moment dertien maanden oud en in totaal € 1.500,- waard. Uit de overgelegde bonnen en facturen volgt dat – met name in augustus 2014 – in totaal voor een bedrag van € 10.802,- aan tafels, stoelen, een bankstel, elektronica, witgoed en een tweepersoons elektrisch verstelbaar bed is aangeschaft. [gedaagde 1] heeft niet verklaard wat er met al deze goederen is gebeurd dan wel wat de reden is van de waardedaling. De rechtbank zal daarom schattenderwijs de waarde begroten op € 5.000,-. De legitimaire massa wordt daarom op dit onderdeel met € 3.500,- verhoogd.

4.4.

Pinbedrag € 2.200,-

4.4.1.

[eisers] stellen dat er na het overlijden van erflater door [gedaagde 1] nog een bedrag van € 2.200,- is gepind. [gedaagde 1] heeft als verweer aangevoerd dat haar niet duidelijk is waarop [eisers] doelen.

4.4.2.

[eisers] hebben in de akte van 13 januari 2020 verwezen naar twee bankafschriften van de ING-bankrekening van erflater. Daaruit blijken twee pinopnamen op 19 november en 23 november 2015 voor een bedrag van in totaal € 1.220,-. Daarnaast is op 23 november 2015 een bedrag van € 1.000,- via een internetbetaling overgemaakt aan [naam 2] (de echtgenoot van [gedaagde 1] ). Daarop heeft [gedaagde 1] niet meer gereageerd, zodat de vordering op dit onderdeel toewijsbaar is.

4.5.

Uitkering Monuta € 944,-

4.5.1.

[gedaagde 1] heeft erkend dat er een bedrag van € 944,- is uitgekeerd door Monuta. Dat bedrag is echter niet meegenomen in de boedelbeschrijving zoals neergelegd door [gedaagde 1] . De legitimaire massa dient daarom met dat bedrag te worden verhoogd.

4.6.

Sieraden, teruggave belasting, contant geld

4.6.1.

De vordering ter zake van de sieraden, veronderstelde belastingteruggaven 2014 en 2015 en een hoeveelheid contant geld is gebaseerd op vermoedens van [eisers] Naar het oordeel van de rechtbank zijn die vermoedens onvoldoende onderbouwd om te kunnen worden toegewezen.

4.7.

Levensverzekering € 42.176,-

4.7.1.

[eisers] stellen dat er een levensverzekering tot uitkering is gekomen. [gedaagde 1] ontkent het bestaan van een levensverzekering.

4.7.2.

[eisers] hebben een verklaring van 26 november 2019 in het geding gebracht van kleindochter [naam kleindochter] . Zij stelt dat zij haar opa in 1980 heeft geadviseerd een levensverzekering af te sluiten. Verder stelt zij dat haar opa haar later heeft verklaard “dat hij het had geregeld”. De kleindochter gaat ervan uit dat het zou gaan om een standaard bedrag van fl. 100.000,-.

Deze verklaring is onvoldoende concreet om te kunnen uitgaan van het bestaan en de omvang van de gestelde levensverzekering.

4.8.

Betalingen per bank aan [gedaagde 1] en J [naam 2]

4.8.1.

[eisers] stellen dat de legitimaire massa ook moet worden verhoogd met een bedrag van € 140.000,-. Uit de bankafschriften vanaf 2008 volgt namelijk dat er in totaal een bedrag van € 140.000,- van de bankrekening van erflater is overgemaakt aan [gedaagde 1] en haar echtgenoot, zonder dat daarvoor enige verantwoording is afgelegd.

4.8.2.

[gedaagde 1] voert als verweer dat erflater “met het oog op de verzorging/ondersteuning/ het levensonderhoud van zijn dochter [gedaagde 3] ” over de periode 2008 – 2010 maandelijks € 400,- aan [gedaagde 1] / [naam 2] heeft overgemaakt. Gedurende de periode van hun bewind over [gedaagde 3] , van mei 2011 tot en met april 2016 is dat bedrag verhoogd tot € 800,- per maand. [gedaagde 1] stelt dat zij en haar echtgenoot de mantelzorgers van [gedaagde 3] waren.

4.9.

Op de zitting is de inhoud van artikel 4:69 BW al aan de orde geweest. Voor zover het gaat om giften, dan zijn alleen die giften van invloed op de legitimaire massa, indien zij zijn gedaan binnen vijf jaar voor het overlijden. In deze procedure betekent dit dat de giften in de periode 18 november 2010 tot 18 november 2015 dienen te worden betrokken bij de berekening van de legitimaire massa.

4.9.1.

Ter zitting en door de overgelegde stukken is duidelijk geworden dat de door erflater overgemaakte bedragen in ieder geval geen betrekking hadden op de kosten van [gedaagde 3] . Die konden uit haar eigen inkomen worden voldaan.

