Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6284

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
17-08-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1892
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Verweerder heeft terecht de WIA-uitkering herzien en teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/1892

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de WIA-uitkering van eiser over de periode van 1 april 2017 tot en met 30 juni 2017 herzien en een brutobedrag van € 3.019,06 teruggevorderd.

Bij besluit van 14 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek heden gesloten.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt een WIA-uitkering. Naar aanleiding van een onderzoek door verweerder is gebleken dat eiser van 9 maart 2017 tot en met 11 juni 2017 in detentie heeft gezeten. Vervolgens heeft verweerder besloten zoals vermeld onder het procesverloop.

2. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de uitkering van eiser terecht is herzien en teruggevorderd. Eiser was in de periode in geding gedetineerd, waardoor op hem de uitsluitingsgrond van artikel 43, aanhef en onder d, van de Wet WIA van toepassing was. Volgens vaste jurisprudentie is het bij de beoordeling van de uitsluitingsgrond niet van belang of de strafrechtelijke procedure uiteindelijk in een veroordeling is geëindigd. Als mocht blijken dat de hechtenis eindigt in vrijspraak, kan eiser een schadevergoeding bij justitie vorderen vanwege onterecht ondergane voorlopige hechtenis.

3. Eiser stelt dat uit het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2017 volgt dat hij ten onrechte in detentie heeft gezeten. Verweerder heeft zijn WIA-uitkering daarom ten onrechte herzien en teruggevorderd. Eiser kan dit bedrag niet bij justitie verhalen wegens de termijn waarbinnen een dergelijk verzoek dient te worden ingediend (artikel 89 Wetboek van Strafvordering).

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Op grond van artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 43, aanhef en onder d, en artikel 44, tweede lid, van de Wet WIA eindigt het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van de dag dat de persoon één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

4.2

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser van 9 maart 2017 tot en met 11 juni 2017 in voorlopige hechtenis heeft gezeten in afwachting van een strafrechtelijke procedure. Onder de zinsnede "rechtens zijn vrijheid ontnomen" als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder d, van de Wet WIA moet mede worden begrepen de situatie waarin de betrokkene in voorlopige hechtenis verkeert in afwachting van een strafrechtelijke procedure. Niet van belang is of de strafrechtelijke procedure uiteindelijk in een veroordeling eindigt. De rechtbank wijst in dat kader op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 juni 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:AP4680). Dit betekent dat verweerder de WIA-uitkering van eiser over de periode in geding terecht heeft herzien en teruggevorderd.

4.3

De stelling van eiser dat hij het terugvorderingsbedrag bij justitie niet kan verhalen omdat de termijn daarvoor reeds is verstreken, is een omstandigheid die voor rekening en risico van eiser komt. Indien eiser verweerder tijdig had geïnformeerd over zijn detentie, had eiser deze termijn wellicht wel kunnen benutten.

4.4

De hoogte van het terugvorderingsbedrag is niet in geschil. De rechtbank is niet gebleken dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan verweerder van de terugvordering zou moeten afzien. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser bij de invordering bescherming geniet, of deze zo nodig kan inroepen, van de regels over de beslagvrije voet in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (zie de uitspraak van de CRvB van 28 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1385).

4.5

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 12 augustus 2020 door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van I.M. Wijnker-Duiven, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken”.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.