Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6289

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
17-08-2020
Zaaknummer
8586216
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Voorlopige voorziening art. 223 Rv. Mondelinge uitspraak. Werkgever wordt bij wijze van voorlopige voorziening veroordeeld tot betaling van loon. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet in de hoofdzaak waarschijnlijk niet geldig zal worden geacht. Werkgever heeft aan het ontslag op staande voet verklaringen van de werknemer ten grondslag gelegd die de werknemer heeft gedaan in een mediationgesprek, terwijl partijen daarover geheimhouding hebben afgesproken en zijn overeengekomen dat zij verklaringen afgelegd in een mediationgesprek niet tegen elkaar (als bewijs) zullen gebruiken. Onder die omstandigjheden mocht de werkgever die verklaringen niet als dringende reden gebruiken voor een ontslag op staande voet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0983
Prg. 2020/241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8586216 \ AO VERZ 20-58

Uitspraakdatum: 5 augustus 2020

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak (beschikking) van de kantonrechter, mede op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de zaak van:

[verzoekster]

wonende te [woonplaats 1]

verzoeker

verder te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: mr. T. Koenders

tegen

de besloten vennootschap ATC Zorgtaxi B.V., gevestigd te Uitgeest, en

de besloten vennootschap Toet Holding Hoorn B.V., gevestigd te Hoorn, en

[gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] ,

verweerders

verder gezamenlijk te noemen: ATC Zorgtaxi c.s., en afzonderlijk te noemen ATC Zorgtaxi, Toet Holding en Gorgy,

gemachtigde: mr. B.A. Smits

1. De gronden van de beslissing

1.1.

[verzoekster] heeft onder meer een verzoek gedaan om het aan haar gegeven ontslag op staande voet te vernietigen, en heeft verzocht om op grond van artikel 223 een voorlopige voorziening te treffen, te weten een veroordeling van ATC Zorgtaxi tot betaling van achterstallig loon, een voorschot op het loon en om [verzoekster] in staat te stellen haar werkzaamheden te verrichten. Daarnaast heeft zij verzocht om voor recht te verklaren dat ATC Zorgtaxi c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door schending van de geheimhoudingsplicht van de mediationovereenkomst tussen partijen, en is verzocht om Toet Holding te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 40.000,00 uit hoofde van een geldlening.

1.2.

De zaak is vandaag op de zitting behandeld. ATC Zorgtaxi c.s. hebben een verweerschrift ingediend en een tegenverzoek gedaan.

1.3.

De kantonrechter zal in deze mondelinge uitspraak alleen een beslissing nemen over de door [verzoekster] verzochte voorlopige voorziening. Wat betreft de hoofdzaak zal een tussenbelissing worden gegeven, die hierna ook wordt behandeld.

1.4.

[verzoekster] heeft een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening, omdat het gaat om een verzoek tot loonbetaling en tewerkstelling na een ontslag op staande voet, en omdat in de hoofdzaak op korte termijn geen uitspraak zal worden gedaan.

1.5.

Die voorziening zal worden toegewezen op de hierna te noemen gronden.

1.6.

Vast staat dat [verzoekster] op 1 januari 2016 in dienst is getreden bij ATC Zorgtaxi en dat zij een loon heeft van € 2.800,62 bruto per maand.

1.7.

Ook staat vast dat [verzoekster] op 17 april 2020 op staande voet is ontslagen. In een e-mail van 17 april 2020 is namens ATC Zorgtaxi aan [verzoekster] meegedeeld dat de dringende reden voor het ontslag op staande voet is gelegen in de handelwijze van [verzoekster] met betrekking tot het onttrekken van gelden aan ATC Zorgtaxi en het afleggen van een valse verklaring over haar boekhouder. In een bijlage bij de e-mail is daaraan toegevoegd dat [verzoekster] in een mediationgesprek tussen partijen op 15 april 2020 heeft verklaard dat zij een bedrag van
€ 3.000,00 aan contante ritgelden niet heeft afgedragen aan ATC Zorgtaxi en heeft verklaard dat zij op 8 februari 2019 in opdracht van de boekhouder een bedrag van € 10.000,00 van de rekening van ATC Zorgtaxi heeft overgemaakt naar haar privé-rekening.

1.8.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter en op basis van de nu bekende feiten en omstandigheden is het in voldoende mate waarschijnlijk dat in de hoofdzaak zal worden geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.

1.9.