Ter zitting is nader toegelicht dat de vaste bedragen van € 400,- en later € 800,- feitelijk blijken van waardering van erflater voor zijn stiefdochter [gedaagde 1] en haar echtgenoot waren voor de zorg die zij verleenden aan [gedaagde 3] .

De rechtbank treedt niet in de wijze van het verlenen van mantelzorg door [gedaagde 1] , omdat daarover onvoldoende duidelijk is geworden. Aangenomen mag wel worden dat [gedaagde 1] en haar echtgenoot de nodige bemoeiingen hebben gehad met de zorg voor en over [gedaagde 3] in Nederland. Dat erflater het op zijn plaats vond om hen daarvoor een vergoeding toe te kennen voor diverse onkosten en dergelijke, wil de rechtbank wel aannemen en is ook niet ongebruikelijk. Een bedrag van € 100,- per maand acht de rechtbank in dat kader aanvaardbaar. Een dergelijk bedrag kan worden gezien als een gift aan personen ten aanzien van wie de erflater moreel verplicht was bij te dragen in hun onderhoud tijdens zijn leven (artikel 4:69, eerste lid, onder a BW).

Voor het overige moeten de vaste overgemaakte bedragen in het kader van het erfrecht worden beschouwd als ‘giften’ in de zin van artikel 4:67, aanhef, onder e BW. Deze maken dus onderdeel uit van de legitimaire massa.

4.9.2.

Uit de in het geding gebrachte bankafschriften blijkt dat in de in 4.9 omschreven periode de eerste € 800,- op 30 november 2010 wordt overgemaakt aan J [naam 2] en zo maandelijks verder. De 53e en laatste overboeking is op 31 maart 2015. De legitimaire massa dient dus te worden verhoogd met 53 x € 700,- = € 37.100,-.

4.10.

Naast de maandelijkse vaste bedragen van € 800,- zijn er in de desbetreffende periode ook nog verschillende malen grotere bedragen door erflater aan J [naam 2] overgemaakt. In de periode februari 2011 tot en met februari 2012 een bedrag van totaal € 22.770,-.

Ter zitting daarnaar gevraagd, heeft [gedaagde 1] verklaard dat al die bedragen te maken hebben met [gedaagde 3] en dat er veel kosten gemaakt zijn gemaakt in verband met problemen met de instellingen waar zij verbleef. Alle kosten zouden telefonisch naar erflater zijn verantwoord.

Zonder nadere onderbouwing van de betaling van deze “kosten” is dit uiteraard geen afdoende verklaring. Ook deze bedragen moeten daarom als gift worden beschouwd en vormen daarmee onderdeel van de legitimaire massa.

4.11.

In de periode augustus 2014 tot en met oktober 2014 werd in totaal een bedrag van € 25.900,- door erflater aan [gedaagde 1] overgemaakt. Zoals hiervoor onder 4.3.2 overwogen, heeft [gedaagde 1] deze overboekingen voor een bedrag van € 19.024,10 verantwoord in verband met de verhuizing van erflater naar Nederland en heeft de rechtbank haar daarin het voordeel van de twijfel gegeven. Het resterende bedrag van € 6.875,90 moet als gift worden beoordeeld.

4.12.

Vergoeding CZ € 406,15

4.12.1.

[eisers] stellen dat er recht was op een vergoeding van de medische kosten door CZ, die verrekend moet worden met de restschuld bij CZ. Dit betekent dat de restschuld € 406,15 lager is dan nu opgenomen in de boedelbeschrijving, aldus [eisers] [gedaagde 1] heeft het voorgaande niet betwist, waardoor dit onderdeel van de vordering zal worden toegewezen.

4.13.

Slotsom

Op grond van al het voorgaande komt de rechtbank als volgt tot bepaling van de legitimaire massa:

  • -

    voorlopige boedelbeschrijving € 15.880,63 -/-

  • -

    waarde inboedel (€ 5.000,- minus € 1.500,-) € 3.500,-

  • -

    pinopnamen/overboeking na overlijden € 2.200,-

  • -

    uitkering Monuta € 944,-

  • -

    ‘giften’ 18 november 2010 tot 18 november 2015 € 37.100,-

  • -

    ‘giften’ februari 2011 tot en met februari 2012 € 22.770,-

  • -

    ‘giften’ augustus tot en met oktober 2014 € 6.875,90

  • -

    vergoeding CZ € 406,15

Totaal: € 57.915,42.

4.14.

Gelet op de aard van de procedure en het feit dat beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de legitimaire massa van de opengevallen nalatenschap van de heer [erflater] , overleden te [plaats] op [datum overlijden] een bedrag behelst van € 57.915,42, als gevolg waarvan [eiser 1] en [eiser 3] een vordering op deze nalatenschap hebben van ieder 1/10e deel = € 5.791,54 en [eiser 2] een vordering heeft van 1/20e = € 2.895,77,

5.2.

wijst af het meer of anders gevorderde,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2020.1

1 LJS/IV