Daarbij is in de eerste plaats van belang dat ATC Zorgtaxi blijkens de stukken al op 30 januari 2020 op de hoogte was van het feit dat [verzoekster] contante bedragen van ritgelden niet had afgedragen. Dat volgt uit de e-mail van ATC Zorgtaxi van die datum, maar ook uit latere e-mails van 3 februari 2020 en 13 februari 2020. Verder is gebleken dat [verzoekster] op 6 februari 2020 een e-mail heeft gestuurd aan de boekhouder van ATC Zorgtaxi, waarin zij een overzicht heeft gegeven van de betreffende ritgelden, en op de zitting is door ATC Zorgtaxi erkend dat daaruit blijkt dat het ging om een bedrag van ongeveer € 3.000,00 en dat ATC Zorgtaxi daarmee rond die datum al bekend was. Volgens de wettelijke regels voor ontslag op staande voet is zo’n ontslag alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, als er onverwijld wordt opgezegd en als de dringende reden onverwijld wordt meegedeeld aan de werknemer (artikel 7:677 lid 1 BW). Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Nu ATC Zorgtaxi al op 30 januari 2020 bekend was met het niet afdragen van ritgelden en rond 6 februari 2020 met de omvang daarvan, maar pas op 17 april 2020 om die reden tot ontslag op staande voet is overgegaan, is dat ontslag niet onverwijld gegeven en alleen al daarom ongeldig.

1.10.

Voor de door ATC Zorgtaxi genoemde overboeking van een bedrag van € 10.000,00 op 8 februari 2019 geldt dat de kantonrechter bij de huidige stand van zaken twijfelt over de vraag of dit een dringende reden kan opleveren. [verzoekster] heeft gesteld dat zij op 8 februari 2019 nog bevoegd was die overboeking te doen als eigenaar van ATC Zorgtaxi, omdat de aandelentransactie op die datum heeft plaatsgevonden. Ook stelt [verzoekster] dat het bedrag ziet op facturen over een periode in of rond december 2018, toen zij nog eigenaar was van de onderneming. De kantonrechter kan op dit moment niet zonder meer vaststellen dat dit betoog van [verzoekster] onjuist is. Dat komt bij de huidige stand van zaken voor rekening en risico van ATC Zorgtaxi, die de bewijslast heeft van de dringende reden. Overigens kan ook in dit kader worden betwijfeld of ATC Zorgtaxi wel onverwijld is overgegaan tot ontslag op staande voet, omdat gelet op de stukken en de zitting mogelijk zal moeten worden geoordeeld dat ATC Zorgtaxi al veel eerder met die overboeking van € 10.000,00 bekend was of had kunnen, dan wel behoren, te zijn.

1.11.

Daarbij komt dat ATC Zorgtaxi aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd dat [verzoekster] in een mediationgesprek tussen partijen op 15 april 2020 heeft verklaard dat zij een bedrag van € 3.000,00 aan contante ritgelden niet heeft afgedragen aan ATC Zorgtaxi en heeft verklaard dat zij op 8 februari 2019 in opdracht van de boekhouder een bedrag van € 10.000,00 van de rekening van ATC Zorgtaxi heeft overgemaakt naar haar privé-rekening. Ook los van de onverwijldheid en wat hiervoor is overwogen, kunnen deze verklaringen naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet ten grondslag worden gelegd aan het ontslag op staande voet. De kantonrechter neemt als vaststaand aan dat partijen blijkens een mediationovereenkomst van 6 april 2020 en het daarbij van toepassing verklaarde Mediationreglement uitdrukkelijk geheimhouding zijn overeengekomen, die overeenkomst uitdrukkelijk hebben benoemd als een bewijsovereenkomst in de zin van artikel 153 Rv, en uitdrukkelijk hebben afgesproken dat zij afstand doen van het recht om in rechte of anderszins hetgeen tijdens de mediation is verstrekt of naar voren is gekomen als bewijs jegens elkaar aan te voeren. Dat de mediationovereenkomst niet is ondertekend door [verzoekster] doet er niet aan af dat die overeenkomst, die wel is ondertekend namens ATC Zorgtaxi, tussen partijen is aangegaan. Onder die omstandigheden kon en mocht ATC Zorgtaxi verklaringen van [verzoekster] in het mediationgesprek niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag leggen. ATC Zorgtaxi heeft zich immers expliciet verbonden en verplicht om verklaringen in de mediationgesprekken niet tegen [verzoekster] te gebruiken.

1.12.

Omdat voorlopig moet worden geoordeeld dat het ontslag op staande voet in de hoofdzaak geen stand zal houden, wordt ATC Zorgtaxi bij wijze van voorlopige voorziening veroordeeld tot betaling van loon, zoals verzocht. Voor een veroordeling in termijnen, zoals door ATC Zorgtaxi verzocht, ziet de kantonrechter geen reden of grondslag. De gevraagde voorziening om [verzoekster] in staat te stellen haar bedongen werkzaamheden te verrichten, wordt afgewezen, omdat [verzoekster] sinds 5 januari 2020 of 22 januari 2020 wegens ziekte niet in staat is tot het verrichten van de werkzaamheden. Dat en in welke mate [verzoekster] weer in staat is tot re-integratie is en in welke vorm dat zou moeten gebeuren, is op dit moment nog onvoldoende duidelijk. Verder is niet uitgesloten dat het (tegen)verzoek van ATC Zorgtaxi tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding zal worden toegewezen.

1.13.

Wat betreft het verzoek van [verzoekster] om voor recht te verklaren dat ATC Zorgtaxi c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door schending van de geheimhoudingsplicht in de mediationovereenkomst, en het verzoek om Toet Holding te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 40.000,00 uit hoofde van een geldlening, zal de kantonrechter [verzoekster] de gelegenheid geven om te reageren op het voornemen van de kantonrechter om die zaken met toepassing van artikel 71 Rv te verwijzen naar afdeling handel van de rechtbank en naar de dagvaardingsprocedure. Dat voornemen berust op de volgende gronden.

1.14.

In deze verzoekschriftprocedure kunnen op grond van artikel 7:686a lid 3 BW alleen vorderingen die voldoende verband houden met de zaak van het ontslag op staande voet, worden behandeld in deze procedure. Vooralsnog ziet de kantonrechter onvoldoende reden om aan te nemen dat de verzoeken ten aanzien van de schending van de geheimhoudingsplicht en de geldlening voldoende verband houden met het ontslag. Daarbij komt dat op grond van artikel 94 lid 2 Rv de kantonrechter waarschijnlijk niet bevoegd is ten aanzien van de zaak betreffende de schending van de geheimhoudingsplicht en de geldlening, want er is onvoldoende sprake van een samenhang die zich verzet tegen afzonderlijke behandeling.

1.15.

[verzoekster] zal dus de gelegenheid krijgen zich nader uit te laten over de vraag of de verzoeken ten aanzien van de schending van de geheimhoudingsplicht en de geldlening kunnen worden behandeld en beoordeeld in deze procedure. ATC Zorgtaxi c.s. zullen de gelegenheid krijgen daarop te reageren.

1.16.

[verzoekster] zal ook de gelegenheid krijgen om te reageren op het tegenverzoek van ATC Zorgtaxi tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst, en tot veroordeling van [verzoekster] tot betaling van diverse bedragen.

1.17.

De zaak zal in beginsel opnieuw op een zitting worden behandeld. Voor zover nodig en mogelijk zal de kantonrechter voorafgaand aan een nieuwe zitting een beslissing nemen over de vraag of de verschillende verzoeken van partijen in deze procedure kunnen worden behandeld, dan wel verwezen moeten worden naar een andere afdeling van de rechtbank en/of de dagvaardingsprocedure.

1.18.

Een beslissing over de proceskosten wordt aangehouden.

1.19.

De kantonrechter geeft partijen nog eens nadrukkelijk in overweging om na deze uitspraak nogmaals te onderzoeken of een schikking, waarin alle geschilpunten tussen partijen worden betrokken, tot de mogelijkheden behoort.

2. De beslissing

De kantonrechter:

in de voorlopige voorziening

2.1.

veroordeelt ATC Zorgtaxi om aan [verzoekster] het achterstallig salaris te betalen vanaf 17 april 2020 ten bedrage van € 2.800,62 bruto per maand, voor elke maand die is verstreken tussen 17 april 2020 en de datum van deze beschikking;

2.2.

veroordeelt ATC Zorgtaxi om aan [verzoekster] een maandelijks bedrag van € 2.800,62 bruto bij wijze van voorschot te betalen totdat in de hoofdzaak is beslist;

2.3.

wijst het verzoek voor het overige af;

in de hoofdzaak

2.4.

stelt [verzoekster] in de gelegenheid om uiterlijk op 2 september 2020 te reageren op wat hiervoor is overwogen over de vraag of de verzoeken ten aanzien van de schending van de geheimhoudingsplicht en de geldlening kunnen worden behandeld en beoordeeld in deze procedure, om en te reageren op het tegenverzoek van ATC Zorgtaxi tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst en tot veroordeling van [verzoekster] tot betaling van diverse bedragen;

2.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter